Menu

Premium

Torentje bouwen

Bij Handelingen 2,1-24 en Johannes 14,8-17

Ken je dat spelletje, dat je blokjes moet opstapelen? Om de beurt moet je er een blokje op leggen. Als alle blokjes op zijn, moet je er onderuit eentje lostrekken en die weer bovenop leggen. Tot de toren begint te bibberen en omvalt. Op de club spelen de kinderen het in twee groepjes. Wie bouwt de hoogste toren, de kleintjes of de groten? Er zitten ook kinderen op de club die uit een ander land komen en die een andere taal spreken. De grote kinderen willen niet dat ze meedoen.

‘We verstaan ze niet,’ zegt Chantal. ‘Ze dringen voor,’ zegt Jurgen. ‘Laat ons nou maar, wij kennen het spelletje het beste.’ Maar die andere kinderen willen ook meedoen. Ze duwen en ze roepen. Dan valt de toren weer om. Ondertussen zeggen de kleintjes niks maar gaan heel voorzichtig door, blokje voor blokje. Het gaat langzaam maar hun torentje groeit!

De groten beginnen opnieuw maar als er een kind tegen de tafel duwt, is het weer mis. ‘Stop maar,’ zegt juf, ‘de kleintjes hebben gewonnen!’ De groten zijn boos. ‘Ik zal jullie een liedje leren,’ probeert juf. Het heet: ‘Torentje, torentje bussenkruit’. Sommige kinderen kennen het al en ze zingen het samen tot iedereen het kent.

Daarna zingt een Pools meisje een liedje. Niemand begrijpt het, het gaat over vogeltjes en je moet met je handen wapperen. Daarna een meisje uit Senegal. Niemand kent de woorden, maar iedereen zingt mee. ‘Het gaat over mijn eiland,’ zegt het meisje.

‘Wij kennen Pools,’ zingt Betje, als ze thuiskomt. ‘En Senegals.’ ‘Het is Senegalees,’ zegt haar broertje. ‘Poeh!’ roept Betje, ‘dat ken jij helemaal niet, wij wel.’

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken