Vrucht dragen
5e zondag van Pasen (Deuteronomium 4,32-40, 1 Johannes 3,18-24 en Johannes 15,1-8)
Op deze vijfde zondag van Pasen gaat het om het dragen van vrucht en de voorwaarden hiervoor. De oudtestamentische lezing herinnert – vergelijkbaar met de lezingen in de Paasnacht – aan de daden van de Eeuwige voor zijn volk, en vraagt als vrucht trouw aan de Eeuwige en zijn geboden. Het evangelie onderstreept dat het zonder blijvende verbinding met Christus niet mogelijk is om vrucht te dragen. De epistellezing biedt hulp voor de frustratie van de gelovige over het gebrek aan vrucht in zijn eigen leven.
‘De dagen lang maken’ (Deut. 4,40) is de letterlijke vertaling van een Hebreeuwse uitdrukking. Eigenlijk gaat het erom het aantal dagen op aarde groot te maken, dus ervoor te zorgen dat je lang leeft. Zelf invloed uitoefenen op de lengte van het leven – daarmee zijn we tegenwoordig op allerlei manieren bezig, met de vorderingen in de geneeskunde aan de ene en met euthanasie of het idee van voltooid leven aan de andere kant.
Maar dat het naleven van Gods verordeningen en geboden invloed zou kunnen hebben op de lengte van het leven, durven we nauwelijks te beweren. Vaak genoeg lijkt er weinig verband te zien tussen iemands morele principes en het aantal jaren dat hij op aarde mag doorbrengen. Dus maar beter zwijgen over dit stukje bijbelse belofte?
Opdat je de dagen op aarde lang maakt
Dit lijkt me een verkeerde conclusie op basis van een te vroeg beëindigde redenering. Want de mensen in de bijbelse tijd waren noch achterlijk noch naïef. Ze kenden de wisselvalligheden van het leven en als onrechtvaardig ervaren sterfgevallen op jonge leeftijd minstens zo goed als wij. Ook voor hen stond de belofte van leven voor degene die Gods wil doet naast de ervaring dat een leven onverdiend vroeg eindigt.
Maar er zijn spanningen waarmee de mens leert leven. Zo is het voor onze tekst geen tegenstrijdigheid dat enerzijds de mens door zijn handelen de dagen op aarde lang maakt en anderzijds de Eeuwige de dagen op aarde geeft. Beide aspecten worden in hetzelfde vers geformuleerd: ‘Houd je aan zijn verordeningen en geboden opdat het goed gaat met jou en jouw nakomelingen na jou en opdat je de dagen op aarde lang maakt’ (Deut. 4,40). Soms krijgen bijbelse woorden een verrassende actualiteit. De mens heeft wel geleerd invloed uit te oefenen op zijn eigen leven op aarde en dat van zijn nakomelingen. Maar het gebod goed te zorgen voor de hem toevertrouwde aarde (af te leiden uit Gen. 2,15) heeft hij te vaak genegeerd.
Motivatie
Heb jij ze ooit geteld, je zegeningen? Ik geef toe: slechts incidenteel. Maar waarom zouden we niet eens de tijd nemen voor een schrijfoefening, bijvoorbeeld in het kader van een retraite, om ‘je zegeningen te tellen’? Of misschien in een kortere vorm als opmaat van een kerkenraadsvergadering? Onze oudtestamentische lezing besteedt nota bene zeven verzen aan het opsommen van wat de Eeuwige heeft gedaan (Deut. 4,22-28) alvorens een gepaste reactie van het volk te vragen. Ook geloof en navolging hebben motivatie nodig. Laten we vaker, denkbeeldig of fysiek, net als Samuel een gedenksteen oprichten, die Eben-Haëzer noemen en spreken: ‘Tot hier toe heeft de Heer ons geholpen’ (1 Sam. 7,12).
Stemmen in ons
Wanneer gelovigen aan de liefde uitdrukking geven in de vorm van daden, bevestigt dit dat zij bij God horen of, zoals de johanneïsche bijbelboeken het formuleren, ‘uit de waarheid zijn’ (1 Joh. 3,18-19a). Maar ook de gemeenschap die de beoogde ontvanger was van de eerste Johannesbrief, kende de ervaring dat het niet lukt om liefde de drijfveer te laten zijn voor alle daden. En dan meldt zich ‘het hart’ – wij zouden misschien zeggen: ‘het geweten’ – en klaagt aan (vs. 19b): ‘Hoe zeer sta je de Eeuwige eigenlijk toe om je te veranderen? Is de geest degene die jouw daden inspireert? Of wat bezielt je? Woont de liefde in jou?’ Met deze stemmen wordt het lastig om met een vrijmoedige houding voor God te komen en te ervaren hoe Hij geeft waarom je vraagt (vs. 21).
Ga de dialoog aan met deze stemmen, aldus het advies van de schrijver van onze tekst. Je heb iets in te brengen. Ten overstaan van God mag je tegen de stem van je geweten zeggen (vs. 20): ‘God is groter dan jouw verwijten. God weet alles, ook mijn falen. Zijn genade overwint beide, jouw verwijten en mijn falen. Zo kan ik verder.’ De geest krijgt ruimte, en dit overtuigt de gelovige ervan dat God in hem blijft (vs. 24).
‘Ik blijf,’ sprak de rank
Kun je van een rank vragen om vrucht te dragen? Vruchten komen uit de verbinding van een rank met de wijnstok (Joh. 15,5). Is de wijnstok gezond, de rank onbeschadigd, de grond goed en zijn de weersomstandigheden gunstig, dan draagt de rank vrucht. Vruchten groeien niet autonoom, maar in verbinding met de wijnstok. Kan een rank uit zichzelf de beslissing nemen om níet bij de wijnstok te blijven (15,4)? Moeilijk voorstelbaar. Als een rank afsterft, gebeurt dat omdat de verbinding met de wijnstok niet goed is en hij vanuit de wijnstok niet meer met het nodige verzorgd wordt.
Johannes zoekt de grenzen op van het beeld van de wijnstok, en maakt juist daardoor optimaal gebruik van de kracht van dit beeld. Telkens wanneer iets gevraagd wordt van de gelovige wat een rank nooit uit zichzelf zou kunnen doen, zoals blijven of vrucht dragen, of wanneer gedreigd wordt dat bij tekortkoming de rank wordt weggesnoeid en verbrand (15,2.6), kan de gelovige troost ontvangen uit de gedachte dat in verbinding met de wijnstok het gevraagde vanzelf ontstaat. De gelovige hoeft dus nooit te leveren wat buiten zijn mogelijkheden ligt.
Deze exegese is opgesteld door Martin Ruf.