Waar ben je en wat heb je gedaan?
Terwijl we in Genesis 1 hoorden hoe in beginsel de schepping ‘goed’ en zelfs ‘zeer goed’ wordt genoemd, maakt de mensheid zich een wereld waarin een heleboel niet goed is. Waarom wordt alle menselijke kennis niet alleen ten goede, maar ook ten kwade gebruikt? Het verhaal van de zogenoemde ‘zondeval’ bespreekt deze vraag.
Het lijkt er wel op alsof mensen elkaar (en zichzelf) het goede niet altijd gunnen. Dan klinkt er een stem: het kan niet waar zijn, dit geluk, er moet wel iets aan mankeren. Soms ben je het zelf en soms is het een ander die niet kan geloven dat iets gewoon echt ‘goed’ is. In het verhaal van Genesis 3 is het de slang die op zoek gaat naar het zwakke plekje in het ruimhartige aanbod van JHWH God aan de mens en zijn vrouw.
In veel oosterse tradities symboliseert de slang (Hebr.: na- chasj) wijsheid. In onze cultuur komt de slang voor in het teken van de esculaap. Het gif van de slang kan doden, maar kan ook als geneesmiddel helen. De slang staat voor dubbelheid, een dubbele tong.
In Genesis 3,1 wordt gezegd dat de slang ‘slimmer’ of ‘listiger’ (Hebr.: ‘aroem) is dan alle levende dieren van het veld. Dat woord lijkt op een ander Hebreeuws woord in 2,25: ‘arom, ‘naakt’. Juist dat woord ‘naakt’ zal in verschillende vormen een belangrijke rol spelen in Genesis 3(,7.9.11).
Theologisch gesprek
Het aanbod van JHWH God is dat de mens ‘mag eten van álle bomen in de tuin’ (Genesis 2,16). De enige boom die wordt uitgezonderd van het aanbod is ‘de boom van de kennis van goed en kwaad’ (Genesis 2,17). Het ruime aanbod van JHWH God wordt door de slang verdraaid en omgekeerd in zijn spreken tot de vrouw: ‘heeft G/god(en) (Hebr.: ’elohim) echt gezegd, níet (Hebr.: lo’) zullen jullie eten van alle bomen van de tuin?’ (Genesis 3,1). Zo wordt het aanbod van JHWH God een vérbod. De slang noemt God ook niet langer bij zijn eigennaam ‘JHWH God’ (spreek uit: ‘de Eeuwige God’), maar noemt Hem kortweg ‘G/od(en)’. Met zijn naam JHWH treedt JHWH God altijd in relatie met mensen, zoals we zullen zien (Genesis 3,9).
De vrouw gaat mee in het ‘theologische’ gesprek van de slang. Zij lijkt het ruimhartige aanbod van ‘álle bomen behalve die ene’ vergeten en spreekt slechts over ‘de vrucht van de bomen van de tuin’ (Genesis 2,2). Ook zij gebruikt niet langer de naam JHWH God, maar spreekt over ‘G/god(en)’ (Genesis 3,3). Als zij zegt: ‘de vrucht van de boom midden in de tuin’ (Genesis 3,3), denkt zij nu alleen aan die ene, verboden boom. Ze vergeet dat in het midden van de tuin allereerst een andere belangrijke boom staat: ‘de boom van het leven’ (Genesis 2,9). Die twee bomen mogen niet verwisseld worden (Genesis 3,22-24).
G/god(en) gelijk willen zijn
De slang en de vrouw hebben het ‘gebod’ (van het Hebreeuwse werkwoord tsawah) van JHWH God om niet te eten van de boom van kennis van goed en kwaad wel goed gehoord (Genesis 2,16-17). Als je daarvan eet, zul je ‘sterven, ja sterven’ (Hebr.: mot tamoet), zegt JHWH God (Genesis 2,17). De vrouw herhaalt het woord ‘sterven’ (Hebr.: temoetoen – Genesis 3,3). De slang herhaalt de hele formulering, waarbij hij opnieuw begint met een ontkenning: ‘Níet zullen jullie sterven’ (Hebr.: lo’-mot temoetoen – Genesis 3,4) en vervolgt: ‘(…) jullie zullen zijn als G/god(en), wetend van goed en kwaad’ (Genesis 3,5). De slang brengt het ‘weten (Hebr.: jada‘) van goed en kwaad’ in verband met het G/god(en) gelijk willen zijn. Deze verleiding maakt de vrucht van de boom zeer aantrekkelijk. De boom is nu ‘een lust (Hebr.: ta’awah) voor de ogen’ en ‘begerenswaardig (Hebr.: nechmad) om tot inzicht te komen’ (Genesis 3,6). Er zit echter een addertje onder het gras bij deze verleiding. Niet voor niets had JHWH God de mensen voor de kennis van goed en kwaad willen sparen. Als de ogen van de mens en zijn vrouw opengaan, zien ze in de eerste plaats hun eigen situatie als mens onder ogen: de condition humaine. Ze zijn ‘bloot’, ‘naakt’ (Genesis 3,7.10.11). De ‘ogen’ (Hebr.: ‘einajim) spelen hier een belangrijke rol (Genesis 3,5.6.7). Bij de ‘kennis van goed en kwaad’ denken wij aan ethiek als een belangrijke factor in de ontwikkeling van het denken van mensen. Heel ontnuchterend is dat het feitelijke gevolg van de ‘kennis van goed en kwaad’ hier betekent dat mensen hun naaktheid, hun kwetsbaarheid, hun onvolmaaktheid onder ogen zien. Bescherming van deze menselijke naaktheid wordt op vele manieren geboden in de hele Tora.
JHWH God beschermt en begrenst het onheil
Nog even is er sprake van een paradijselijk beeld: de mens en zijn vrouw horen ‘de stem (Hebr.: qol) van JHWH God gaande door de tuin’ (Genesis 3,8). Hier genieten ze niet van, maar ze verbergen zich vanwege hun naaktheid (Genesis 3,8). In dit gedeelte komt JHWH God vijf keer voor (Genesis 3,8-14). Vijf is het getal van de Tora. Door de inclusie met vers 3,1 vormt de Naam een beschermende cirkel rondom alle narigheid. JHWH God gaat op zoek naar de mens en roept: ‘Waar ben je?’ (Hebr.: ’ajjekkah – 3,9). Dit is net zo’n existentiële vraag als in Genesis 4,9: ‘Waar is je broeder?’
Wanneer de mens in zijn uitleg de schuld op de vrouw (‘die jij mij gegeven hebt’ – 3,12) probeert af te schuiven, stelt JHWH God ook haar een vraag: ‘Wat heb je gedaan?’ (Hebr.: mah-zot ‘asit). De vrouw schuift de schuld door naar de slang (Genesis 3,13). Met enige humor wordt verteld hoe mensen de schuld altijd weer proberen door te geven aan een ander. Onze tekst eindigt wanneer JHWH God een grens stelt aan alle onheil door de slang te straffen (Genesis 3,14).
Bij Genesis 3:1-14