Menu

Premium

Van wie is dat er een?

Alternatief bij 2e zondag van Advent (Ruth (1,19b–2,12;) 4,13-17 en Matteüs 13,54-56)

‘Van wie is dat er een?’ was vroeger een veel voorkomende vraag in een gezelschap waar een onbekende binnenkwam, of wanneer iemand zich anders gedroeg dan men gewend was. Soms werd die persoon buitengesloten, want: ‘Met zo iemand ga je niet om.’ Nu er zoveel mensen ‘van andere herkomst’ in onze omgeving zijn, gebeurt dat veel vaker met mensen met een andere huidskleur, religie of cultuur. Beide lezingen van vandaag wijzen ons met goede argumenten op het corrigeren van dat gedrag.

Intrigerende slotverzen van het boek Ruth (4,13-17) vormen de eerste lezing van deze zondag. Als je ze leest, wil je meteen het hele verhaal kennen. Want is het niet vreemd dat wanneer Ruth een zoon krijgt, ‘de vrouwen’ zeggen dat het een zoon is voor Naomi, haar schoonmoeder? Het kind dat nog de grootvader van David zal worden en van wie Jezus zal afstammen? Mocht Ruth haar zoon misschien niet houden omdat zij uit Moab kwam? Daarheen was Naomi met haar man en twee zonen uitgeweken toen er hongersnood was in het thuisland. Maar Moab was een absolute no-go-area voor Israëlieten (vgl. Deut. 23,3-4; Neh. 13,1-2).

Scheidingslijnen uitgewist

Na de hongersnood wil Naomi terug naar Betlehem, haar ‘Broodhuis’. Haar echtgenoot en beide zonen zijn overleden in Moab. Maar haar Moabitische schoondochter, Ruth, gaat met haar mee. Haar uitspraak: ‘Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God’ (Ruth 1,16) getuigt van haar absolute solidariteit met haar schoonmoeder. Probleem voor Naomi is dat zij als kinderloze weduwe bij terugkeer geen enkele status heeft. Zij is te oud voor een leviraatshuwelijk (vgl. Deut. 25,5- 10). En een ‘losser’: iemand die het behoud van haar bezit garandeert en het voortbestaan van de namen van man en zonen?

Het is oogsttijd, en op Naomi’s aanraden gaat Ruth aren lezen bij Boaz, familie van Naomi. Het optreden van Ruth trekt de aandacht van Boaz, en na een nacht samen doorgebracht te hebben in een voorraadschuur, overlaadt hij haar met gerst met de veelbelovende woorden: ‘Je zult niet ledig van hier gaan’ (Ruth 3,17). Maar Ruth geeft die gift door aan Naomi. Prachtig symbolisch gebaar. Nu is het Naomi die niet ‘ledig’ zal blijven. Het houdt de belofte in van een toekomst voor haar.

Boaz trouwt met Ruth en zij krijgen een zoon. Maar dan verdwijnen beiden uit deze laatste verzen van dit verhaal en staat Naomi centraal, die zich als het ware het kind toeeigent. Dat kan heel cru worden opgevat als daad tegen Ruth, maar de vrouwen bevestigen dat het juist Ruths bedoeling was, zoals zij al heeft aangegeven met het doorgeven van de gerst, die zij van Boaz kreeg als belofte van ‘vulling’ voor haarzelf, maar die nu de ‘leegte’ van Naomi vult. Geen ‘zeven’ – aantal van volheid – zonen zouden haar op zo’n solidaire wijze nageslacht hebben kunnen schenken, haar ‘leegte’ hebben kunnen opheffen (4,15).

Of was het een slimheid van Ruth om zo de Moabitische afkomst van haar zoon te verbloemen? Integendeel, juist een bijdrage aan Gods belofte aan Abraham dat hij vader zal zijn van vele volken (Gen. 17,5). Scheidslijnen worden opgeheven, niet om te heersen, maar opdat mensen van verschillende volken beter samenleven, als één volk van de Eeuwige. Daarom wordt Ruth ‘voormoeder’ van Jezus (vgl. Mat. 1,5).

Wie is Jezus?

Jezus heeft een grote menigte toegesproken, en onderweg terug naar huis vragen de leerlingen Hem om uitleg van de gelijkenissen die Hij daar heeft verteld. Nadat Jezus nog meer gelijkenissen aan de leerlingen heeft voorgelegd, komt het gezelschap aan in Nazaret, Jezus’ vaderstad. Daar gaat Hij lesgeven in de synagoge, tot verbazing van de aanwezige plaatsgenoten. Jezus’ optreden roept vragen bij hen op. Zij zien in Jezus een doodgewone plaatsgenoot uit een familie die zij denken te kennen (Mat. 13,54-56). Het valt op dat wat zij menen te weten over Jezus’ afkomst, heel anders is dan wat Matteüs beschrijft aan het begin van zijn Evangelie (1,1-17). Zoon van een plaatselijke timmerman, of nakomeling van David, of…? Hier wordt de vraag gesteld naar Jezus’ identiteit. Maar de aanstoot die de toehoorders aan Jezus nemen, maakt hen vooringenomen en belet hun ook maar een glimp van Jezus’ ware identiteit op te vangen.

‘Of-of’ of ‘zowel-als’?

Hoe moeilijk het verband tussen beide lezingen ook lijkt, ze houden ons een spiegel voor en dagen ons uit antwoord te geven op de vraag: Van wie ben jij er een? Uit de lezingen van vandaag wordt duidelijk dat afkomst er niet toe doet als je in het ‘voetspoor wilt gaan waarop de Eeuwige is voorgegaan’, zoals de joodse filosoof Emmanuel Levinas het formuleert. De indringende vraag die uitgaat van het gelaat van een medemens die je aanziet, daagt je uit jezelf te geven om de ‘leegheid’ van de ander te vullen. Zo vult Ruth de leegheid van Naomi en treedt daardoor in het voetspoor van de Eeuwige, en door zich helemaal voor ons te geven vult Jezus onze leegte, opdat wij in zijn voetspoor gaan. Ruth blijft Moabitische, Jezus blijft de zoon van een timmerman, maar daarnaast is er die andere lijn voor ons om ons aan te verbinden.

Ruth toont zich daarin een ware voormoeder van Jezus. Er is een lied: ‘Wie ten einde toe alles heeft gegeven (…) zalig, zalig is die mens.’

In de joodse traditie wordt het verhaal van Ruth gelezen tijdens het Wekenfeest: het oogstfeest, vijftig dagen na Pesach, ons Pinksteren. De dag waarop de Jezusgemeenschap zich opende voor mensen uit andere volken, tot één volk van de Eeuwige. Zij blijven kinderen van hun volk, maar worden ook kinderen van één Vader. Zowel het ene als het andere.

Deze exegese is opgesteld door José Vos.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken