Van crisisjaar tot jubeljaar
Biddag (Prediker 3:1-13, Psalmen 126 en Marcus 4:1-9)
Biddag 2021 biedt de gelegenheid om terug te blikken op de coronacrisis die zich aandiende in 2020. Op Biddag is daarbij de invalshoek vooral die van arbeid en economie. Iedereen ondergaat de effecten van deze crisis, maar mensen die zich vóór het uitbreken van de crisis al in onzeker flexibel werk bevonden, zijn onevenredig hard getroffen. Zij verloren vaak als eersten hun werk. Tegelijk is er juist op Biddag ook altijd alle aanleiding om vooruit te blikken. Immers ‘zij die in tranen zaaien, zullen oogsten met gejuich’ (Psalmen 126:5).
‘Bepaalde tijd’
‘Voor alles wat gebeurt is er een uur.’ Het Hebreeuwse zeman in Prediker 3:1 dat in de NBV vertaald wordt met ‘uur’, heeft de betekenis van een ‘bepaalde tijd’. Het klinkt op het eerste gezicht geruststellend dat er voor alles wat er gebeurt een bepaalde tijd is. Meer verontrustend wordt de tekst wanneer we het lied uit de verzen 2 tot en met 8 op ons laten inwerken. In het lied wordt door middel van acht tegenstellingen het leven in al zijn facetten geschetst. In die tegenstellingen kunnen we juist gebeurtenissen herkennen die ons meer overkomen dan dat wij de ‘tijd’ ervan bepalen.
Coronacrisis
De uitbraak van het covid19-virus zou goed kunnen passen in het rijtje van gebeurtenissen uit het lied van Prediker: ‘Er is een tijd voor het uitbreken van een virus, en er is een tijd voor het uitdoven ervan.’ Veelbetekenend is dat we de uitbraak van het covid19-virus en wat het teweegbrengt in onze (wereld) samenleving zijn gaan duiden als de ‘coronacrisis’. Het doet ons bestaan op zijn grondvesten schudden. De economische groei, die begin 2020 zo bejubeld werd, is ons uit handen geslagen. Met die ervaring benaderen we het levensbesef dat Prediker benoemt in de verzen 9 en 10. Wat is de zin van al je inspanningen als het resultaat ervan zo weggevaagd kan worden door wat je overkomt? In vers 9 heeft het Hebreeuwse ‘amel de betekenis van al je inspanningen, lichamelijk en mentaal, waarmee je vormt geeft aan je bestaan. In vers 10 heeft ‘injan meer de betekenis van zin ontworstelen aan het bestaan. Het is iets waarmee de mens is behept. Tegelijk is het de mens volgens vers 11 slechts gegeven om een besef te hebben van de onafzienbare tijd waarin hij/zij zich bevindt.
Lege handen
Iedere crisis draagt iets van een openbaring in zich. De huidige crisis legt vooral de kwetsbaarheid van ons bestaan bloot. Het is evenwel een kwetsbaarheid die velen al kenden. Vlak voor het uitbreken van de crisis bevonden velen zich al in onzeker en tijdelijk werk. Wie zijn deze mensen? Bevinden ze zich in onze kerken? Weten we wie het zijn? Onder de mensen in onzeker werk bevinden zich relatief veel jongeren. Studenten met werk, of jongeren die na school of universiteit net werk hadden gevonden, vaak op tijdelijke en flexibele basis. Vanwege hun korte arbeidsverleden hebben ze vaak weinig rechten op sociale zekerheid. Voor iets oudere werknemers die hun tijdelijke werk zijn verloren, rest na de vaak korte tijd waarin ze recht hebben op WW (tegenwoordig maximaal twee jaar) een bijstandsuitkering met een vermogens- of partnertoets. Kortom: in onzeker werk kun je alles waarvan je dacht dat het je zekerheid ging brengen, gemakkelijk kwijtraken. Op de Biddag in 2021 zijn zij het vooral die met lege handen dreigen te staan ten gevolge van de coronacrisis.
‘Heb het goed en doe goed’
Prediker komt in vers 12 tot de slotsom dat het maar het beste is voor de mens – en ik volg hier even de letterlijke Hebreeuwse tekst – om ‘zich te verheugen en (zich te) goed te doen in zijn/haar leven’. In vers 13 wordt dit herhaald met ‘eten en drinken en het goede in al zijn/haar werk zien’. Prediker noemt dit een ‘gave van God’. ‘Heb het goed en doe goed’ is zijn devies. In rabbijnse commentaren (Midrash Rabbah) worden de woorden ‘eten en drinken’ in Prediker opgevat als een verwijzing naar het bezig zijn met de Tora en het goede leven dat hieruit volgt. Niet voor niets is het boek Prediker verbonden met het vrolijke Loofhuttenfeest. Tijdens dit feest, wanneer men verblijft in schamele hutten met een opening naar de hemel toe, brengt men zich te binnen hoe men tijdens de tocht door de woestijn afhankelijk was van God en van elkaar. Men overleefde deze crisis door te delen wat men had. Dat was als het ware de gave van God in de woestijn. Door het goede te doen had men het goed.
Jubeljaar
Misschien kan die instelling ook de goede grond zijn waarover in de gelijkenis van het zaad uit het Marcusevangelie wordt gesproken, op basis waarvan het jaar van de coronacrisis tot een jubeljaar kan worden. In Israël is dit volgens Leviticus 25 het moment waarbij op Grote Verzoendag alle verhoudingen geijkt worden op het perspectief van het land van de belofte. Land en bezit worden teruggegeven, en onteigening, verslaving en verschulding worden ongedaan gemaakt. In Lucas 4:19 horen we Jezus hierover spreken met woorden uit Jesaja: ‘een genadejaar van de Heer’. Woorden waarmee Jezus zijn optreden begint en duidt. ‘Heb het goed en doe goed’ kan een inspirerende aansporing zijn om onze sociale zekerheid opnieuw te doordenken en vorm te geven met het oog op de meest kwetsbaren op de arbeidsmarkt.
Deze exegese is opgesteld door Trinus Hoekstra.
Bovenstaande tekst komt uit de bezinningsbrochure die als katern bij Oecumenisch Bulletin 1/2021 van de Raad van Kerken verschijnt. Het materiaal staat in het teken van het thema ‘Van Crisisjaar tot Jubeljaar’. Bestellen/downloaden: zie www.raadvankerken.nl (>publicaties>oecumenische bezinning).