Menu

Premium

Vader

Geloofstaal & cultuurtaal

Spreken over God als ‘Vader’ is al eeuwen lang een zeer vertrouwd element in de taal van het christelijk geloof. Het speelt een grote rol in het gebed, waarin God als ‘onze Vader’ wordt aangesproken.

In de loop van de twintigste eeuw werd echter dit spraakgebruik in toenemende mate als problematisch ervaren. Vanuit het feminisme werd de kritische vraag gesteld of het beeld van God als Vader niet aangevuld moest worden met dat van God als Moeder. Als je alleen over God als Vader spreekt, blijf je dan niet steken in de patriarchale tijd waarin vrouwen onderdrukt werden? Daarnaast bleek het woord ‘vader’ voor veel mensen een belast woord te zijn. Het roept herinneringen op aan hun eigen vader, die op een autoritaire en brute manier gebruik maakte van zijn overmacht. Met als schaamteloos dieptepunt het seksueel misbruiken van zijn dochter. Dergelijke pijnlijke herinneringen beĆÆnvloeden vaak de manier waarop mensen naar God als Vader kijken. Is het nog wel mogelijk of zinvol om over God als Vader te spreken?

Woorden

In het Oude Testament is ‘vader’ de vertaling van het Hebreeuwse av. Een aantal malen heeft dat de betekenis ‘voorvader’ (Ex. 3:6). Het woord komt verder voor in de combinatie beet av, ‘vaderhuis’, dat vaak met ‘familie’ vertaald wordt (bijv. in Ri. 6:15). Het Hebreeuws kent geen woord voor ‘ouders’. In plaats daarvan wordt ‘vader en moeder’ gebruikt; een enkele keer wordt de moeder eerst genoemd (zie Lev. 19:3).

In het Grieks van het Nieuwe Testament wordt path gebruikt. Daarmee verwant zijn patria, ‘geslacht’ (Ef. 3:15), patriarchĆØs, ‘aartsvader’ (Hand. 7:8-9) en patris, ‘vaderland’ (Hebr. 11:14) of ‘vaderstad’ (Mat. 13:54). Het Grieks kent wel een woord voor ouders, namelijk goneis.

Betekenis in context

Oude Testament

Vaderhuis

In IsraĆ«l stond het individu niet los van zijn of haar omgeving. Men behoorde bij een gezin, maar dat was een veel grotere eenheid dan alleen vader, moeder en kind(eren). Zo’n groep familieleden bestond uit grootouders, ouders en kinderen (ook de getrouwde met hun gezinnen) en woonde bij elkaar. Een duidelijk voorbeeld zien we bij vader Jakob met zijn zonen. Men sprak van het ‘huis van mijn vader’ en daarbij gaat het dus om een ‘uitgebreide familie’, zoals we dat nu in bijvoorbeeld Afrikaanse culturen nog wel tegenkomen. Een aantal van die ‘uitgebreide families’ samen werd een ‘clan’ genoemd, en de clans samen vormden weer een ‘stam’. Dat lezen we bijvoorbeeld in 1 SamuĆ«l 10:20-21: Samuel laat bij het aanwijzen van een koning voor IsraĆ«l eerst de stammen bij elkaar komen. De stam van Benjamin wordt aangewezen, waarna er ƩƩn clan (vertaald met ‘geslacht’) wordt uitgekozen. Binnen die clan komt SamuĆ«l uiteindelijk terecht bij Saul, van wie de vader hier ook vermeld wordt. In Richteren 6:15 zegt Gideon tegen God: ‘Och, Here, waarmee zal ik IsraĆ«l verlossen? Zie, mijn geslacht [clan] is het geringste in Manasse en ik ben de jongste van de familie.’ Manasse is de ‘stam’ waarbij Gideon hoort. Het laatste woord in de tekst is vertaald met ‘familie’, maar in het Hebreeuws staat er ‘huis van mijn vader’.

Voorvaders

Bovenstaande geeft al aan dat het woord ‘vader’ ook betrekking kan hebben op het voorgeslacht, degenen van wie je afstamt. In het Oude Testament worden de IsraĆ«lieten vaak aangesproken met een verwijzing naar hun vader of hun vaderen en dan gaat het meestal om Abraham, of om Abraham en Isaak en Jakob. Als God Zichzelf openbaart aan Mozes in de woestijn, stelt Hij Zich als volgt voor: ‘Ik ben de God van uw vader (enkelvoud! HL), de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob’ (Ex. 3:6). In vers 13 gebruikt Mozes dezelfde uitdrukking, maar dan toegepast op de leden van zijn volk: ‘De God uwer vaderen heeft mij tot u gezonden… ‘ Biologisch gezien is er natuurlijk een lijn tussen Abraham en zijn nageslacht, zoals wij ook het woord ‘voorvaderen’ of ‘voorgeslacht’ gebruiken. Geestelijk gezien ligt er echter ook een heel belangrijke lijn, namelijk die van de beloften van God. In Deu-teronomium 7:8 wordt gezegd dat God IsraĆ«l als volk heeft uitgekozen vanwege zijn liefde en omdat Hij zijn beloften aan de vaderen wil houden.

Geestelijk vaderschap

Soms werd iemand vader genoemd op de manier waarop ook wij een persoon wel een geestelijke vader noemen: iemand die een voorbeeld voor je is en van wie je veel hebt geleerd. Zo noemt in 2 Koningen 2:12 Elisa de profeet Elia bij zijn hemelvaart ‘mijn vader’. Jozef wordt de vader van de farao genoemd (Gen. 45:8) omdat hij zijn belangrijkste adviseur is. Job heet een vader voor de armen, omdat hij hen helpt, beschermt en voor hen opkomt.

Duidelijk is dat een vader voor zijn gezin, of een grootvader voor zijn uitgebreide familie die bij hem woonde, verantwoordelijkheid droeg. Vaders hoorden hun kinderen te onderwijzen in wat belangrijk was in het leven, met name het geloof. Maar ‘het geloof’ als abstracte waarheid vinden we niet in het Oude Testament. Het gaat steeds om het doorgeven van wat God voor IsraĆ«l heeft gedaan. Dat gebeurde door erover te vertellen, te zingen (de psalmen), te vieren. In Exodus 12:24-27 lezen we een voorbeeld van zo’n stukje ‘onderricht’ van vaders aan zonen. Zij stellen vragen en de vaders geven uitleg. In Deuteronomium 4:9 wordt de IsraĆ«lieten door Mozes op het hart gedrukt de geboden bekend te maken aan hun ‘kinderen en kindskinderen’ (zie ook Deut. 6:7). Ook in Jozua 4:6-7, 21-23 worden de mannen erop aangesproken dat ze toch vooral aan hun kinderen moeten doorgeven hoe God voor zijn volk heeft gezorgd. Ook lezen we dat vaders hun kinderen de juiste weg in het leven moeten leren (Deut. 8:5: ‘zoals een man zijn zoon vermaant’).

Van kinderen wordt verwacht dat zij hun vader en moeder (beiden!) eren, zoals in de Tien Geboden staat (Ex. 20:12). Er wordt respect gevraagd voor beide ouders.

God als Vader

Wordt God als Vader aangesproken in het Oude Testament? Door individuele gelovigen niet zo duidelijk als in het Nieuwe Testament. Wel wordt Gods relatie met IsraĆ«l vergeleken met die van een vader tot zijn kind; voorbeelden daarvan zijn Deuterono-mium 1:31 (Gods zorg), 8:5 (zijn vermaning/ opvoeding), Hosea 11:1 (zorg en liefde), Jesaja 63:16 en 64:8 (als pleitgrond); en Jeremia 31:9 en 20 (Gods unieke band met IsraĆ«l als een ‘eerstgeborene’).

Van het volk wordt respect en gehoorzaamheid gevraagd voor hun Vader, zie Jeremia 3:4 en 19 en Maleachi 1:6. In Psalm 103:13 wordt de ontferming van God voor ons mensen vergeleken met de ontferming van een vader over zijn kinderen.

Opvallend is dat we nergens vinden dat wij als mensen door God ‘verwekt’ zouden zijn, zoals dat bij andere godsdiensten in de wereld van het Oude Testament wel gedacht werd. Het Vader-zijn voor IsraĆ«l is een beeld dat zorg, liefde en de vraag naar respect inhoudt. In 2 SamuĆ«l 7:14 wordt de verhouding tussen God en ƩƩn familie uit IsraĆ«l op een unieke manier omschreven, namelijk als de relatie tussen een vader en een zoon. Er is een speciale band tussen God en het geslacht van David. Maar dit betekent niet dat deze koning of koningen na hem als zoon van de godheid werden gezien, zoals we dat in Egypte bij de farao’s tegenkomen! Wel duidt het op een unieke relatie, waarbij de zoon ook ‘getuchtigd’ wordt (vs. 14), maar God het geslacht van David nooit los zal laten. De troon van David ‘zal vast staan voor altijd’. Dat vindt zijn bevestiging in het getuigenis van de evangelisten aangaande de geboorte van Jezus uit het geslacht van David (Mat. 1) en zijn koning-zijn voor altijd (Luc. 1:32-33).

Nieuwe Testament

Aardse vaders

In het Nieuwe Testament vinden we eveneens het gebod om ouders te eren (Kol. 3:20). Aan een vergelijkbare tekst in Efeziërs 6:1-3 is een vermaning voor vaders toegevoegd om hun kinderen op een wijze manier op te voeden en ze niet zo hard te behandelen dat ze verbitterd raken of moedeloos worden (zie ook Kol. 3:21). Er wordt dus wel ingegaan op de verhouding (biologische) vaders en kinderen, maar niet op de relaties binnen een bepaalde stam. De aandacht gaat in het Nieuwe Testament veel minder uit naar Israel als verbondsvolk met een eigen land dan in het Oude. De nadruk ligt op Jezus en het Koninkrijk van God. Voor wie Jezus volgt, zijn aardse verhoudingen zelfs relatief geworden, zoals blijkt uit Matteüs 10:37 en Lucas 14:26, waar gezegd wordt dat mensen hun ouders niet moeten stellen boven het volgen van Jezus.

Ook in het Nieuwe Testament vinden we deidee van een ‘geestelijke vader’, zoals we dat bij Elisa en Elia tegenkwamen. Zie bijvoorbeeld Paulus en Timoteüs (1 Tim. 1:2, 18; 2 Tim. 1:2; 2:1), Paulus en Titus (Tit. 1:4), Paulus en Filemon, die hij zelfs als door hem ‘verwekt’ beschrijft in vers 10, en Petrus en Marcus (1 Petr. 5:13).

Het woord ‘vader’ wordt ook gebruikt om de bron of oorsprong van iets aan te geven, zoals in Johannes 8:44, waar de duivel de vader van de leugen genoemd wordt. Bij hem is de leugen begonnen. Abraham wordt de vader van alle gelovigen genoemd (Rom. 4:16), omdat zij in geestelijke zin uit hem zijn voortgekomen.

God als Vader

De Here Jezus spreekt God als (‘mijn’) Vader aan, bijvoorbeeld in Marcus 14:36; Matteüs 11:25; 26:39, 42; Johannes 11:41; 12:27; 17:1, 5, 11, 21, 24. Jezus Zelf is de ‘Zoon van God’, maar niet in de zin dat God zijn biologische Vader is. Er blijkt een unieke verbinding tussen God de Vader en God de Zoon, Jezus Christus, te zijn (Joh. 10:29-30; 14:8-11). Jezus noemt God ook de Vader van de discipelen: vanwege zijn barmhartigheid (Luc. 6:36), zijn goedheid (Mat. 5:45), zijn vergevende liefde (Mar. 11:25), zijn zorg (Mat. 6:8; 6:32). Jezus heeft hen Zelf leren bidden: ‘Onze Vader die in de hemelen zijt… ‘ Daarin zit tegelijk nabijheid (‘Vader’) en afstand (‘in de hemelen’), niet met de bedoeling om angst voor God te krijgen, maar om respectvol met Hem om te gaan, zoals ook volgt uit ‘uw wil geschiede… ‘

Door het werk van Jezus Christus mag iedere gelovige persoonlijk God zijn Vader noemen. Jezus zelf noemt God zelfs ‘Abba, Vader’ in de hof van Getsemane (Mar. 14:36). ‘Abba’ is een Aramees woord voor vader. Volgens Paulus mogen ook wij God zo aanspreken omdat de Heilige Geest in ons woont en wij zo ‘kinderen van God’ zijn (Rom. 8:14-16). In Galaten 4:6-7 wordt dit eveneens benadrukt. Op deze persoonlijke manier sprak Jezus met God. Wie in Hem gelooft, mag net zo’n persoonlijke band met God hebben als Hij. Door zijn dood heeft Jezus immers mensen die vijanden van God geworden waren weer met God verzoend. Het Vader-zijn van God duidt dus op een unieke relatie tussen Hem en ons, mogelijk gemaakt door Jezus Christus.

Kern

In het bijbelse spreken over God als Vader domineert het motief van de liefde. Zijn liefde bracht Hem ertoe ons te redden door het geschenk van zijn eigen Zoon. Dankzij die liefde kunnen en mogen wij God als Vader aanspreken. Gods vaderschap is totaal anders dan dat van een ‘strenge vader’ die constant kijkt of we iets fout doen. Laat staan dat van een vader die zijn macht misbruikt.

In de Bijbel klinkt telkens het gebod om ouders te eren en te respecteren. Omgekeerd worden vaders door Paulus aangespoord hun kinderen zo te behandelen dat het respecteren geen zware opgave is. In het Oude Testament waren vaders volop betrokken bij wat hun kinderen meekregen aan geestelijke bagage; de geloofsopvoeding werd beslist niet alleen aan de moeders overgelaten.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: God, moeder, man, kind.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken