Menu

Premium

Twee stoeten

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Bij 1 Koningen 17:17-24 en Lucas 7:11-17(23)

Twee stoeten komen elkaar in de evangelieperikoop tegen. De eerste stoet is die rond de weduwe en haar dode kind. Een weduwe herinnert in Israël aan de perioden dat God zelf als de bruidegom van het volk afwezig leek. Een weduwe zonder zoon is een volk zonder toekomst. Deze stoet kan alleen maar op weg zijn naar de diepte. De profundis clamavi (Ps. 130). Velen uit de stad met de wrange naam Naïn (Hebr.: na‘im = lieflijk, aangenaam) heffen met haar deze klaagzang aan.

De andere stoet is de stoet van de Messias en zijn gevolg. Zij zijn ‘opgaande naar Jeruzalem’, op weg naar het leven. Een kleine groep volgt deze getuige van Gods nieuwe toekomst. Het evangelie spreekt van een heiland die de breuk heelt, die de dood had veroorzaakt. De breuk tussen de moeder (de wanhopige gemeente) en haar kind wordt hersteld, er is weer toekomst.

Twee getuigen: mannelijk en vrouwelijk

Het verhaal over de opwekking van de jongen heeft een logische plaats in Lucas’ verhaal. Kort hierna zal immers tot de leerlingen van Johannes de Doper worden gezegd: ‘Gaat aan Johannes zeggen wat gij gezien en gehoord hebt: blinden zien en lammen lopen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden staan op en aan armen wordt het evangelie verkondigd’ (Luc. 7,22). Opvallend is dat Lucas twee verhalen over dodenopwekkingen vermeldt: dat van deze jongen en dat van een meisje (Luc. 8,40-56). Er zijn steeds twee getuigen van Gods nieuwe Koninkrijk, mannelijk en vrouwelijk, net als Simeon en Anna (Luc. 2,22-39). Datzelfde vinden wij in de Handelingen van de apostelen terug. Ook hier twee opwekkingen: één door Petrus van een vrouw (Hand. 9,36-43) en één door Paulus van een jongeman (Hand. 20,7-12).

Aangeraakt ten leven

Maar het verhaal leert meer. Ook de nieuwste generatie, de jonge kerk, wordt weer teruggeven aan zijn moeder en zal weer leven in het gezelschap van aartsvaders, profeten en rabbijnen, maar met het aangezicht naar de toekomende dingen. Jezus raakt de lijkbaar aan; de dragers staan stil. Hoe durft Hij! Treedt Hij op als goddelijke held die de chaos terugdringt, of staat Hij daar – net als aan het bed van het dochtertje van Jaïrus of aan het graf van Lazarus – als mens, de mens bij uitnemendheid die van God toekomst durft te vragen, te eisen ter wille van het recht op aarde? Hij staat tussen God en de mensen in. Hij worstelt als het ware om een zegen, Hij ontrukt aan de nacht het levenslicht. Hij staat als Abraham voor de Eeuwige of als Jakob voor de engel. God weet toch raad met de dood (ook met de onze) en niet tevergeefs hebben wij ons aan Hem vastgeklampt.

Dat God met de dood raad weet, noemt de klassieke geloofsbelijdenis ‘de verrijzenis des vlezes’. In dat spraakgebruik betekent vlees nog de hele ongedeelde mens. In de opwekkingsverhalen belijdt de christelijke oergemeente dat allen die de Messias mogen ontmoeten, met Hem op weg zijn naar het leven.

God overwint ook mijn dood

Door ons met deze Jezus toe te vertrouwen aan God, weten wij dat de dingen uiteindelijk toegroeien naar wat God heeft bedoeld: dat blinden zien en kreupelen gaan, dat melaatsen rein worden en doven horen, dat doden verrijzen en – last but not least – dat aan arme mensen het evangelie wordt aangezegd. Het verhaal van de weduwe van Naïn herinnert aan wat – zoon teruggeeft aan zijn moeder, de weduwe van Sarfat. En rond Elisa wordt verteld in 2 Koningen 4,8 dat de enige zoon van de onvruchtbare uit Sunem (vlak bij Naïn) op soortgelijke wijze tot het bestaan terugkeert. Het mag waar zijn dat wij in andere bijbelgedeelten een robuustere verkondiging horen over Gods overwinning op de dood – bijvoorbeeld in de beschrijving in het boek van de Openbaring, waar wij horen hoe Mozes en Elia in volle glorie oprijzen (Op. 11,7-12), of in Ezechiël 37, het verhaal over de doodsvallei, waar wij horen over een volk dat uit de dood oprijst – het Naïnverhaal van de enige zoon en zijn moeder heeft een eigen waarde en vertelt hetzelfde gebeuren in een micro-ervaring, intiem, vreedzaam, troostend. God is niet alleen de grote overwinnaar van de dood in zeer algemene zin, maar ook de redder van het individu, de overwinnaar van mijn eigen dood.

Ook de Messias zelf zal sterven – en verrijzen

In de nieuwtestamentische opwekkingsverhalen is er nog meer in het geding, namelijk de wetenschap dat de Messias zelf op de grond in de hof zal worden neergeworpen en zal ‘nederdalen ter helle’, dat is in de uiterste grimmigheid en onverbiddelijkheid van de dood. Hij zal zelf de doodsnood in alle poriën van zijn lichaam ondergaan en smeken dat die beker aan Hem voorbij zal gaan. Jezus toont zich aanzienlijk meer geschokt en angstiger dan Socrates die onbewogen de gifbeker drinkt. Jezus neemt het menselijke sterven ernstiger. Maar omdat Hij staat aan de kant van de Heer van het leven, kan Hij bij het dochtertje van Jaïrus zeggen dat ze slaapt, en in Naïn bevelen: ‘Jongen, Ik zeg je, sta op!’ De majesteit van Gods handelen wordt op deze wijze zichtbaar. De herinnering aan Elia en Elisa leert ons dat de profeet en de profetie niet klein te krijgen zijn. Ook niet door de massale verwoesting van stad en volk, waarvan de eerste christenen getuige moesten zijn.

De tekst van het evangelie van vandaag bevat nog twee opvallende details. Ten eerste wordt Jezus hier voor het eerst ‘Heer’ genoemd (Luc. 7,13). Bovendien is het opmerkelijk hoe de naam van Jezus zelf steeds meer verzwegen wordt. Het officiële rooms-katholieke missaal voegt die ten onrechte in vers 15 toe. Er ontstaat zo tussen Jezus en de dode jongen een geleidelijke identificatie die in vers 16 zijn hoogtepunt bereikt: ‘Een groot profeet is onder ons opgestaan.’

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken