Menu

Premium

Vergeven

Bij Exodus 32,7-14, Psalm 103,8-12 en Matteüs 18,21-35

‘Niemand, zelfs God niet, kan vergeven wat ik mijn naaste heb misdaan.’ En: ‘Een wereld waarin vergeving almachtig wordt, is onmenselijk.’[1] Met deze krasse uitspraken komt de Frans-joodse filosoof Emmanuel Levinas op voor de integriteit van slachtoffers. Vergeving is voor hem niet alleen maar excuus en ‘zand erover’. Er is meer voor nodig, zoals ook blijkt uit de lezingen van vandaag.

Op de berg, ver van het volk, verblijft Mozes al lang voor Gods aangezicht. Hij heeft er de twee stenen platen van het verbond ontvangen en aanwijzingen gekregen voor de bouw van een vervoerbaar heiligdom voor inwoning van de Eeuwige, die zal meetrekken met zijn volk. Maar het duurt het volk beneden veel te lang, en onder druk gezet laat Aäron, vooruitlopend op Mozes’ instructies, een gouden stierenbeeld maken. Misschien in eerste instantie bedoeld als troon voor de godheid, zoals omringende volken ook hadden? Maar het maken van beelden was toch verboden (Exodus 20,4)? Beelden kunnen een eigen leven gaan leiden en als god worden vereerd. En dat is precies wat er gebeurt (Exodus 32,8).

Vergeving pas na oprecht berouw

De Eeuwige reageert teleurgesteld en woedend, menselijkerwijs, en Mozes krijgt de volle laag. Hij moet terug naar beneden, terug naar af. Alles weer ‘platvloers’. In plaats van Gods volk is het nu zíjn, Mozes’ volk, waarvoor de Eeuwige hém verantwoordelijk stelt, omdat híj het heeft weggevoerd uit Egypte, nog te zeer besmet met die cultuur van afgoderij (Exodus 32,10). En nog maar pas had het volk beloofd ‘alle woorden van de Eeuwige te doen en ernaar te luisteren’! Daarom: weg met dát volk. Alleen met Mozes durft de Eeuwige het nog aan: ‘Jou maak Ik tot een groot volk.’ Maar dat was toch al aan Abraham beloofd (Genesis 12,2)? Kan God zijn belofte breken?

Mozes geeft weerwoord. Het valt op dat Mozes niet om vergeving vraagt voor het volk, maar het boze aangezicht van de Eeuwige probeert te verzachten. Gods toorn mag terecht zijn, maar is de straf dat ook? Mozes’ eerste tegenargument is, dat de Eeuwige zélf het volk als zíjn volk wegvoerde uit Egypte. Vervolgens zou het loslaten van dit, Gods eigen volk de universele lofprijzing van de Naam onmogelijk maken. En ten slotte, de belofte aan de aartsvaders gold ál hun nakomelingen, niet alleen die van Mozes. De Eeuwige krijgt spijt over ‘het slechte’ dat Hij zíjn volk had willen aandoen (Exodus 32,14). Hij keert om van zijn besluit niet meer mee te trekken met zijn volk. Dan keert Mozes zich om en daalt af, waar hij op zijn beurt in woede uitbarst als hij ziet wat er gebeurt.

De Tora leert ons, dat drie zaken onheil afwenden: Gods liefde voor zijn schepselen, de glorie van de Naam en de verdiensten van de aartsvaders. Maar ook voorsprekers zoals Mozes, die daaraan herinneren wanneer een totale breuk dreigt tussen God en mensen. Van vergeving is hier nog geen sprake. Volgens Levinas is de Eeuwige hier ‘slachtoffer’, en kan er pas van vergeving sprake zijn nadat de overtreder oprecht berouw heeft getoond, beterschap belooft en zich daarnaar ook gedraagt: de Naam in ere hersteld. Pas wanneer Israël zich opnieuw gaat verbinden met de Eeuwige, kan Mozes uitspreken (Exodus 34,6-9) wat bezongen wordt in de Psalmen 103,8-12.

Vergeef mij, zoals ook ik…

De Mattëuslezing is onderdeel van de vierde van de vijf lange redevoeringen die Matteüs opneemt als onderricht voor de gemeente, met als thema ‘vergeven/kwijtschelden’ (Gr.: aphièmi). Aanleiding is de vraag van Petrus hoe dikwijls we moeten vergeven (Matteüs 18,21; 6,12). Jezus’ antwoord geeft aan dat vergeving niet aan een aantal keren is gebonden, maar ook niet zomaar is. Wat de voorwaarden ertoe zijn, licht Jezus toe in een parabel die ook verwijst naar het Rijk Gods (Matteüs 18,23), een van de hoofdthema’s van Matteüs op basis van Jesaja’s goede nieuws (Jesaja 40,9; 52,7). Het is voor iedereen te vinden, die zoekt en aanklopt (Matteüs 7,7-12).

‘Vergeven/kwijtschelden’ aan het begin (Matteüs 18,21) en het einde (Matteüs 18,35) maakt de perikoop tot een afgerond geheel. De parabel telt drie scènes: tussen de heer en zijn dienaar (24-27), tussen dienaar en mededienaar (28-30) en tussen de heer en zijn dienaar (29-34). In de slotopmerking trekt Jezus de parabel door naar God en het gedrag van alle mensen (35).

De eerste dienaar heeft bij zijn heer een torenhoge schuld uitstaan, ongeveer tien miljoen denariën die hij nooit kan terugbetalen, ook al wordt alles verkocht of uitstel verleend. Zijn heer is diep getroffen (Gr.: splanchnizomai) door dat absolute failliet van zíjn dienaar en scheldt hem alles kwijt. Het erge is dat het die dienaar kennelijk zo weinig doet, dat hij een mededienaar voor een schuld van maar honderd denariën in de gevangenis laat zetten. De kwijtschelding die hijzelf kreeg, heeft niets bij hem teweeggebracht: geen respect voor het gebaar van zijn heer; hij trekt er geen conclusies uit met betrekking tot anderen en overtreedt daarmee het hoofdgebod van de Tora – aan de naaste te doen zoals jij wilt dat jou gedaan wordt. Zulk gedrag verhardt het aangezicht van de Eeuwige. Voor zo iemand geen kwijtschelding. Niet alles kan vergeven worden, ook de Vader doet dat niet.

Maar stel dat er verzachtende omstandigheden zijn. De man is verleid tot meedoen met een gokspel of tot aankoop van dubieuze aandelen; hij heeft een slechte opvoeding gehad, waardoor hij geen goed verantwoordelijkheidsgevoel heeft en zich geen rekenschap kan geven van zijn daden. Begrip voor de schuldige leidt af van de benadeelde en van oprechte vergeving, omdat de aandacht zich verplaatst naar de schuldige. De Eeuwige kent al onze verborgen gebreken en ‘vergeldt ons niet naar onze schuld’ (Psalmen 103,8-10; Exodus 34). Maar alléén als er sprake is van contritio cordis, oprecht berouw, confessio oris, erkennen van de overtreding en satisfactio operis, een handelwijze ten goede. Pas dan staat niets vergeving nog in de weg en kan vergeven worden: zeventigmaal zeven keer en dat tot de zevende macht!

Wellicht ook interessant

None

Preview: God. Naar een andere filosofie

We beginnen dus nu aan een boekje over denken over God, over de Naam. Goed, maar is dat nog wel nodig? Kan dat zelfs nog wel? Niet dat het taboe zou zijn, nee, merkwaardig genoeg loopt de boekenmarkt over van titels over God en godsdienst. Iedereen schrijft over God tegenwoordig. Sinds kort bestaat het prestigieuze Journal for Continental Philosophy of Religion (Brill). Dat betekent dat er in elk geval interesse wordt getoond in dat filosofische terrein. Theologen, natuurlijk, maar ook filosofen, wetenschappers, politici, kunstenaars en nog anderen kunnen er niet over zwijgen.

None

Nicea voor Nu; hoe een oude belijdenis ons vandaag kan helpen

Drie initiatiefnemers – Jelle Huismans, Margriet Westes en Arnold Smeets – hebben ervoor gezorgd dat 32 schrijvers samen 47 korte, puntige bijdragen schreven over de Geloofsbelijdenis van Nicea. Steeds namen de auteurs een paar woorden uit de belijdenis voor hun rekening, waarover zij twee à drie pagina’s schreven. Dat maakt het tot een zeer toegankelijk boek. Met dank daarvoor: ik heb het met plezier gelezen en hier en daar zinnen onderstreept en smileys of kruisjes gezet bij uitspraken die mij boeiden of juist tegenstonden.

Basis

Boekrecensie Verblijven in de ziel van Esther Stoorvogel door Ludy Fabriek

Het boek Verblijven in de ziel van Esther Stoorvogel is een geweldige uitdaging om je innerlijke relatie met God als je hemelse Vader meer en meer te verdiepen. Het beeld van de ziel als een burcht met zeven verblijven spreekt heel erg tot de verbeelding. Zeker om de ontwikkeling van je geestelijke leven te zien als een reis door die verblijven op weg naar het hart van de burcht: de troonzaal. Het uiteindelijke doel van een kind van God is om zó dicht bij Hem te zijn, dat we volkomen één met Hem zijn. Vandaar dat de subtitel van het boek ook treffend gekozen is: De innerlijke reis naar het hart van God.

Nieuwe boeken