Menu

Premium

Vinger

vuist, duim, grote teen

De manier waarop de schilder Marc Chagall de hand uitbeeldt, is opmerkelijk. Vooral de vingers vallen op. Hij schildert soms een hand met een afwijkend aantal vingers – vier, zes of zeven. Bedoelt hij te zeggen dat het bestaan ‘anatomisch’ niet altijd klopt? Doelt hij op het ongerijmde in de schepping, alle orde ten spijt? Hoe dan ook, de vingers accentueren in elk geval de hand, die voor Chagall communicatief gezien van wezenlijk belang is. Inderdaad, vingers maken de hand sprékend en de hand (zie daar) is de non-verbale taal van de mens. Ook de bijbel laat zien dat vingers de hand kleur en vorm geven, waardoor de hand werkelijk hand is. Letterlijk, maar vooral ook figuurlijk.

Grondtekst

Het oudtestamentische ‘ètsba’, ‘vinger’, soms ‘teen’ (2 Sam. 21:20), komt buiten het offerritueel (Ex. 29:12; Lev. 4; 8:15; 9:9; 14; 16; Num. 19:4) ca. 20x voor. Het duidt de vinger van de mens (Jes. 59:3), van God of van een hemelse entiteit (Ex. 8:15; Dan. 5:5) en van een beeld (Dan. 2:4142). Tweemaal treffen we ‘egrof, ‘vuist’, aan; in beide gevallen verbonden met een vorm van slaan (Ex. 21:18; Jes. 58:4). Het werkwoord met dezelfde stam vinden we in de betekenis van ‘meesleuren’ door water, in Richteren 5:21 (vgl. het Qumraanse Damascusgeschrift 11:6). Meer dan eens zijn hand en vinger synoniemen (Ps. 144:1; Jes. 59:3). Voor ‘duim’ kent het Hebreeuws twee op elkaar lijkende woorden: bohèn (Ex. 29:20; Lev. 8:23-24; 14:14-28) en behon (Richt. 1:6-7; in Joz. 15:6 en 18:17 verschijnt de stam in een geografische naam ‘Bohan’). Het nieuwtestamentische equivalent voor ‘vinger’ luidt daktylos (8x), waarvan daktylios, ‘ring’, is afgeleid. We lezen van de vinger van God (Luc. 11:20), van Jezus (Mar. 7:33; Joh. 8:6-8; vgl. Barnabas 4:7 en 14:2) en van de mens (Mat. 23:4; Luc. 11:46; 16:24; Joh. 20:25,47; vgl. 4 Makk. 10:6-7). Het Griekse pygmè, ‘vuist’, verschijnt in de moeilijke tekst van Marcus 7:3. Zie voorts het werkwoord pykteuoo, ‘met de vuist vechten’, in 1 Korintiërs 9:26, dat op een of andere gevechts-sport met de vuisten wijst. Daarentegen doelt kolafizoo, ‘met de vuist slaan’, op gewelddadig heid (1 Kor. 4:11; 2 Kor. 12:7; 1 Petr. 2:20).

Letterlijk en concreet

a.Een van de handelingen bij het offerritueel om schuld te delgen, is dat de priester zijn vinger doopt in het bloed van het offerdier en dat bloed sprenkelt in het heiligdom of strijkt op het altaar (Ex. 29:12 Lev. 4:6-34). Bij onreinheid doopt de priester zijn vinger in olie en sprenkelt die in het heiligdom (Lev. 14:16, 27; Num. 19:4). Het doel van het ritueel is het opruimen van blokkades die vanwege zonden tussen God en mens zijn ontstaan, zodat de verbinding naar de Eeuwige wordt hersteld. Waarom vindt het dopen in bloed en olie met de vinger plaats? Vermoedelijk omdat het om een verfijnd stukje werk gaat, misschien mogen we zelfs zeggen dat dit werk met fijngevoeligheid gepaard dient te gaan. De vinger als deel van de hand is daar het meest geschikt voor.

b.Telkens gebeurt het dat mensen van goede wil worden geslagen. Vuisten raken hen pijnlijk. Dat is de ervaring van Jezus (Mat. 26:67 = Mar. 14:65) en dat is na Hem de ervaring van zijn volgelingen (1 Petr. 2:20).

c.De vinger fungeert wel als lengtemaat (1 Kon. 7:15; Jer. 52:21), te vergelijken met onze oude lengtemaat ‘duim’, ongeveer 2,5 cm. De vinger leent zich goed om druppels vocht op iets te laten vallen (zie bij L-a; Luc. 16:24). Tomas, de twijfelaar, zal pas geloven in de verrijzenis van de Heer, als hij zijn vinger kan steken in de wonden van de gekruisigde (Joh. 25-27).

Beeldspraak en symboliek

a.Spraken we zojuist over het bloed- en olieritueel met het oog op het besprenkelen van voorwerpen in en rond het heiligdom, er vindt nog een ander ritueel plaats. De rechter oorlel, rechterduim en rechter grote teen van Aäron en zijn zonen worden met bloed van het offerdier aangeraakt (Ex. 29:20; Lev. 8:23-24); hetzelfde gebeurt bij de genezen melaatse (Lev. 14:14-28). Waarom juist deze drie lichaamsdelen, en wat is de zin van de aanraking? Het is moeilijk de juiste betekenis te achterhalen van dit met symboliek beklede ritueel. Misschien dit: met oor, duim en grote teen corresponderen de werkwoorden horen, handelen en gaan. Deze drie worden aangeraakt, opdat de aangeraakte hoort naar Gods wil, die doet en diens weg bewandelt. Oor en grote teen met daar tussenin de duim wijzen erop dat de aangeraakte totaliteit, van top tot teen, de Heer wil dienen. Een variant op deze verklaring luidt: het oor is het innerlijke horen waarin God zijn woorden legt; door de aanraking is de persoon in staat zijn innerlijke stem te horen. Duim en teen verwijzen naar de verwerking van het gehoorde door actie. Met andere woorden: al de spirituele en materiële activiteiten worden bepaald door deze drie lichaamsdelen: oren, handen en voeten. Daarom richt de Tora zich op deze drie. In de joodse traditie wordt wel gezegd dat de vingers van de hand zijn aangesteld of benoemd naar hun gebruik in het heiligdom: op de duim wordt het bloed van het offer bij bepaalde gelegenheden aangebracht; de wijsvinger doopt men in het bloed en sprenkelt ermee; de middelvinger dient bij het meten als een bepaalde lengtemaat; de ringvinger komt in actie bij het scheppen van het offermeel; de pink wordt gebruikt bij het meten van een span. De vingers van onze hand laten ons zien wat hun roeping is, ieder naar zijn vermogen. Het ritueel met oorlel, duim en teen maakt duidelijk aan de priester dat hij geheiligd door het leven mag en kan gaan, en zegt tot de melaatse dat hij voortaan als een gewijde in en uit mag lopen in heiligdom.

b.De vinger van God symboliseert zijn macht en kracht. Macht en kracht krijgen vorm in zijn daden, door en aan mensen, in de geschiedenis. Mozes en Aäron doen tot verbazing van de magiërs uit Egypte niet te evenaren wonderen, waarin zich naar hun besef goddelijke krachten manifesteren (Ex. 8:15[19]; vgl. Luc. 11:20). Gods vinger heeft de Woorden op de twee tafels of platen geschreven (Ex. 31:18; Deut. 9:10). Deze vinger geeft aan de Woorden zeggingskracht en gezag. Het zijn geen alledaagse woorden, maar hemelse en dus eeuwige Woorden. Zijn vinger kan hier ook de precisie van dit ‘schrijfwerk’ aangeven. Fijngevoelig en nauwgezet heeft Hij met zijn vinger zijn wil bekendgemaakt, immers, zij willen de weg ten leven wijzen! De vraag is of Jezus aan Gods schrijvende vinger denkt op het moment dat Hij zich vooroverbuigt en met zijn vinger in het zand schrijft, wanneer de godsdienstige leiders een overspelige vrouw veroordelen (Joh. 8:1-11). Verwijst Hij indirect naar Gods geschreven tekst waaruit bevrijding spreekt? Of roept Jezus’ vinger in de aarde Jeremia 17:3 in herinnering, een gebed van de profeet om de namen van de ‘afwijkers’ in de aarde te schrijven, zodat zij worden prijsgegeven aan de vergetelheid? Of speelt zijn vinger alleen met het zand, uit verlegenheid met de situatie en om tijd te vergaren voor het juiste antwoord? Zie ook bij ‘rug’, B-c.

c.De vingers van een persoon verwijzen naar het handelen en gedrag van die persoon. En hetgeen hij doet, verwijst weer naar zijn identiteit. Het product dat iemands vingers vervaardigen, onthult waar zijn hart ligt. Voor de een is dat product een afgod (Jes. 2:8; 17:8), voor de ander ongerechtigheid (Jes. 59:3), weer een ander houdt de handen diep in de zakken terwijl hij zijn omgeving laat ploeteren (Mat. 23:4). Het kan ook anders, zoals de psalmdichter heeft ervaren. Hij dankt God voor de toerusting van zijn handen en vingers (Ps. 144:1), zodat hij zijn inzet voor sja-lom kan realiseren. Het wijzen met de vingers is een uiting van minachting, meestal van de rijke tegenover de arme (Jes. 58:9; vgl. Spr. 6:13). Hetgeen de mens aan zijn vingers bindt, heeft zijn hart. De wijsheidsleraar spoort de leerling aan het onderricht aan de vingers te binden (Spr. 7:3). Hij zegt: vergeet nimmer de wijsheid van de Tora; bewaar de geboden in die zin, dat je ernaar leeft.

d.Of een verhaal, tekst of woord letterlijk dan wel symbolisch moet worden verstaan, valt niet altijd meteen te zeggen. Neem Richteren 1:6-7. Daar vertelt de auteur dat de Israëlieten de vluchtende Kanaänische koning Adonibezek grijpen en hem de duimen en grote tenen afhakken. Deze daad kan inderdaad heel concreet uitgevoerd zijn. Maar is dat hetgeen de verteller wil zeggen? Zou juist in de symboliek van deze ‘gebeurtenis’ de boodschap voor de hoorders kunnen zitten? Zonder duimen en tenen is een koning machteloos, want duimen (bij het wapengebruik) en tenen (bij het gaan) zijn voor de oorlogsstrijder onmisbaar. Er staat meer dan er staat: de koning wordt van zijn macht beroofd. En waarom? Omdat hij hetzelfde bij zeventig koningen heeft gedaan, bij zéventig, in bijbelse taal staat dat aantal voor het geheel. De koning beseft zelf dat hetgeen hij heeft gedaan, nu op het eigen hoofd terechtkomt. We zien hier het zogenaamde boemerangmotief.

e.In een van de verhalen over de overwinning van David en de zijnen op de Filistijnen, verschijnt een buitensporig grote man, iemand met twaalf vingers en twaalf tenen (2 Sam. 21:20; 1 Kron. 20:6). Een reus van een man. Een Filistijn. Een bedreiging voor Israël. Deze wordt verslagen door het David-kamp. De enorme man met zijn vele vingers en tenen symboliseert de grootheid van Israëls vijanden. Om bang van te worden. David en zijn dienaars stellen in vergelijking niet veel voor, klein, zonder veel invloed. De strijd schijnt op voorhand al beslist in het nadeel van de kleine. Maar dan blijkt het geweld, de reus, te worden geveld door de dwerg, Jonatan. Het verhaal doet zijn verdere werk, tot op de dag van heden: de kracht van de Eeuwige manifesteert zich in de zwakte van de kleine. f Om aan te geven dat Paulus zijn apostelschap gericht uitoefent, gebruikt hij het beeld van de wedstrijdsport (1 Kor. 9:26). De hardloper volgt niet blindelings zijn weg; hij heeft een doel voor ogen. En de bokser, letterlijk ‘iemand die met de vuisten vecht’, slaat niet zomaar in de lucht. Nee, hij probeert met zijn vuisten zijn doel te raken. Kijk, zegt Paulus, zo sta ik als gelovige en apostel in het leven: ik heb een doel voor ogen, ik wil de eindstreep halen en straks de prijs van God in ontvangst nemen. Daar leef ik voor. Met dit beeld zet hij de gemeente van Korinte aan het denken: welk doel hebben wij voor ogen, en leven we daarnaar? Nog een keer spreekt Paulus over vuistslagen, in de beroemde en tegelijk mysterieuze opmerking over zijn doorn in het vlees (2 Kor. 12:7). Wat die doorn precies is, zegt hij niet. Wel ziet hij die doorn als vuistslagen van een engel des satans, die van God gelegenheid krijgt om Paulus te slaan. Het doel van die slagen is, dat Paulus zich daardoor niet zou verheffen. De vuistslagen dienen we vooral overdrachtelijk te verstaan. Paulus worstelt met een of andere aanvechting en hij is tot het besef gekomen dat dit lijden nodig is om hem binnen de menselijke maat te houden.

g.De vuist kan metafoor zijn voor afbraak in humaan-godsdienstig opzicht, zoals in Jesaja 58:4. De profeet waarschuwt zijn tijdgenoten voor daden die niet overeenkomen met de intentie van de Tora. In de gemeenschap dreigt een splitsing te ontstaan door het wangedrag van leidinggevenden ten opzichte van hun personeel. Op de vastendagen escaleert het. Men vast wel, maar het leidt niet tot bezinning, integendeel, het loopt uit op ruzie en vervreemding. Men slaat elkaar ‘met de vuist van goddeloosheid’.

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Psalm 50; 68; 69; 139; 144; Gezang 239; 319; 458; Alles III: 11; Evangelie I: 17;

Gezegend: 87; 197; Leven: 1; Kinderen: 14; Liefde: 24; Zingend VI: 30.

b.Poëzie:

Van der Graft, Mythologisch, Baarn 1997, blz. 277: ‘Het teken van de hand wand’. Muus Jacobse, Het oneindige verlangen, Nijkerk 1982, blz. 32: ‘Paulus’. Jan Willem Schulte Nordholt, Verzamelde gedichten, Baarn 199612, blz. 172: ‘Verzetsmonument van Wim Reyers’. Willy Spillebeen, Gedichten 1959-1973, Antwerpen 1973, blz. 54: ‘Handen’.

c.Verwerking:

Als illustratie van de verbeelding van vingers verwijzen we naar ‘De hand van God’ en ‘Grote gebalde linkerhand’, beelden van de beeldhouwer Auguste Rodin. Ook geeft het vermaarde boek ‘Bartje’ van Anne de Vries aanknopingspunten; we doelen op het fragment waarin Bartje bij het bed van zijn overleden vader staat en mijmert over diens handen, over zijn vingers die de vorm hebben aangenomen van de steel van de schop. Te bespreken thema’s bij vinger, duim en vuist zijn: macht, kracht, geweld, daden, identiteit, goddelijke manifestatie, geloofsfundament, en het leven naar de Tora.

Verwijzing

Vinger, duim en vuist maken deel uit van de hand en dienen dan ook in samenhang met ‘hand‘ gelezen te worden. Voorts is er een nauwe relatie tussen vinger en ring; zie de bespreking van ‘zegel‘. Gelet op de samenhang tussen vinger en teen, verwijzen we eveneens naar ‘voet‘. Bij ‘doorn’, B-d, vinden we meer over Paulus’ doorn in het vlees.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken