Uitgepapegaaid
Genesis is een boek van uitersten. Het verhaalt van een vruchtbare mensheid die zich zo hard vermenigvuldigt dat het de spuigaten uitloopt en het gaat over een man en vrouw die kinderloos blijven. Er zijn kerels van de voorwereld, mannen van naam, en daar is een enkele simpele vertrooster die Noach heet in wie God gein heeft. We vernemen van iemand die zijn broer doodmept en we kennen het verhaal van Jozef die zijn broers doet overleven. De contrasten zijn flink aangezet. Ook God doet een duit in het zakje der tegenstellingen als hij een vloed over de aarde laat komen omdat het hem berouwt de mens gemaakt te hebben, terwijl hij zich later voorneemt om al wat leeft nooit meer zó te slaan als hij gedaan heeft. De verschillen zijn groot, maar een constante factor in het eerste deel van Genesis tot het moment dat Abraham optreedt is dat er geen dialoog ontstaat tussen God en de mens, maar ook niet tussen de mensen onderling. Het blijft gaan om een eenrichtingsverkeer. Waar loopt dit op uit?