Vurige wezens die onze fantasie prikkelen
Bij Ezechiël 1,1-14
In de ballingschap hoort Ezechiël de stem van JHWH. Dat is de grote verrassing van het eerste deel van het openingsvisioen (1,1-2,2). De tweede verrassing, uiteraard aan de eerste gelijk, is, dat die stem, die alle indrukwekkende of zelfs angstaanjagende beelden te bovengaat, dit mensenkind niet kleinmaakt, maar nu juist op zijn voeten zet. Dat we in het rooster dit eerste deel nu in tweeën knippen, heeft dus als bezwaar dat je de clou van het verhaal als het ware tot volgende week uitstelt. Of je dat oplost door die clou deze week al vast aan te kondigen, of dat je die als cliffhanger gebruikt – als de samenhang van het geheel maar duidelijk wordt.
Voordeel van in tweeën knippen is, dat er veel ruimte is voor details. En die biedt dit hoofdstuk in overvloed. ‘In het dertigste jaar’ – er staat niet bij van wie of wat. Maar gezien het feit dat Ezechiël als priester wordt gepresenteerd, is het verleidelijk om te denken dat het om zijn eigen leeftijd gaat. Volgens sommige tradities, die zich op Numeri 4 beroepen, is dertig de leeftijd waarop een priester tot alle priesterlijke functies wordt toegelaten. In ieder geval: de hemel gaat voor hem open!
Gegrepen door de hand van JHWH
Dat overkomt hem in het land van de Chaldeeën, waaruit Abraham ooit is vertrokken. De suggestie ‘terug bij af’ is evident. Met nadruk staat er ook, dat hij hier in ballingschap is. Vanaf nu is niet zijn leeftijd, maar die ballingschap het gebeuren dat zijn tijdrekening bepaalt. De tempel waar hij die priesterlijke functies zou mogen uitoefenen, is mijlenver weg. Des te groter de verrassing, dat hij nu toch hier het woord van JHWH te horen krijgt. Kennelijk is die JHWH niet aan dat huis gebonden, is, als het erop aankomt, werkelijk die hemel diens woning en zijn mensen dus nergens voor hem onbereikbaar. Wellicht wordt hier al de kritiek aangekondigd op dat huis, die verderop in Ezechiël volgt. En in ieder geval is duidelijk, dat het zodadelijk, in al die wonderlijke beelden, toch maar om één ding gaat: dat woord van JHWH. De impact van dat woord moet overigens niet worden onderschat: hij wordt erdoor gegrepen, letterlijk: de hand van JHWH was over hem.
‘Wit goud’
Wat er dan volgt, heeft door de eeuwen zeer tot de verbeelding gesproken. Geen wonder: zo vaak gaat de hemel niet open. En op alle andere plaatsen in Tenach ook alleen maar opdat er vanuit die hemel iets naar beneden komt: manna of milde regen, maar in Genesis 7 de regens die leiden tot de vloed. Maar hier, wordt hier een tipje van de sluier opgelicht? In de volgende verzen wemelt het van woorden als: ‘gelijkenis’, ‘eruitzien’, ‘ogen’ en ‘aanblik’. Dit alles is kennelijk slechts bij benadering. En dan nog maant de Talmud tot uiterste voorzichtigheid. Als Ezechiël 1 al wordt bestudeerd, dan alleen door een wijze – en dan volgen er eerst verhalen waarom die dat niet doen (bChagiga 13a). Een volgende hindernis is het onbekende woord chasjmal, dat alleen in het kader van deze verschijning voorkomt, in dit Ezechiël 1,4 en 1,27 en in Ezechiël 8,2. ‘Wit goud’ vertaalt de NBV, op grond van de Septuaginta, die elektronheeft. Dat betekent ‘barnsteen’, maar is verwant met het woord voor ‘stralende zon’ en wordt daarom ook gebruikt voor een legering van goud en zilver die dat goud nog lichter, helderder maakt: ‘wit goud’ dus, en dan eerder als suggestie dan als materie gedacht. Eén bladzijde verder in de Talmud wordt dat onbekende woord opgevat als een afkorting van chasjothen melalleloth, wat ‘zwijgend’ en ‘sprekend’ betekent. Dat wil zeggen: als het gezegde uitgaat van de Heilige-gezegend-hij, zwijgen ze, en als het gezegde niet uitgaat van de Heilige-gezegend-hij, spreken ze – oftewel: let maar niet op ze.
Jongensdroom
Eerder godsbeelden dus dan gelijkenis van God. Daar staan ze zelfs lijnrecht tegenover, wanneer ze ‘de gelijkenis van een mens’ hebben (vs. 6) terwijl mensen volgens Genesis 1 nu juist naar de gelijkenis van God zijn geschapen. In de traditie worden ze hoog in ere gehouden: Hiëronymus gebruikt mens, leeuw, stier en adelaar maar liefst voor de vier evangelisten, met groot succes. Maar mij lijken het toch vooral beelden zoals mensen zichzelf dromen, met bovenmenselijke gaven. Vleugels zodat ze kunnen opstijgen, koperen hoeven – hardheid lijkt mij de suggestie, maar een kalf is ook een populair godsbeeld, weten we uit Exodus 32. En die vier gezichten vertegenwoordigen respectievelijk de machtigste van de schepping, de machtigste van de wilde dieren, de machtigste van de getemde dieren, de machtigste van de vogels. De mens dus als baas over alles. Het getal vier (de wezens, de vleugels, de gezichten) vertegenwoordigt, net als in hoofdstuk 37, het visioen van de dorre doodsbeenderen, de vier windstreken, oftewel heel de aarde. Als dat geen jongensdroom is …
Aan de andere kant zijn er ook overeenkomsten met de cherubs in de tempel in Ezechiël 10,9-14. Naast de handige mensenhanden onder de vleugels hebben die ook vier gezichten. Alleen is daar de stier vervangen door een cherub – een stier zou te veel doen denken aan het gouden kalf, aldus de Talmud (b Chagiga 13b). Dat de vleugels van de wezens ‘gezusterlijk’ met elkaar verbonden zijn, zoals er letterlijk staat in Ezechiël 1,8, is misschien wel een verwijzing naar de tabernakel, waarvan in Exodus 26 tot vier keer toe hetzelfde wordt gezegd van tentkleden en planken. Intrigerende, vurige wezens dus, die onze fantasie prikkelen en onze greep op de werkelijkheid betwisten. Mij doen ze denken aan de transformersdie twintig jaar geleden in videoclips figureerden en daarna kinderspeelgoed werden. Maar een collega zag er eerder reclamezuilen in – over fantasie gesproken. Alleen dat ze gaan waarheen de geest ze laat gaan – is dat vrijheid of is dat gehoorzaamheid?
Een band met het evangelie van deze zondag, Marcus 1,2939, zie ik niet direct. In alle aardsheid gebeurt daar eerder het tegendeel. Alleen die ongrijpbaarheid – die is in het evangelie kennelijk ook van belang.