Menu

Premium

Tobit

Structuur

Het ligt voor de hand dat ruimtelijke verplaatsingen de structuur van een reisverhaal bepalen. Het boek Tobit zo ingedeeld worden in drie grote sequenties. Sequenties A en C spelen zich overwegend af in Ninive, waar Tobit, Anna en Tobias wonen. In het middendeel (B) reist Tobias met Rafaël naar Ekbatana (Medië), de woonplaats van Raguël, Edna en Sara, en hij keert met Sara (en Rafaël) naar Ninive terug.

Het opschrift (‘het boek van de woorden van Tobit’ etc.) stelt al wat volgt indirect voor als de uitvoering van Rafaëls opdracht om alles te boek te stellen (12:20). ‘Thuissituatie’ (A) en ‘nieuwe thuissituatie’ (C) omringen het middendeel (B). De meeste elementen uit sequentie A hebben een tegenhanger in C. Aan ‘lief en leed van Tobit en Sara’ (Ai) beantwoordt (na het ‘huwelijk te Ekbatana’, B4) de ‘thuiskomst met genezing en bruiloftsfeest’ (Ci). De verteller deelt de lezer/es in A2 mee dat God de gebeden hoort en Rafaël zendt. Tobit en Tobias horen dit pas later (C2.3). In 4:1-21 geeft Tobit, in de veronderstelling dat hij zal sterven, Tobias zijn ‘laatste’ richtlijnen (A3). In 14:3-11 (C4) vindt men de eigenlijke laatste woorden. Vóór het vertrek worden afspraken gemaakt met de reisgezel, na een ondervraging over diens identiteit (A4). Na de thuiskomst probeert Tobit deze afspraken na te komen en onthult ‘Azarias’ zijn ware identiteit (C2).

Er zijn structurele verbanden binnen elk van de sequenties. Parallel met Tobits verleden (A1.1), dat uitmondt in Tobits gebed om te mogen sterven (A1.2), staat de voorgeschiedenis van Sara (A1.3), die uitloopt op een gelijkaardig gebed (A1.4). God hoort hun gebed. Rafaël moet beiden genezen en Sara aan Tobias tot vrouw geven. Dit is het keerpunt in de omstandigheden (A2). Deze opdracht wordt door de reissectie (B3 – B4) en de thuiskomstscène (C1) heen vervuld. Een eerste stap ligt in de keuze van Rafaël alias Azarias als reisgezel (A4).

Het vertrek uit Ninive (B1) vertoont gelijkenissen en verschillen met het vertrek uit Ekbatana (B5). De heenreis wordt uitvoerig gepland (4:20-5:^), maar Tobias’ besluit tot de terugtocht beslaat één vers (10:8). Raguël verzet zich (10:9). Na een herhaald verzoek om te mogen gaan (10:9) laten Raguël en Edna Tobias onder zegenwensen vertrekken (10:113). In de heenreis is Tobias al met de zegenwens van zijn vader vertrokken als Anna bezwaar maakt (4:18-23).

De korte passage over de visvangst (B2) is qua verhaalverloop verbonden met diverse passages. Dat visingewanden gebruikt kunnen worden om een demon te verdrijven (B2.2), verwijst terug naar de voorgeschiedenis van Sara (A1.3), waarin sprake is van een demon. De demonen-afwerende functie van de vis wordt herhaald in Rafaëls geruststelling als hij Tobias een huwelijk met Sara voorstelt (B3.2). Dat met de gal van de vis oogproblemen genezen kunnen worden, herinnert aan de blindheid van Tobit (A1.1). Tegelijkertijd wijst Rafaëls verklaring vooruit naar de genezing van Sara (B4.2) en Tobit (C1).

Rafaëls plan (B3) stemt overeen met zijn opdracht om Sara aan Tobias tot vrouw te geven (A2), een taak die in het huwelijk (B4) vervuld en na de thuiskomst in Ninive bevestigd wordt (C1). Zoals op Tobits reisplan voor Tobias verzet komt, gevolgd door een geruststelling, volgt op Rafaëls huwelijksplan voor Tobias verzet, dat door Rafaëls geruststelling doorbroken wordt.

De huwelijkssluiting te Ekbatana (B4) bevat vele elementen die eerder aan bod kwamen: de verwantschap tussen Tobias en Raguël (7:2; 6:10); de blindheid van Tobit (2:10; 7:6); het komt Tobias toe Sara als vrouw te krijgen (3:17; 6:12; 7:10); de dood van zeven eerdere huwelijkskandidaten (3:8; 6:14; 7:11); de vrees dat Tobias hun lot zal delen (6:15; 8:10); Tobias’ gebed (6:18; 8:4-8). Als geheel beantwoordt dit huwelijk aan Rafaëls opdracht (B2). Omkaderd door de vermelding van de veertien dagen huwelijksfeest (8:19; 10:7), grijpt B4.3 terug naar een eerdere verhaallijn: Rafaël wikkelt de geldzaken af en de lezer/es verneemt de bezorgdheid van Tobias’ ouders.

Wat de nieuwe thuissituatie betreft, is er een parallel tussen Rafaëls algemene aansporingen (C2.2) en die van Tobit in 4:1-19 en 14:9-11. Rafaëls opdracht om God te loven, wordt dadelijk opgevolgd door Tobit en Tobias (3:22). Daarnaast schrijft Tobit een lied waarin hij Gods werken verheerlijkt en waarmee hij eveneens gehoor geeft aan Rafaëls opdracht (C3). Het boek Tobit besluit met de verdere lotgevallen van Tobias (C5).

De hoofdpersonages en hun bijdrage tot de plot

In het boek Tobit lopen twee grote verhaallijnen door elkaar. De eerste verhaallijn bekijkt de gebeurtenissen vanuit Tobits standpunt (eerst in de eerste persoon: Ik, Tobit, vanaf Tobit 4 via de verteller). Na alles wat hem is overkomen bidt Tobit om te mogen sterven. Wat hem betreft is Tobias’ reisdoel een financiële kwestie. Deze planning wordt doorkruist door een andere verhaallijn. De verteller brengt, na Tobits gebed, de situatie van Sara (3:710) onder de aandacht. Na de dood van zeven huwelijkskandidaten bidt zij dat God of haar laat sterven of zich over haar ontfermt (3:11-15). Sturende kracht van het verdere handelingsverloop is dat beide gebeden gehoord worden (3:16-17). Rafaël wordt gezonden, niet als doodsengel, maar als genezer, met de opdracht om Sara en Tobias samen te brengen. Vanaf dit punt verlopen de gebeurtenissen zodanig, dat zowel Tobits planning als Rafaëls zending tot voltooiing komen. De dubbele verhaallijn brengt mee dat dezelfde passage een meervoudige functie hebben. De keuze voor Rafaël als metgezel (5:1-17) bijvoorbeeld beantwoordt aan Tobits wens dat Tobias een reisgezel meeneemt, maar maakt tevens mogelijk dat Rafaël zijn opdracht uitvoert.

De thuissituatie: Tobit en Anna

Tobit 1:1 bevat de stamboom van een man uit de stam Naftali, die in het Noordrijk woonde maar in ballingschap naar Assyrië gebracht werd. Tobit (‘God is mijn goed’) karakteriseert zichzelf als een man die ‘de weg van waarheid en gerechtigheid bewandelt’ en ‘barmhartigheid bewijst’ (1:3). Niet toevallig zijn dit ook de eigenschappen die Tobit aan God toeschrijft (3:2; 13:7). Bovendien zou Tobit als enige in Tisbe en Ninive zich aan de wet van Mozes houden, in tegenstelling tot zijn stamgenoten en medeballingen (wat overdreven, vgl. 5:14).

Tobits barmhartigheid tegenover de doden veroorzaakt indirect zijn blindheid. Zijn vrouw Anna (‘God is genadig’) uit de stam Naftali, bij wie hij een zoon Tobias (‘JHWHis mijn goed’) heeft (1:9), staat nu in voor hun levensonderhoud. Anna’s werk wordt rijkelijk gewaardeerd door haar werkgevers. Tobit echter verdenkt haar nog eerder van diefstal (2:11-14). Op deze valse beschuldiging reageert Anna: ‘Waar zijn jouw barmhartigheid en rechtvaardigheid? Zie, alles over jou wordt bekend.’ Deze woorden zijn een terecht verwijt dat Tobit haar onrechtvaardig beoordeelt en niet goed weg weet met aan hemzelf bewezen barmhartigheid. Dit laat een ander aspect van Tobit zien dan het beeld dat hij van zichzelf gaf. Maar Tobit vat het op als een ‘vals verwijt’ (3:6). Voor hem stelt Anna de zinvolheid van zijn vroegere liefdadigheid en goede werken in vraag. Hoewel de informatie over Anna beperkt is, blijkt dat haar rol in de gebeurtenissen niet onbelangrijk is. Haar scherpe woorden tot Tobits gebed, en de verhoring van dit gebed is de motor van het verhaal.

In afwachting van zijn dood geeft Tobit als een echte patriarch Tobias zowel inzicht in de toekomst als ‘laatste’ instructies (4:1-19; vgl. 14:3-11; vgl. Jakob in Gen. 49, Mozes in Deut. 31-33). Bovendien plaatst hij hen beiden in de lijn van de profeten en van Noach, Abraham, Isaak en Jakob (4:12). Tobits concrete richtlijnen over het geld creëren de setting voor de reis.

De thuissituatie: Sara

Een demon doodde zeven huwelijkskandidaten van Sara, de dochter van Raguël, maar haar dienstmeisjes beschouwen haar als de moordenares (3:8-9). De gedachte aan de schande voor haar vader weerhoudt Sara van zelfmoord. Ze richt zich tot God. Terwijl Tobit in de lijn van Deuteronomium alles wat hem en zijn medeballingen overkomt beschouwt als Gods oordeel om hun zonden en die van hun voorouders, beklemtoont Sara haar onschuld. Ziet Tobit de dood als een bevrijding, Sara acht het mogelijk dat deze uitweg niet Gods voorkeur heeft en bidt in dat geval om ontferming.

Het keerpunt: God in actie

Gods handelen wordt meestal beschreven vanuit het perspectief van de personages, als hun interpretatie van de gebeurtenissen. Zo schrijft Tobit zijn voorspoed toe aan de gunst van de Allerhoogste (1:13), en de ballingschap aan het oordeel van de Heer (3 4). Volgens Tobit en Sara beschikt God over leven en dood (3:4-5; 13.15). De verteller stelt nooit rechtstreeks dat God ingrijpt. Zelfs in het keerpunt van de situatie (3:16-17) wordt op afstandelijke wijze gesproken over Gods handelen. Het gebed wordt gehoord ‘voor de heerlijkheid van de Grote’ (zo Willibrordvertaling)’, of ‘voor de heerlijkheid van de grote Rafaël’ (die dan optreedt als een tussenschakel tussen de biddenden en God, vgl. 12:12). In beide interpretaties schept de formulering afstand. Ook dat Rafaël gezonden wordt, suggereert slechts indirect dat God ingrijpt.

Opvallend is, hoe in Rafaëls opdracht Sara op gelijke voet behandeld wordt als Tobit enzelfs meer aandacht krijgt. Dit doorbreekt het androcentrisme dat tot nog toe de bovenhand had (en dat ook in het verdere verhaal zal hebben). Heel het verhaal bekijkt de situatie voornamelijk vanuit het perspectief van mannen. Hoewel de informatie over Sara heel wat beknopter is dan die over Tobit, hebben Sara’s situatie en haar gebed structureel dezelfde functie als die van Tobit. Hun beider lijden brengt hen tot gebed, beider gebed wordt gehoord en beiden moeten genezen worden (3:16). Voor Sara is het daarenboven onvoldoende dat zij van de demon verlost wordt. Haar probleem is niet enkel de demon, maar ook de dood van alle naaste verwanten die voor een huwelijk in aanmerking komen (3:15). Sara moet dan ook de vrouw worden van de enige overgebleven kandidaat, Tobias.

De reis: Tobias en Rafaël

Tijdens de reis ontpopt Rafaël zich als de ideale engel voor zijn taak. Hij blijkt over zowel mensenkennis als feitenkennis te beschikken. Hij laat zich inhuren door zich voor te doen als iemand uit een wetsgetrouwe familie (5:15; vgl. 1:6). Hij is op de hoogte van de helende functie van de vis, van de familiebanden tussen Tobias en Sara, en van Raguëls wets-getrouwheid. Hij weet bovendien hoe hij Tobias moet ompraten zodat hij instemt met het huwelijk.

Typerend voor Tobias is zijn gehoorzaamheid. Hij wil zijn vaders richtlijnen opvolgen (5:1) en gehoorzaamt zijn reisgezel (6:5; 8:2-4). Hij lijkt dezelfde waarden aan te hangen als Sara. Beiden vrezen door hun gedrag hun vader (en moeder) de dood in te jagen. Maar bij Tobias weegt schrik voor zijn eigen hachje toch sterker door, hoewel hij de middelen om het probleem op te lossen bij zich heeft èn al te horen kreeg hoe ze aan te wenden. Rafaël speelt in op zijn gehoorzaamheid door te verwijzen naar de richtlijnen van zijn vader omtrent zijn huwelijk (6:16; vgl. 4:12). Eenmaal overgehaald, verliest Tobias geen tijd meer, noch met het huwelijk, noch met zijn financiële opdracht, noch met de terugreis. Rafaël stijgt hierbij in aanzien: van Tobias’ metgezel wordt hij diens afgevaardigde, die het geld moet ophalen.

De reis: Raguël, Edna en Sara

Raguël (‘vriend van God’), Edna (‘plezier’) en Sara (‘prinses’) vormen een hartelijke, meevoelende en welvarende familie (7:1-7). Als gezinshoofd beslist Raguël over het huwelijk. Naar de mening van Sara wordt niet gevraagd. Raguël is eerlijk: Sara komt Tobias toe, maar hij wordt wel op de hoogte gebracht van wat zijn voorgangers is overkomen. Raguëls schrik zit zo diep dat hij alvast een graf graaft om de gevreesde uitkomst te verbergen (8:10-12). Heel anders klinken Edna’s woorden: ‘De Heer van hemel en aarde zal je in plaats van je verdriet zijn genade tonen’ (7:17), een zin die kernachtig heel de omslag die in het boek Tobit plaatsvindt, uitdrukt. Als Tobias de huwelijksnacht overleeft, is de vreugde groot. Een groot feest bevestigt deze vreugde en de nieuwe status van het bruidspaar.

De nieuwe thuissituatie

Tobias gehoorzaamt Rafaël en reist vooruit om zijn vader te genezen en de ontvangst van zijn bruid te regelen. Het huwelijk wordt door Tobias’ ouders erkend en gevierd. Als Tobit de reisgezel wil uitbetalen, gedraagt Rafaël zich als een wijze die zijn leerlingen onderricht. Daarna maakt hij zich bekend. Nieuw is dat hij aanwezig was toen Tobit zijn barmhartigheid aan de doden bewees. In Rafaëls interpretatie is deze barmhartigheid de reden waarom God hem zond om Sara en Tobit te genezen (12:14). Tobit zowel als Tobias voeren zijn opdracht om God te loven uit. Tobit wordt hierbij voorgesteld als een nieuwe Mozes (zie deel 3). Tobias’ laatste lotgevallen tonen aan dat hij de richtlijnen van zijn vader opvolgt.

Het boek Tobit en intertekstualiteit

‘Ik moest denken aan wat de profeet Amos gezegd heeft: Jullie feesten zullen in rouw veranderen en al jullie vreugden in gejammer’ (2:6). Met dit vrij citaat uit Amos 8:10 wordt een concrete situatie (een volksgenoot werd gedood waardoor een feestmaal een droeve noot krijgt) in een theologisch kader geplaatst (vgl. 3:2-6 waar Tobit expliciet een band legt tussen de gebeurtenissen en Gods oordeel). Parafraserend verwijst Tobit naar Jona’s profetie over Ninive: het zal verwoest worden (14:4; vgl. Jona 3:4). In tegenstelling tot in het boek Jona functioneert deze profetie niet als een oproep tot bekering, maar als een garantie. Deze eerste stap in de vervulling van ‘de profeten’ garandeert de nog openstaande beloften: dat de ballingen zullen terugkeren en dat de tempel herbouwd zal worden (14:5.8).

Het boek Tobit alludeert op vele bijbelse passages en op het buitenbijbelse verhaal over Achiacharus. Deze allusies vervullen diverse functies: het karakteriseren van een personage, het scheppen van verwachtingen bij de lezer/es over het handelingsverloop, en het creëren van een theologische boodschap. In dit korte bestek kunnen onmogelijk alle allusies aangehaald worden. Daarom beperk ik mij tot enkele sprekende bijbelse voorbeelden.

De allusies in Tobit 1:6-8 karakteriseren Tobit als een wetsgetrouw man. Hij onderhoudt de wetten rond de pelgrimstochten, de eerstelingen, de tienden (1:6-8; vgl. Ex. 23:14-17; Deut. 14:28-29; 16:16; 18:4; Num. 18:21.24). Het voeden van de hongerigen en het kleden van de naakten (1:17) wordt in Ezechiël 18:7 in één adem genoemd als het gedrag van een rechtvaardige in Gods ogen. Impliciet wordt hiermee aangegeven dat Tobits oordeel over zichzelf (ik heb de weg van gerechtigheid bewandeld, 1:3), terecht is.

De opdracht ‘Neem geen vreemde vrouw, een die niet uit jouw vaders stam is’ (4:12), gevolgd door de verwijzing naar Noach, Abraham, Isaak en Jakob, verbindt Tobit met de genoemde voorvaderen die volgens de traditie (Jubileeën 4:33; Gen. 20:12; 24; 28:2) allen een vrouw uit hun eigen stam hadden (endogamie). Vooral Genesis 24 en 28-29 vertonen parallellen met Tobit. In deze drie teksten krijgt een zoon de raad te huwen met een meisje uit het eigen volk (Gen. 24:3-4; 28:1-2; Tobit 4:12). Deze raad wordt opgevolgd, al is dit in Tobit niet het eigenlijke doel van de reis. Met Genesis 24 heeft het boek Tobit gemeen dat er sprake is van een vergezellende engel (Gen. 24:7.40), een element dat in Tobit sterk uitgewerkt is. Zoals in Genesis 28 is de huwelijkskandidaat zelf de reizende, niet een dienaar. De motieven van kinderloosheid en de vernederende behandeling door de dienares komen in de verhalen van beide bijbelse Sara’s voor (Gen. 11:30; 16:1.4; Tobit 3:7-9). Al deze parallellen met de verhalen uit Genesis scheppen verwachtingen met betrekking tot de plot. Hoewel een huwelijk niet in Tobits reisplan voor zijn zoon vervat ligt, verwacht de lezer/es, die weet dat Sara en Tobias voor elkaar bestemd zijn (3 U6-17), dat de reis zal uitlopen in een huwelijk. Het motief van de meegestuurde engel in Genesis 24 doet vermoeden dat Rafaël Tobias’ reisgenoot zal worden. De omkering in de situatie van de kinderloze en gepeste Sara in Genesis doet hopen dat ook nu Sara niet enkel echtgenote, maar ook moeder zal worden.De hymne en laatste woorden van Tobit tonen verwantschap met Deuteronomium 3133, waar Mozes een lied componeert en vervolgens zijn laatste woorden meegeeft aan zijn opvolger en het volk. Het lied heeft ook inhoudelijk banden met Deuteronomium 32 (vgl. Tobit 13:2 met Deut. 32:29; Tobit 13:6 met Deut. 32:20). Het schema ‘oordeel-erbarming’ (Deut. 32:19.36) komt in Tobit 13:1-7 en 14:3-5 voor. Zoals Deuteronomium 32 een vooruitblik biedt op de toekomst, gaat Tobit 13:8- op een eschatologische toekomst, terwijl Tobits laatste woorden het einde van de ballingschap, het herbouwen van de tempel en de val van Ninive voorzeggen (14:4-5). Het is niet toevallig dat de hierboven vermelde parallellen tussen de diverse bijbelpassages zich alle afspelen buiten het beloofde land. Daarom kunnen ze model staan hoe men nu, in ballingschap, dient te leven en waarop men mag hopen in een situatie van lijden. Zoals eens Mozes het volk leerde hoe te leven in het land en hoe hun toekomst eruit ziet als zij God ontrouw worden, leert (het boek) Tobit hoe te leven in ballingschap, en hoe de toekomst eruit ziet als zij zich bekeren.

Wellicht ook interessant

Een houtsnede uit 1999 van Willy van der Duyn met als titel Geen droom bakert je in windselen.
Een houtsnede uit 1999 van Willy van der Duyn met als titel Geen droom bakert je in windselen.
Basis

Lazarus voorbij

AI zo lang als er mensen bestaan, gaan ze ook dood. Het zou dus moeten wennen, maar dat is niet zo. En daar zijn wel wat redenen voor: onze herinnering reikt niet tot de eerste mens; voor eenieder is er altijd een eerste betreurde dode in zijn of haar leven. Daarbij is de dood geen optelsom van steeds en altijd hetzelfde. Sterft er iemand, dan nemen we afscheid van een persoon zoals er nooit eerder een geweest is, en ook nooit meer een zal zijn. Vervelend is ook dat de dood zo veel gezichten heeft. Mensen kunnen vreselijk sterven, maar ook heel mooi. Veel te jong, en ja, soms ook te laat. In verzet, maar ook in overgave. Overvallen, maar ook voorbereid. Zinloos, maar ook zinvol.

Bernd Hirscheldt
Bernd Hirscheldt
Basis

Korte Metten: Wondertjes

Een van de mooiste kanten aan het vak van predikant is dat je nooit kan bepalen met wie je in contact zal komen. Dat klinkt misschien wat vreemd. Maar het is een voorrecht om met mensen te kunnen omgaan die je niet zelf hebt uitgekozen, omdat ze precies dezelfde interesses hebben of omdat ze het roerend met je eens zijn. Of omdat je een gemeenschappelijk verleden met elkaar deelt. Dat alles geeft een gevoel van vertrouwelijkheid, maar een nieuwe ontmoeting met een onbekende, iemand die in een heel andere wereld leeft, blijkt vaak veel boeiender te zijn.

Nieuwe boeken