Menu

Premium

Twee hemelvaartverhalen

Hemelvaart van de Heer (2 Koningen 2,1-18 en Lucas 24,49-53)

Bijbelwetenschappen

De hemelvaart van Jezus herinnert aan verschillende verhalen in Tenach, waarin mensen worden weggenomen zonder achterlating van hun lichaam. Het gaat om Henoch, die wandelde met God (‘hij was niet meer, want God had hem opgenomen’, Gen. 5,24) en om Mozes (‘niemand heeft zijn graf geweten tot op de huidige dag’, Deut. 34,6). In dezelfde traditie past de hemelvaart van Elia evenals de opstanding en hemelvaart van Jezus. Belangrijke bijbelse personen kunnen niet als mummie in een graf vereerd worden. Je kunt hun woorden doen.

De plaatsnamen in 2 Koningen 2,1-18 hebben allemaal met de intocht te maken. Het begint in Gilgal. Hoewel dit geografisch in de buurt van Betel ligt, herinnert de naam aan het andere Gilgal met de twaalf stenen na de intocht (Joz. 4,20). Ook Betel hoort bij de intocht van het volk (Joz. 7,2; 8,9) en bij de intocht van Abraham (Gen. 12,8). Het is ook een grensplaats voor Jakob (Gen. 28,19; 31,13). Jericho kennen we als onneembaar bastion van de intocht (Joz. 2; 6,26), de Jordaan is de grensrivier (Joz. 3). Langs al die plaatsen van de intocht gaan Elia en Elisa op weg. De grensplaatsen worden bezocht, de grensrivier wordt overschreden. In alle opzichten gaat het om een grenservaring.

Drie herhalingen

Elia probeert driemaal Elisa achter te laten (‘Blijf toch hier’, 2 Kon. 2,2.4.6), maar Elisa wil hem niet verlaten (‘Bij het leven van de Eeuwige en van jouw ziel, ik verlaat jou niet’). Als afsluiting van deze drie dialogen staat er: ‘Ze gingen beiden verder’ (vs. 6). Onderweg wordt Elisa gewaarschuwd door de profeten van Betel (vs. 3) en Jericho (vs. 5): ‘Weet jij wel, dat de Eeuwige deze dag Elia zal wegnemen?’ Elisa antwoordt: ‘Ook ik weet het, zwijg stil’ (vs. 3.5). Het bezoeken van de grensplaatsen is een bewuste gang, zoals mensen soms heel bewust afscheid nemen van hun leven en van hun naasten. Vijftig profeten zijn daarbij toeschouwers op afstand (vs. 7).

Uittocht of intocht? Elia slaat met zijn mantel, zoals ooit Mozes zijn staf hief om de Rietzee te splijten (Ex. 14,16.21-22). Zij ‘steken over langs het droge’ (2 Kon. 2,8) van de Jordaan in omgekeerde richting van de intocht (Joz. 3). Straks zal Elisa met dezelfde mantel opnieuw ‘slaan’ en ‘oversteken’ (2 Kon. 2,14). Ondertussen vindt aan de overkant van de Jordaan – waar ook Mozes is weggenomen (Deut. 34,6) – de eigenlijke grensoverschrijding plaats (2 Kon. 2,11-12). Maar voordat het zover is, mag Elisa nog een vraag stellen (vs. 9). Hij vraagt ‘een dubbel deel’ van ‘de geest’ (Hebr.: roeach) van Elia. Het dubbele deel is het erfdeel van de oudste zoon (Deut. 21,17). Elisa vraagt hier als ‘oudste zoon’ om de ‘geestelijke’ erfenis van Elia.

Elia heeft het niet in de hand of Elisa de ‘geestelijke’ erfenis zal ontvangen. Dat zal blijken, als Elisa de gave krijgt om Elia’s hemelvaart te ‘zien’ (vs. 10). Driemaal klinkt ook hier het woord ‘zien’ (vs. 10.11.12). Het is een bijzonder visioen dat Elisa ziet: ‘wagens en paarden van vuur’ (vs. 11) en een ‘storm van de hemel’ (vs. 1 en 11). De ‘storm’ kennen we bijvoorbeeld ook uit Job (38,1; 40,6).

Later zal blijken dat Elisa als profeet omringd blijft door die ‘vurige wagens en paarden’. Dat is voor de meeste mensen niet zichtbaar, alleen eenmalig voor zijn knecht (2 Kon. 6,17). De ‘wagens en paarden van vuur’ zullen Elisa beschermen in moeilijke situaties.

De mantel van Elia

Bij de roeping van Elisa hebben we al gehoord hoe Elia zijn (profeten)mantel toewerpt aan Elisa (1 Kon. 19,19). Driemaal wordt de mantel hier genoemd in verband met het oversteken van de Jordaan (2 Kon. 2,8.13.14). De mantel is het symbool van profetische geestkracht. Het is slechts een symbool, want het gaat vooral om de kracht van de verbinding met ‘de Eeuwige, de God van Elia, H/Zij’ (vs. 14). Nadat Elia zijn mantel van zich heeft laten afvallen, raapt Elisa deze op. Daarna wordt duidelijk dat Elisa inderdaad de geestkracht van Elia heeft geërfd. Ook Elisa kan immers de Jordaan langs het droge oversteken, nadat hij met de mantel op het water heeft geslagen (vs. 14).

De profetenzonen hebben de dubbele uittocht en intocht over de Jordaan gezien (vs. 7.15). In hun commentaar klinkt nog tweemaal het woord ‘geest’ (roeach), zowel in verband met ‘de geest van Elia, die rust op Elisa’ (vs. 15) als met de ‘geest van de Eeuwige’ (vs. 16). Zij willen laten zoeken naar het lichaam van Elia. Elisa probeert hen tegen te houden (‘zendt ze niet’, vs. 16). Hij heeft gezien hoe het gegaan is. Ten slotte stemt Elisa toch toe in het ‘zenden’ (vs. 17). Het loopt op niets uit. Geen lichaam, geen herinneringsplaats. Zo werd ook Mozes’ lichaam nooit gevonden (Deut. 34,6).

Zegenen als themawoord

De evangelist Lucas heeft twee verhalen over Jezus’ hemelvaart (Luc. 24,49-53; Hand. 1,1-11). Het evangelieverhaal begint eigenlijk bij vers 44, met de woorden waarvan de leerlingen ‘getuigen’ zijn (Gr.: martures, vs. 48). Daarna klinkt de belofte dat zij ‘in de stad’ met ‘kracht uit de hoge’ (Gr.: ex hupsous dunamin, vs. 49) zullen worden ‘bekleed’ (Gr.: endusèsthe, vs. 49). In Handelingen 1,5 wordt dit de ‘doop met de heilige Geest’ genoemd. In zekere zin gaat het met de leerlingen net als met Elisa. Ze krijgen kracht mee.

Driemaal klinkt het woord ‘zegenen’ (Gr.: eulogeoo): ‘Zijn handen heffend zegende Hij hen’, ‘terwijl Hij hen zegende, ging Jezus van hen heen’, en nadat de leerlingen zich voor Hem hebben neergebogen en met grote vreugde naar Jeruzalem zijn teruggekeerd, zijn zij het die God ‘zegenen’ (vs. 50-53, eigen vertaling). Met het zegenen van God, ook wel vertaald als ‘loven’ (NBV21), eindigt het Lucasevangelie.

Deze exegese is opgesteld door Willemien Roobol.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken