Vastentijd: groeien in ontferming
Bij Jesaja 58,1-10, 2 Korintiërs 5,20-6,10 en Matteüs 6,1-6.16-21
Aswoensdag: weten dat je stof bent en weer stof zult worden. Dag van het askruisje. Wie het tot Pasen kon bewaren, kreeg een nieuw pak, zei mijn oma. Een grapje naast die heftige stofboodschap, want natuurlijk moest je in bad en dat nieuwe pak kwam er ook, al was het het afdankertje van een oudere broer of zus. Na het vastentrommeltje waar je gedurende de Veertigdagentijd alle snoep in opspaarde en dat op Paaszaterdag gretig werd geconsumeerd, volgden later ‘verstervingen’ die meer gericht waren op de ander: het spaarpotje bij de maaltijd voor wie honger hadden en later de Vastenactie. Het vasten waarom in de lezingen van vandaag wordt gevraagd gaat verder.
Jesaja 58 wordt gelezen op Grote Verzoendag (Lev. 16). Het Hebreeuws heeft verschillende woorden voor ‘vasten’. Het ene, tsoem, betekent meer algemeen ‘vasten’, zoals bij rouw, rampen en om genade af te smeken van de Eeuwige en ontaardt gemakkelijk in uiterlijk vertoon. Het andere geeft met twee woorden een fundamenteler vasten aan. De grondbetekenis van het ene is ‘antwoorden’ en van het andere ‘ziel’, ‘innerlijk’ (Hebr.: nefesj). ‘Onthouding/vasten’ als het ‘zielsantwoord’ op een ethisch appèl, dat volgens de Talmud tot uitdrukking komt in compassie, door oog te hebben voor sociale gerechtigheid en door een overeenkomstig handelen. Dit vasten wordt gevraagd van Israël op grote Verzoendag en het volk beaamt die vraag door zich neer te buigen voor de Eeuwige, als uitdrukking van afhankelijkheid en als ‘zielsantwoord’.
Oproep tot ‘zielsantwoord’
Maar hier lijkt het alsof het volk niets heeft geleerd van zijn ballingschap in Babylon. Terug in eigen land gaat het ‘heiligen van zichzelf’, het eigenbelang, opnieuw boven het heiligen van de Naam. De tempelelite geeft het slechte voorbeeld en de profeet krijgt de opdracht luid en duidelijk de pervertering van hun vasten aan de kaak te stellen (Jes. 58,1). Immers, hun vasten, tsoem (3.4.5.6) is uiterlijk vertoon en staat haaks op wat vasten moet zijn: hun ‘zielsantwoord’, zoals gevraagd van het volk op grote verzoendag. De NBV verwijst daarnaar met ‘dag van onthouding’ (5). Wat dat ‘zielsantwoord’ inhoudt, wordt prachtig verwoord in het pleidooi hoe te handelen en daarmee de relatie tot de Eeuwige te bevestigen, om tot licht in de donkere wereld te worden. Die profetische oproep blijft actueel voor mensen met een voorbeeldfunctie in de politiek, in besturen van instellingen, in kerken, voor iedereen. Iedereen is het voorrecht (NBV) gegeven om ‘kind van God’ te worden (Joh. 1,12).
Paulus’ vasten
De tweede brief van Paulus aan de gemeente van Korinte wordt wel de ‘verzoeningsbrief’ genoemd. Er waren conflicten en Paulus werd er zelfs weggestuurd. Nu het tij is gekeerd, is het tijd om weer on speaking terms te komen met als sleutel: wederkerigheid in liefde tussen Paulus met zijn medewerkers en de gemeente. Je zou alle ontberingen die Paulus opsomt, en hoe hij daarop heeft gereageerd, kunnen samenvatten als zijn ‘vasten’. Niet als het promoten van zichzelf. Het zijn dingen die je overkomen, wanneer je gehoor geeft aan een appèl zoals op Paulus werd gedaan, onderweg naar Damascus. Hoe hij omging met wat hem daarna overkwam, is zijn zielsantwoord aan de Eeuwige in dienst aan zijn gemeente.
Aalmoezen geven, bidden, vasten
Matteüs 6,1-6.16-18 gaat verder in op deze thematiek als onderdeel van de Bergrede, Jezus’ Tora-onderricht, waarin Hij leert dat het wettisch vervullen van de Tora nog niet het doen van Gods wil is. Drie zaken komen hier aan de orde: aalmoezen geven; bidden en vasten. Als een cadans worden handelen uit menselijk opzicht, het heiligen van zichzelf gesteld tegenover oprecht handelen tot welzijn van naasten, het heiligen van de Naam. Voor allebei krijg je ‘loon’. Van de kant van de mensen: aanzien en complimenten, opstapjes naar macht. Van de kant van de Vader: Hij zal het je teruggeven (Grieks: apodidoomi) wat je aan goeds gedaan hebt voor je medemens, als hemels loon. Als je de Tora zoals Jezus die onderricht in het hart draagt, hoef je niet bang te zijn voor de kritiek van mensen (Jes. 51,7). Afwisselend richt Jezus zich tot al zijn toehoorders en dan weer tot ieder afzonderlijk. Zo spoort Jezus in vers 1 al zijn toehoorders, ‘jullie’, aan tot het doen van gerechtigheid, tot oprechte rechtschapenheid, echt fatsoen. Daarna richt Hij zich tot ieder persoonlijk.
De drie onderdelen hebben dezelfde opbouw: eerst hoe het niet moet, gevolgd door een algemene uitspraak, ingeleid met amen, dat er gewicht aan geeft. Daarna volgt hoe het wel moet, met de belofte van de teruggave door de Vader die in het verborgene ziet (6,4.6.16).
Compassie en gebed
Jesaja zei al dat vasten moet samengaan met compassie en het doen van sociale gerechtigheid. In die zin is ook aalmoezen geven een vorm van vasten. Maar het Griekse eleèmosunè heeft als eerste betekenis ‘ontferming’, ‘compassie’, oprecht en van harte, en dat gaat verder dan het geven van een aalmoes. Zowel ontferming over de naaste als het geven van een aalmoes moeten verankerd zijn in nastreven van gerechtigheid (dikaiosunè, 6,1) en in gerichtheid op de Eeuwige: ziels antwoorden. Zo moet je ook van bidden geen show maken alsof je een toneelspeler bent (Grieks: hupokritès, 6,5). Dan voer je een act op voor het publiek en zoek je de eer die alleen God toekomt. Bidden gaat tussen jou en de Vader, strikt privé, alsof je je hebt afgezonderd in een geluiddichte telefooncel. Gebed dat opkomt uit de realiteit, uit wat je aan droevigs of vreugdevols hebt meegemaakt, om dat als dank of klacht of vraag in overgave neer te leggen voor de Eeuwige, wetend dat je wordt gezien, al weet geen mens er iets van. Eigenlijk is vasten geen aparte activiteit, maar een levenshouding, die compassie en gebed in zich verenigt tot heiliging van mensen en van de Naam.
Aswoensdag: gedenken dat je stof bent, maar bezielde stof, geroepen tot opstaan. Ruim veertig dagen de tijd om te groeien in ontferming en gebed als vasten. Niet in zak en as zitten, maar opstanding voorbereiden.