Twee vrouwen in de profetentraditie
Bij Lucas 1,39-56
Maria maakt zich op. Het Griekse woord anhistemi, zich opmaken, signaleert iets nieuws (Luc. 1,39). Niet pas met de geboorte van de kinderen of hun openbaar optreden, maar hier, met deze heel jonge en deze heel oude vrouw, begint iets nieuws.
Maria, een gelovige, ongetrouwde, jonge vrouw, kreeg te horen dat zij zwanger zou worden van een kind dat niet via haar, maar via haar verloofde Jozef, familie zou zijn van de grote koning David (Luc. 1,27; Mat. 1). De engel schetste een beeld dat men zich in die tijd van een messias maakte, een koning uit de lijn van David die de mensen zou bevrijden en voor eeuwig over het huis van Jakob zou heersen (Luc. 1,33). De mensen snakten naar bevrijding van de Romeinse heerschappij!
Onvruchtbaar en ongehuwd zwanger
Elisabet en Maria worden door de onvruchtbaarheid nauw met hun joodse voormoeders verbonden. Sara was al een oude vrouw toen zij zwanger werd, net als Elisabet. Zij worden beiden met dezelfde woorden beschreven: ‘op dagen gekomen, onvruchtbaar’ (Gen. 18,11; Luc. 1,7). Rebecca was maagd, een jonge vrouw, net als Maria had zij nog geen man ‘bekend’ (Gen. 24,16; Luc. 1,34). Bij Rachel en Lea is naast vruchtbaarheid / onvruchtbaarheid sprake van de vernederingen die een vrouw zonder kinderen onderging.
Elisabet heeft zich vijf maanden verborgen gehouden om er zeker van te zijn dat haar zwangerschap zichtbaar was, zo vreselijk heeft zij onder haar kinderloosheid geleden (Luc. 1,24-25); Maria, jong, niet getrouwd en zwanger, gaat naar Elisabet, oud, getrouwd en zwanger. Deze ontmoeting was voorbereid door de engel die Maria op de wonderbaarlijke zwangerschap van Elisabet wijst (1,36). Maria heeft ‘ja’ gezegd tegen haar eigen, ongewenste zwangerschap (1,38).
Een bijzondere begroeting
Haar reactie daarop is, dat zij op weg gaat, haar ouderlijk huis verlaat en niet meer terugkeert. Zij gaat alleen en in haast. Het Griekse spoudè (= haast) drukt daadkracht en ijver uit. De reactie van Elisabet op Maria’s groet laat zien dat er meer gebeurt dan een vriendelijk ‘wees gegroet’. Wanneer Maria bij haar arriveert, begroet zij Elisabet met sjalom, zoals gewoon is als twee mensen elkaar zien. Maar de reactie van Elisabet leert dat voor hen deze ontmoeting de kairos is, het juiste ogenblik, het moment waarop de betekenis van sjalom, een glimp van de komende wereld, ervaarbaar wordt.
Het kind reageert bij deze ontmoeting op de gevoelens van zijn moeder. De moeder ‘wordt vervuld door de heilige Geest’ (1,41). De twee zinsdelen zijn door het woordje ‘en’ (kai) parallel geconstrueerd. Zij wordt dus niet vervuld door de heilige Geest omdát het kind bewoog, maar ‘bovendien’. Elisabet wordt niet op haar moederrol vast geschreven, maar in de traditie van profetessen en profeten geplaatst: zij wordt vervuld door de heilige Geest en roept met luide stem (1,42).
Getuigen voor Gods handelen
De twee vrouwen zullen bijzondere kinderen baren, dat weten zij allebei, maar de kinderen hebben nu nog geen naam, zij worden ‘kind’ en ‘vrucht’ genoemd (1,41.42.44). Hier gaat het om de ‘bijzonderheid’ van de moeders. Elisabet en Maria worden als getuigen voor het handelen van God afgeschilderd. Zij, de oude, onvruchtbare vrouw, die zonder zwangerschap in de ogen van de maatschappij niets waard was, is de eerste die het belang van de ‘vrucht’ voor de toekomst openbaar maakt. Zij erkent de jonge vrouw, die juist dóór een zwangerschap haar waardigheid verliest. Elisabeth staat weer in het midden van het leven. Zij kan Maria zegenen en haar terughalen bij de vrouwen van haar generatie en haar traditie (Gr.: en gunaixin – 1,42). Beiden maken zij weer deel uit van de gemeenschap. Voor God is niets onmogelijk!
Een lofzang om Gods bevrijding
Elisabet verbergt zich, Maria daarentegen treedt onmiddellijk naar buiten en gaat op weg. In haar lied weet zij zich ingebed in een groter verband. Het begint op een individuele basis (1,47-49), waarin met geen woord over zwangerschap of kinderen gerept wordt. Maria dankt God voor de veranderingen in haar binnenste, voor het inzicht en de erkentenis die zij teweeg hebben gebracht. Zij kon een reuzenstap naar God toe maken.
Boven zichzelf uitgroeien is een bevrijding; en zoals iedere jood en jodin brengt Maria bevrijding in verband met de grote bevrijding uit Egypte (1,51). Zij wordt door de uitgestrekte arm Gods gesymboliseerd die de uitgestrekte, bevelende arm van farao verving (zie Ex. 6,6).
De omkering van de verhoudingen in de verzen 51-53, waar alle onderdrukten op hopen, hoort bij het beeld van een rechtvaardige wereld. Maria citeert hier Job en de profeten Samuel, Daniël en Ezechiël. Haar traditie helpt haar zich uit te drukken.
In de traditie van de aartsvaders
In haar traditie zijn de daden van de voorouders, vooral van de aartsvaders, van fundamentele betekenis voor komende generaties (1,54-55). Hun verdiensten blijven van heilzame invloed op de geschiedenis van navolgende generaties. In situaties waarin mensen vastzitten en niets meer kunnen doen, waar wanhoop de boventoon voert, wordt God gevraagd te helpen: niet omwille van de eigen verdienste, maar omwille van de ervaringen met de voorvaderen. Ten tijde van Maria en Elisabet zuchten de mensen onder de Romeinse bezetters die hen met behulp van een Joodse koning en een hogepriester controleren.
Het Magnificat dat Maria zingt, geeft er blijk van. De persoonlijke ervaring in de ontmoeting wordt in een lofprijs op de heiligheid en grootheid van God gevat. Maar het gaat niet alleen om de individuele ervaring. Er ontstaat een visioen van een persoonlijke, politieke en sociaal-economische bevrijding, die alles verandert. Maria omvat in haar lied individuele, sociale en politieke aspecten van een bevrijding die in het binnenste van die twee vrouwen begonnen is.
Bij Lucas 1:39-56