Menu

Basis

‘Waar ik absoluut allergisch voor ben, is de kerk van de uitverkorenen’

Martine Meijers gaat in gesprek met Niek Everts (Bree, 1967), straatpastor in Antwerpen en bezielster van ’t Vlot, een dagopvang voor mensen aan de rafelrand van de maatschappij. Niek vertelt hoe ze bij ’t Vlot betrokken is geraakt, waarom de mensen die daar aankloppen haar raken en legt het belang uit van de presentiemethode in haar werk. “Niet invullen, maar waarnemen. Dus een man met gaten in zijn schoenen is een man met gaten in zijn schoenen, niet een man met kapotte schoenen.”

Kun je kort vertellen waar de naam ’t Vlot vandaan komt en waar ’t Vlot voor staat?

“Er ontstond op een gegeven moment een straatpastoraat in Antwerpen. In de werkgroep straatpastoraat zaten drugsgebruikers, mensen uit de kerk, en mensen uit het welzijnslandschap. Frans van Steenbergen, een priester-psycholoog die er ook bij betrokken was, had een schilderij gemaakt met een vlot erop. Dat legde hij zo uit: we worden allemaal geboren en hebben bestaansgrond onder ons. Voor de ene is dat een heel groot stuk grond, waar je op kunt staan en bewegen, en voor de andere is dat maar een heel klein stukje grond waar je heel gemakkelijk af valt. Als degene die een groot stuk heeft dat verbindt met anderen die grote stukken hebben, dan kunnen degenen met een klein stukje grond daarbinnen opgenomen worden. En dan kun je samen een vlot vormen.”

“’t Vlot wil als dagopvang een veilige basis zijn. Ze wil mensen een bestaansgrond bieden, een grond om op te staan. Ons uitgangspunt daarbij is ‘basic trust’: een psychologisch begrip waar Van Steenbergen enthousiast over was en waar hij zijn schilderij van het vlot op baseerde. De mensen om wie het draait in ‘t Vlot zijn mensen die die basic trust ofwel nooit gekregen hebben, ofwel verloren hebben door trauma waardoor hun basisvertrouwen zeer klein is of gaten vertoont. We proberen om door verbinding met elkaar het basisvertrouwen op zijn minst een klein beetje te vergroten. Dat is ons uitgangspunt.”

We proberen om door verbinding met elkaar het basisvertrouwen op zijn minst een klein beetje te vergroten

’t Vlot is opgestart door een vraag aan jouw adres, in 2001, van de belangenvereniging voor drugsgebruikers…

“Ja. Je noemt me de bezielster van ’t Vlot, maar eigenlijk waren de mensen die aan het Bisdom Antwerpen aanklopten met de vraag een dergelijke organisatie op te zetten de ware bezielers. Ik noem ze dan ook mijn werkgevers.”

“Na de eerste startperiode breidde de doelgroep vrij snel uit naar dakloze mensen, mensen met een psychiatrisch profiel, mensen van verschillende origine zonder geldige verblijfsvergunning, allerlei mensen in nood eigenlijk. Mensen die door een combinatie van factoren die hen overkwam, terechtkwamen in een leven in de marge. We wilden inclusief zijn, en niet aan mensen moeten vragen: ‘Ben je een drugsgebruiker, zo ja dan zijn we er voor jou, zo neen, dan niet’.”

Werd er voor die tijd in Antwerpen vanuit de kerk niets georganiseerd voor die mensen?

“Nee, vanuit de kerk was er op dat moment nog niets voor dit publiek. Door de overheid werden wel opvangplaatsen voorzien. Veel beperkter dan nu, maar die waren er wel.”

Waarom was het veel beperkter dan nu? Omdat er minder aandacht voor was?

“Nee, de scene was 25 jaar geleden gewoon veel kleiner.”

Hoe komt het dat de scene zoveel groter is geworden, volgens jou?

“Tja, hoe komt dat? Door de staat van de wereld, lijkt me. De neoliberale samenleving, waar de rijken rijker worden en de armen armer. Toen ik in 1996 in Zuid-Afrika was en iemand op de grond zag liggen slapen, dacht ik: ‘Wat gebeurt hier? Er ligt een mens op straat en iedereen loopt er gewoon voorbij? Hoe kan dat?’ Toen zag ik dat in Antwerpen absoluut nog niet, het fenomeen van ‘er ligt een mens op straat en iedereen loopt gewoon voorbij’. Nu zie ik dat elke avond. Mensen worden meer dan vroeger aan hun lot overgelaten.”

‘Wat gebeurt hier? Er ligt een mens op straat en iedereen loopt er gewoon voorbij?’

Waar gingen ze dan vroeger naartoe?

“Vroeger konden mensen die niet volledig konden meedoen in de maatschappij, om welke reden dan ook, wel ergens onderdak vinden bij familie, of een taak uitvoeren die minder vraagt. Vandaag is dat allemaal veel meer aan regels gebonden. En als je niet aan de regels voldoet, val je buiten de boot.”

“Kijk, elk dorp had vroeger zoiets van ‘Er is iets met die persoon, maar we nemen dat er wel bij.’ Nu denk ik dat we in een systeem terecht gekomen zijn waar alles en iedereen sneller gaat, een systeem dat ook individualistischer is. Zorg wordt niet meer geregeld door elkaar te helpen, maar steeds meer overgelaten aan de professionals. Het wordt vanzelfsprekend gevonden dat overheidsinstanties wel klaar zullen staan om op te vangen wie niet past in ons systeem. Ik zeg niet dat het leven vroeger gemakkelijker was, maar ik denk dat er wel meer tijd en zorg was voor elkaar.”

Zorg wordt niet meer geregeld door elkaar te helpen, maar steeds meer overgelaten aan de professionals

Even terug naar de vraag die je kreeg om een inclusieve dagopvang op te starten. Hoe komt het dat de belangenvereniging jou wist te vinden? Wat is jouw achtergrond?

“Ik was stil en verlegen als kind, maar ik kon niet tegen onrechtvaardigheid. Ik herinner me dat er op de lagere school groepjes waren in de klas. Ik wilde me niet aansluiten bij zulke groepjes, maar opkomen voor de zwakkeren.”

“Ik denk dat ik mijn groot rechtvaardigheidsgevoel van mijn moeder heb. Mijn beide ouders groeiden op in een boeren arbeidersgezin. In een gedemocratiseerd Vlaanderen vonden zij door hard werken een plaats voor zichzelf en hun kinderen. Ik groeide daardoor op in een gezin dat behoorde tot de middenklasse. Maar de vraag ‘mogen wij er écht bij horen’, dat was wel de strijd van mijn moeder. Mijn vader was veel rustiger. Als mijn moeder het gevoel had dat zij of wij onrechtvaardig behandeld werden, ging ze er voluit tegenaan.”

“Toen ik me aansloot bij de jeugdbeweging, Chiro heet dat in Vlaanderen, kon ik oefenen in rechtvaardigheid voor iedereen, en inclusief denken. Zeker nadat ik leidster werd op mijn zeventiende, stond ik daarop: Iedereen hoort erbij. We doen het samen. Ieder heeft een plaats.”

Hoe heeft dat verder vorm gekregen in jouw leven?

“Toen ik Chiroleidster geworden was wist ik dat ik de rest van mijn leven Chiroleidster wilde blijven”, verklaart Everts stralend. “Ik studeerde sociale pedagogiek, een universitaire studie omdat mijn moeder dat graag wilde. Maar het was zo theoretisch allemaal. Let wel, ik ben blij dat ik het gedaan heb omdat ik daardoor een breed zicht heb op een bepaalde manier kan kijken en denken. Mijn eerste job sloot ook perfect aan bij deze studie: ik was provinciaal verantwoordelijke educatief medewerker bij de Chiro, dat heb ik vier jaar gedaan. Daarna woonde ik als vrijwilliger in een opvanghuis voor mensen die net uit de gevangenis waren vrijgekomen. Dat was enorm boeiend, interessant, confronterend ook. En ik besefte: ik wil met dit soort mensen werken. En eigenlijk wil ik pastoraal werk doen.”

“Toen ze in Antwerpen op zoek waren naar pastors die zich op de jeugd richten, ben ik op die kar gesprongen. Een heel fijne tijd. We hebben een wereldwinkel opgericht, we deden poëzieavonden, we waren met van alles bezig. En het bewoog zich op de grens van het  maatschappelijke en filosofisch-gelovige. Het draaide om intuïtief zoeken.”

“Maar ik bleef ook voeling houden met mijn diepste wens: werken met mensen die in moeilijke omstandigheden leven. Ik dacht onder andere aan een job als gevangenisaalmoezenier. Toen de belangenvereniging voor Antwerpse drugsgebruikers in 2001 kwam vragen of ik iets voor hen kon doen, vond ik dat enorm uitdagend, ook wel beangstigend, maar de keus was snel gemaakt”

Waar vonden jullie een plek om de mensen te ontvangen?

“We zochten naar een kerk als ruimte voor ‘t Vlot, ook omdat dat specifiek gevraagd was door de belangenvereniging. Ik kon me daarin vinden. En ik wilde nadrukkelijk niet dat ’t Vlot het zoveelste instituut zou worden dat ontstaan was vanuit een kerk of geloof maar dat die identiteit achter zich had gelaten omwille van secularisatie of in ruil voor financiële zekerheid of subsidies, en dat zich om die reden uiteindelijk zou aansluiten bij een overheidsinstantie. We wilden echt dat kerkelijk gezicht wel zijn.”

Ik wilde nadrukkelijk niet dat ’t Vlot het zoveelste instituut zou worden dat ontstaan was vanuit een kerk of geloof maar dat die identiteit achter zich had gelaten omwille van secularisatie of in ruil voor financiële zekerheid

“Die kerk hebben we gevonden in de vorm van de Heilig Hartkerk in de Lange Beeldekensstraat in Antwerpen. In het woongedeelte naast de kerk huurden we na het vertrek van de laatste Witte Paters een verdieping en richtten het in als gezellige huiskamer. Met het idee dat mensen die geen thuis hebben, daar thuis kunnen komen. We bleven er van 2003 tot 2020, zeventien jaar. Elke dinsdag en donderdagnamiddag was de huiskamer open. Een team van vrijwilligers ontving de mensen.”

“In volle coronatijd hebben we de huiskamer verruild voor de kerk zelf. Omdat we een grotere ruimte nodig hadden. Daarna mochten we in de kerk blijven van de parochie. Het was een belangrijke stap, en ik ben nog altijd blij dat we die hebben kunnen zetten. Dat we letterlijk van de kerk een huiskamer konden maken. Een onthaalplek, een veldhospitaal, hoe je het ook noemt.”

Klopt het dat ‘t Vlot een ‘open deur’ organisatie is, waar je gewoon mag komen, mag zijn, met als doel een bepaalde rust te vinden?

“Ja, een rustplek. We zetten in op het bieden van een veilige plek. Mensen kunnen koffie of soep nemen. Maar wat wij aanbieden is vooral: een aantal vrijwilligers die daar zijn. Onze medewerkers, dat zijn mensen die best wel tegen een stootje kunnen, die wel wat basisvertrouwen hebben meegekregen in het leven. Het zijn pilaren waar de anderen tegenop kunnen lopen, zonder dat het vlot zinkt. Zonder dat er iemand uit de boot valt.”

Hoe gaat dat in zijn werk?

“Mensen komen binnen, en kiezen zelf of ze zin hebben om met iemand te praten of niet. Sommigen gaan met elkaar in een kring zitten praten, anderen gaan ergens alleen zitten, weer anderen zoeken iemand om mee te praten. Er ontstaan connecties, soms duren die jarenlang. Mensen die op een veilige plek, een veilig iemand vinden. Bij wie ze zichzelf mogen zijn. Heel belangrijk is dat de vrijwilligers heel goed doorhebben, en oefenen, wat het is om present te zijn.”

‘Present zijn’, kun je dat omschrijven?

“Bij de opstart van ’t Vlot hebben we uiteraard ook nagedacht over de vraag vanuit welke theologische visie we het project wilden organiseren. En we ontdekten in 2002 dat theoloog Andries Baart een doctoraat heeft geschreven over de methodiek van de presentie. Baart liet pastores die werkten in achterstandswijken dagboeken bijhouden over hun dagelijks werk. Uit die dagboeken destilleerde hij de methodiek van de presentie. Zijn methodiek was meteen heel populair bij straathoekwerkers, en ook wij herkenden ons erin.”

“De kern van de presentiebenadering is aanwezig zijn. Aanwezig zijn als methode op zich. Vanuit aanwezig zijn openstaan voor relatieopbouw. Je werkt niet naar een doel toe, maar bouwt aan een relatie. Je staat open voor relatie zonder dat je de ander wilt veranderen. Onvoorwaardelijk. Relatie in functie van de ander. Wij zijn present en de ander is onze gids. Het draait om de ander. En je eigen rol is vooral ‘zijn’ en blijven staan. Langzaam kan er ook een wederkerigheid ontstaan die de relatie versterkt.”

Je werkt niet naar een doel toe, maar bouwt aan een relatie. Je staat open voor de relatie zonder dat je de ander wilt veranderen

“Wat voor mij heel belangrijk is in presentie, is iets dat nooit vanzelfsprekend is: het perspectief van de ander opzoeken, je laten verrassen door het perspectief van de ander. En vanuit het perspectief van de ander naar de wereld durven kijken.”

Je bent coördinator van ’t Vlot…

“Klopt. Ik begeleid vrijwilligers en stagiaires, zamel geld in, organiseer trainingen en uitvaarten. En binnen het bredere werkveld ben ik voorzitter van het straatoverleg. Het straatoverleg komt maandelijks samen met basiswerkers vanuit de dagopvang, nachtopvangcentra, Dokters van de Wereld, Kamiano, medische centra, jongerenwerkingen, Free Clinic, dat soort organisaties. We delen wat er gebeurt op straat, bespreken wat goed gaat, waar nood aan is, waar betere samenwerking mogelijk is. Welk beleid er wordt gevoerd en welke impact dat voor onze mensen heeft. Het netwerken is heel belangrijk, ook dat we het eigen ei wat kwijt kunnen. We nemen ook een signaalfunctie op ons en formuleren wat beter kan in een breder beleid voor dak- en thuislozen.”

“Maar we merkten ook dat we binnen het straatoverleg op een aantal beperkingen stuitten wat betreft die signaalfunctie. ’t Vlot is de enige niet-gesubsidieerde organisatie daarbinnen, dus de basiswerkers van organisaties die wel afhankelijk zijn van subsidies kwamen soms in nauwe schoentjes te staan als we te sterk de signaalfunctie op ons namen. Het werd te complex. Onder meer daarom is enkele jaren geleden het Antwerps Straatsyndicaat opgericht: een collectief van burgers, waar mensen die er komen, spreken op persoonlijke titel en niet namens een organisatie. Via het Straatsyndicaat proberen we goede initiatieven in het leven te roepen voor onze straatbewoners en daar waar het nodig is om actie te ondernemen.”

“Het is denk ik ook goed om de Hartelijke Plekken te noemen: wanneer iemand in een café een extra drankje betaalt, wordt er voor dat betaalde drankje een hartje opgehangen. Een willekeurig persoon mag zo een hartje nemen, en een drankje genieten dat al betaald is. Dit concept hebben we in Antwerpen opgepikt vanuit het gegeven dat mensen steeds minder ruimte krijgen binnen de publieke ruimte. Je hebt de ‘have’s’, die doen wat ze willen in de openbare ruimte, en de ‘have nots’, die enerzijds op de straat zijn aangewezen en anderzijds niet op de straat mogen zijn. Hartelijke plekken creëert een plekje in de semipublieke ruimte waar de ‘have nots’ wel mogen zijn. We zijn altijd op zoek naar nieuwe ‘Hartelijke Plekken’. Eigenlijk zoeken we altijd naar allerlei manieren om de stem van de straatbewoner hoorbaar te maken.”

Wanneer iemand in een café een extra drankje betaalt, wordt er voor dat betaalde drankje een hartje opgehangen. Een willekeurig persoon mag zo een hartje nemen, en een drankje genieten dat al betaald is

Wat moeten de stagiaires die bij jullie komen leren?

“Als ik stagiaires begeleid, moeten ze van mij vooral oefenen in het loslaten van hun eigen referentiekader. Vanuit tabula rasa bij de ander aanwezig zijn, en dan in de waarneming gaan staan. Niet invullen, maar waarnemen. Dus een man met gaten in zijn schoenen is een man met gaten in zijn schoenen, niet een man met kapotte schoenen.”

“Mensen krijgen de opdracht een dagboek bij te houden, en daarin waarnemingen te noteren, maar ook te noteren wat ze bij hun waarnemingen dachten en voelden. Het is heel belangrijk om te starten met waarneming, maar we moeten zeker ook plaats inruimen voor gevoelens en gedachten, want die kun je niet uitschakelen.”

“En waar je in het voelen en denken komt, kom je op je persoonlijk strijdtoneel terecht. Dat strijdtoneel onder ogen zien en onderzoeken, is een heel belangrijke opdracht. Hoe meer ik in staat ben te dealen met mijn eigen strijdtoneel, hoe meer ik in staat ben om uit het perspectief van de ander naar de wereld te kijken, hoe meer ik in staat ben om daar niet van alles tussen te laten schuiven, en hoe meer ik in staat ben werkelijk te luisteren en te kijken wat de ander ziet.”

En waar je in het voelen en denken komt, kom je op je persoonlijke strijdtoneel terecht. Dat strijdtoneel onder ogen zien en onderzoeken, is een heel belangrijke opdracht

Waarschijnlijk is dit ook voor je medewerkers en jezelf van belang?

“Zeker. Altijd opnieuw. De vrijwilligers en ik hebben om de zes weken een trainingsdag. Waar we dan telkens opnieuw vanuit de methodiek van de presentie werken. We organiseren dat zelf. We inspireren elkaar. Soms zijn er ook collega’s die deze trainingen mee organiseren, bijvoorbeeld de stadspredikant, die met hetzelfde publiek werkt vanuit dezelfde methodiek.”

Zijn er nog andere standpunten belangrijk als je werkt in ’t Vlot?

“Het is ook belangrijk dat medewerkers zicht krijgen op het brede werkveld en dat iedere medewerker weet wat zijn of haar plek is in dat werkveld. Want vooral nieuwe medewerkers denken al snel dat ze dingen moeten oplossen voor onze bezoekers, of dat ze alles voor een ander moeten beginnen te doen. Dan is het goed dat ze weten dat er heel wat organisaties zijn die zich met allerlei vormen van hulpverlening bezig houden, en dat wij dat dus niet hoeven te doen.”

“Of soms denken mensen dat ze moeten kunnen doorverwijzen naar allerlei voorzieningen en instanties. Mensen de weg wijzen als het ware. Maar onze bezoekers weten dat misschien al, en komen daar ook niet voor naar ’t Vlot. Leer kijken naar die persoon en wat die weet en kent, en leer daarvan. En als die ander aan jou dingen kan leren, groeit bij hem of haar ook het basisvertrouwen.”

Leer kijken naar die persoon en wat die weet en kent, en leer daarvan

“Het loslaten van je eigen kader, dat toelaten, dat is een hele oefening, voor ons allemaal. Niet oordelen – het is niet gemakkelijk. Ook ik kom soms in situaties waar ik mezelf erop betrap dat ik oordeel, en besef: ik leer aan mijn stagiaires hoe ze in het perspectief van de ander moeten gaan staan, en ondertussen ben ik er zelf niet altijd consequent in. Het blijft een aandachtspunt.”

Zijn er naast de presentiebenadering nog andere werkwijzen mogelijk?

“De belangenvereniging voor drugsgebruikers werkte met ‘harm-reduction’: schadebeperkend werken. Drugsgebruik wordt binnen dat gedachtengoed geaccepteerd als iets dat er nu eenmaal is. Maar je gaat wel op zoek naar hoe je de schade kunt beperken. Net zoals met alcoholgebruik bijvoorbeeld: er is niemand die moeilijk doet als je een aantal keren per week een glaasje drinkt, zolang het je leven niet volledig overneemt en gaat beperken.

En zo is dat met gebruik van drugs ook. De mensen zeggen: ‘Wij zijn gebruikers, het hoort bij ons. Jammer genoeg – of misschien voelt het soms ook goed omdat het ons blijere mensen maakt (lacht). Drugs kanaliseert onze emoties, staat ons toe meer van het leven te genieten, en niet enkel grijs en grauw en zwart te zien. Middelengebruik zien als een manier om het leven beter de baas te kunnen, dus. Je accepteert je afhankelijkheid ervan maar probeert tegelijk te zoeken hoe de schade beperkt kan worden – ‘want ja, we zitten wel met die verslaving’. Het harm-reduction denken en de presentiebenadering sluiten op elkaar aan.”

Middelengebruik zien als een manier om het leven beter de baas te kunnen

“Nog een andere mogelijkheid vanuit theologisch oogpunt bekeken, is het afkicken in een klooster, door een zeer gestructureerd leven van werken, bidden, slapen. Wellicht hadden we met die werkwijze ook iets kunnen doen, maar het was niet onze keuze. Het sloot niet aan bij mij en ook niet bij onze doelgroep. Omdat het voelde als een optie voor de ‘happy few’. Het is ook een geloof dat niet meteen bij mij aansluit: clean worden door te bidden. Voor mij voelt dat alsof je de ene roes vervangt door de andere roes. Maar ik ken zeker ook mensen die door in een dergelijk programma te stappen, weer een leven hebben opgebouwd.”

Toch zeg je, ik vind dat voor de happy few. Wat bedoel je daarmee?

“Er zijn maar weinig mensen die dit kunnen. Die erin stappen, en het volhouden.”

Je doelt dus met happy few niet op een elite maar dat het enkel zou aanslaan bij een zeer kleine groep mensen…

“Ja. Ik denk dat, als je echt heel weinig basic trust hebt en het moet doen met een getraumatiseerd leven, je weinig kans hebt dat deze methode werkt, dat het lukt.”

Omdat het niet genoeg stabiliteit biedt?

“Als je in een klooster gaat om af te kicken, voor een jaar of een paar jaar, kan het daar goed zijn, maar op een bepaald moment moet je terug naar die wereld. Die grote boze wereld. En dan moet je ook de tools hebben om dat te kunnen. Ik denk dat je dat alleen maar kunt als je een sterke innerlijke kern hebt. En ik zie bij veel mensen die wij intussen ontmoet hebben in ‘t Vlot, dat dat nu juist de moeilijkheid is. Dat de ondergrond van mensen vaak zo labiel is. Dat je daar wel rond kunt gaan staan om die te verstevigen, maar dat mensen er niet in slagen die uit zichzelf stevig te houden.”

En via de presentiebenadering kun je dan meer voor mensen betekenen?

“Dan ga je eromheen staan. Maar wat we eigenlijk symbolisch doen is ‘als familie zijn’. En ik denk dat familie hebben of geen familie hebben een groot verschil kan maken voor mensen. Een gevoel van geborgenheid. Een gevoel van, ‘Ik mag er zijn en ik hoor ergens bij. En ik ben daar altijd welkom, wat er ook met mij gebeurt, wat ik ook uitvreet.’ Ik denk dat dat binnen ‘t Vlot onze taak is. Onze boodschap is: je bent altijd welkom want je hoort bij ons.”

En dat werkt.

“Ja, dat werkt.”

Jullie hebben dus een methodiek vanuit christelijk oogpunt omarmd, jullie hebben een kerk gevonden om mensen te ontvangen. Maar er is ook geld nodig om het project te laten draaien. Klopt het dat jullie dat doen op basis van giften?

“Inderdaad, wij ontvangen geen subsidies. Want de overheid vraagt in ruil voor subsidie dat je doelen stelt. Het liefst hun doelen. En dat je die dan ook bewijsbaar verwezenlijkt. Dat past dus niet binnen onze visie. Als er al doelen worden gesteld, worden die niet gesteld door de overheid maar door onze mensen.”

Maar je vindt dus middelen om de werking te doen draaien?

“Ik geloof heilig in de Voorzienigheid – al laat die me soms wel wat in de steek en zitten we soms echt op zwart zaad.”

Sprekend over de Voorzienigheid komen we natuurlijk uit bij het geloof. Je zegt dat je het belangrijk vindt dat ’t Vlot een organisatie is die uitgaat van de kerk en dat het belangrijk is die identiteit vast te houden. Maar tegelijk weet ik dat je heel kritisch kunt kijken naar kerk en geloof. Hoe sta jij zelf in geloof en welke rol speelt dat binnen jouw werk?

“Ik groeide op in een katholiek gezin maar het gebed en de mis, dat waren zaken die gevoelsmatig redelijk ver van me af stonden. Het gemeenschapsleven, de inspiratie die ik opdeed in de jeugdbeweging, dat sprak veel directer tot mij. Wat voor mij in daarin belangrijk was, was zoeken naar de vaardigheid om recht te doen aan mensen. Maar ook ervaarde ik intuïtief het bestaan van iets heel groots als we met de hele groep samen waren onder de sterrenhemel.”

Maar ook ervaarde ik intuïtief het bestaan van iets heel groots als we met de hele groep samen waren onder de sterrenhemel

“Voor mij speelt de eucharistie zich vooral af in de ontmoeting met de ander. Als ik op een namiddag in ‘t Vlot zie hoeveel er wordt gebroken en gedeeld met elkaar, dan zie ik daar eucharistie gebeuren. En dan mag ik daar deel van uitmaken.”

Dat is voor jou een spirituele ervaring?

“Ja, er zit voor mij een grote mystieke kant aan het werk. Als ik helemaal tot mij laat doordringen wat er gebeurt kan ik er enerzijds heel emotioneel maar anderzijds ook heel blij van worden.”

Waarvan dan precies?

“Van wat er gebeurt. Het gebeuren op zich. Binnen ‘t Vlot of bij een ontmoeting op straat zie ik vaak zoveel eucharistie gebeuren. Ik weet dat je dat ook kunt hebben in een gebedsdienst, of als je in een kring zit tijdens een dienst, of door middel van rituelen. Maar ik beleef de mystiek, het aanvoelen van een groter geheel, vooral in de dagelijkse realiteit, in díe ontmoeting, in wat ik dáár zie gebeuren.”

“Waar ik absoluut allergisch voor ben, is de kerk van de uitverkorenen. Want volgens mij zijn we allemaal uitverkoren. Elk mens is evenveel uitverkoren. Ik ga me niet aansluiten bij een club om dan uitverkoren te zijn.”

En met ‘uitverkoren’ bedoel je…

“Het idee ‘Wij zijn beter dan de rest’. ‘Wij stappen op de ark en wij worden gered, en de rest gaat jammer genoeg dood’. Daar kan ik echt niet tegen, want dan stap je in het wij-zij denken. En voor mij gaat het juist heel sterk over verbinding tussen alles en iedereen.”

“Wat ik heel boeiend vind is het Ubuntu gedachtengoed: ‘Ik ben omdat wij zijn’. Ik kan zijn als de kleinste schakel meedoet, aangeschakeld wordt, wanneer we die niet achterlaten. Dus we moeten met z’n allen zo bewegen dat ook de kleinste schakel mee kan doen.

We zijn allemaal uitverkoren om de beste versie van onszelf te leven. De meest liefdevolle versie, de meest verbindende versie. En voor mij, als het gaat over het christelijk geloof, geloof ik dat Jezus een figuur was die dat ten diepste leefde. En die daardoor, en door zijn menswording, een heel humane boodschap voor de wereld had. En van daaruit, ook vanuit het staan in het perspectief van de ander, kun je niet anders dan het mensenrechtenverhaal voorop stellen. En van daaruit vinden wij het ook belangrijk in ’t Vlot dat, ook als je zonder wettig verblijf leeft, ook als je al heel je leven drugsverslaafd bent, ook als er geen perspectief is op een ander leven, je gewoon mens mag zijn en gerespecteerd wordt.”

We zijn allemaal uitverkoren om de beste versie van onszelf te leven. De meest liefdevolle versie, de meest verbindende versie

En dat is de reden waarom je het belangrijk vindt je te identificeren als een christelijke organisatie: omdat Christus ook de kwetsbare mens opzocht?

“Ik denk dat het verschil met het humanisme is dat wij geloven in de Voorzienigheid, in het mystieke, het verrijzenisgeloof. De overtuiging: er is meer. Er zijn perspectieven die we niet kennen, die we niet zien.”

“Ik ben dus ook veel bezig met uitvaarten, dat weet je. Uitvaarten van straatbewoners die sterven. En mij maakt het echt niet uit of de uitvaart die ik voorga katholiek-christelijk is, boeddhistisch, humanistisch, of er een Bijbelverhaal gelezen wordt of een verhaal van Toon Tellegen. Het is allemaal goed. Wat me wél uitmaakt, is dat ik op één of andere manier wil kunnen teruggeven dat er meer is dan dit leven. En in de wereld waarin ik rondloop is daar heel gemakkelijk taal voor te vinden. Denk maar aan: ‘Eindelijk thuisgekomen, eindelijk bevrijd, eindelijk worden omarmd, nu ben je iemand in plaats van niemand. De last die licht geworden is’. Er zijn natuurlijk veel Bijbelse verhalen die hierin passen.”

En dat doe je altijd? Zijn er soms families die vragen het geloof er buiten te houden?

“Dat is hoe je het vertaalt he. Je kunt gemakkelijk een verhaal brengen dat niet uit de Bijbel komt. Je moet begrijpelijke taal spreken. En dat kan Bijbelse taal zijn als de familie daarin goed thuis is, maar het hoeft niet. Of soms is er een priester bij, als mensen dat vragen, en doen we ieder ons deel van de uitvaart. Niet iedereen is er comfortabel mee om met die straatbewoners op weg te gaan, en met hen te spreken. Dan ben ik er.”

 “Want het kan heel uitdagend zijn. Als je er dagelijks in zit zie je het soms niet meer, maar als je bijvoorbeeld een uitvaart bijwoont of begeleidt waar het grootste deel van de bezoekers dronken in de kerk zit, ja dat is wel ongewoon. Soms helpt het de priester die voorgaat dan als ik er bij ben. Dus, aanwezig zijn als medestander, als broer of zus. Ook op de uitvaarten zijn onze mensen de werkgevers. En in 2001 al, toen we spraken met de belangenvereniging voor drugsgebruikers over het opstarten van ’t Vlot, was één van de vragen: ‘Als één van onze vrienden overlijdt, mogen wij dan aanwezig zijn op de uitvaart?’”

Dus, aanwezig zijn als medestander, als broer of zus. Ook op de uitvaarten zijn onze mensen de werkgevers

Want tot dan toe mocht dat niet?

“Wat vaak gebeurt – en dat is heel begrijpelijk – is dat de familie op het moment dat vader, moeder, broer, zus, wie dan ook, sterft, graag waardig afscheid wil nemen. Afscheid na een problematisch leven, met problemen zo groot dat men op straat belandde, in conflict geraakte ook met de familie, daardoor niet meer thuis kwam. Een waardig afscheid in intieme kring is dan voor veel mensen belangrijk, en men wil dan vaak niet geconfronteerd worden met de rest van de wereld. Het is niet omdat jouw zoon of zus op straat leefde dat je noodzakelijk de andere straatbewoners erbij wilt hebben op de uitvaart. Heel begrijpelijk.

Wat wij dan doen is nog een extra dienst organiseren. Dus het kan allemaal samen, maar als de familie dat liever niet heeft, halen we het uit elkaar zodat beide groepen hun moment van afscheid kunnen beleven. Soms komt het zelfs voor dat er binnen de familie zoveel verwijdering is dat het ene familielid naar het afscheid komt van de familie en het andere lid wordt uitgenodigd op het afscheidsmoment voor de vrienden. Er zijn allerlei scenario’ s denkbaar en allerlei gevoeligheden die je kunt tegenkomen, en waarin we telkens zoeken naar de beste oplossing.”

Je hebt eens, in een eerder gesprek, gezegd dat verhalenvertellers enorm belangrijk zijn. Kun je dat toelichten?

“Ik spreek graag over het perspectief van de ander. Wat dat perspectief inhoudt, dat kan je weten door er zelf in te staan. En omdat niet iedereen erin kan staan, is het belangrijk om de verhalen te delen. Ook bij een overlijden. Ik schrijf dan altijd een in memoriam door te luisteren naar de mensen die de overledene gekend hebben. Ik probeer een rode draad te vinden, het leven van die ander concreet neer te zetten. Maar ik probeer ook de schoonheid van wat die mens gebracht heeft weer te geven. Dat verhaal deel ik op facebook. We zijn nu ook een website voor ‘t Vlot aan het maken, en als die er is wil ik daar de verhalen ook delen. Als het goed is, komt de website binnenkort in de lucht.”

Ik spreek graag over het perspectief van de ander. Wat dat perspectief inhoudt, dat kan je weten door er zelf in te staan. En omdat niet iedereen erin kan staan, is het belangrijk om de verhalen te delen

Zijn er straatbewoners die je hebt ontmoet, die een bijzondere betekenis voor je hadden, of een bijzondere rol hebben gespeeld?

“Zeker. Er zijn heel veel straatbewoners die mijn leven veranderden. Onvervangbaar waren Lorenzo en Mario: een tweeling. Mijn eerste vrienden van de straat. De punker en de indiaan. Indrukwekkende figuren, ik denk wel eens dat ze in een ander leven sjamanen geweest zouden zijn. Soms zaten ze een tijd in de gevangenis en leerde ik hoe moeilijk het kan zijn om daarna weer te wennen aan het leven op straat. Toen bleek dat de broers de ziekte van Huntington hadden, ben ik dat met een maatschappelijk werker aan hen gaan vertellen. We waren wel wat nerveus omdat dat toch heel slecht nieuws is. Maar de reactie was: ‘Eindelijk eens een cadeau dat ik van mijn familie krijg. Een ziekte. Nu heb ik een identiteit. Ik ben geen dakloze drugsgebruiker meer, maar ik ben iemand die ziek is. Nu kunnen jullie en ikzelf mijn eigenaardig gedrag plaatsen.’

‘Nu heb ik een identiteit. Ik ben geen dakloze drugsgebruiker meer, maar ik ben iemand die ziek is.’

“Erkenning. En niet meer weggeveegd worden als ellendige lamzak. En dat is zo leerrijk. Elke keer die omkering. Net als je denkt, zo is dat, dan wordt het weer omgedraaid. Als ik denk, dit is slecht nieuws, blijkt het goed nieuws te zijn.”

Toch kan ik mee voorstellen dat je, ondanks de mooie ontmoetingen, ook dingen meemaakt die aan je blijven plakken. Hoe laat je dat los? Hoe ga je daarmee om?

“Ik denk dat als het echt keihard aan me zou blijven plakken, ik die job allang niet meer zou doen. Ik kan het laten afglijden, maar ik heb dat natuurlijk wel moeten leren. In het begin was ik blij dat mijn man het heel interessant vond wat ik deed, zodat ik eindeloos kon vertellen. Maar wat ik vooral geleerd hebt: je kunt mensen teruggeven aan zichzelf. Ze hebben genoeg verstand, en zijn genoeg mens om te weten wat goed is voor hen of niet. Laat maar botsen, het lost zich wel op doorheen de botsing.”

Jouw missie klinkt heel idealistisch. Ben je een idealist?

“Ja, misschien wel he”, lacht Everts, “Ik ben denk ik wel een strijdster voor mijn idealen, al zijn de scherpe kantjes er wat vanaf nu. Ik ben denk ik een meer genuanceerde en diplomatische strijdster geworden, een realistische idealist.”

Als idealistische realist: wat is er nodig om een meer inclusieve maatschappij te creëren?

“Ik zie elke keer weer positieve initiatieven van onderop groeien en ik geloof daarin. Ik kan niet op tegen de grote ‘Goliathen’ van deze wereld die met hun macht heel veel kapot maken. Maar wat ik wel kan doen, is van onderop aan iets anders werken. Ik geloof daarin. Allerlei burgerinitiatieven vanuit bijvoorbeeld wijkploegen of kerken. Zoeken naar perspectief en naar welke wijsheid je kan delen met elkaar: dat positieve visioen moeten we vasthouden. Als we durven dromen, winnen we veel. Al weet ik niet of het zal lukken om deze initiatieven te institutionaliseren – misschien is dat ook niet wenselijk.”

Meer weten over ’t Vlot? Ga dan naar https://caritasvlaanderen.be of https://www.facebook.com/tvlotantwerpen/

Niek Everts (1967) is straatpastor in Antwerpen en bezielster van ’t Vlot. Als pastoraal werkster zet ze zich al meer dan twintig jaar in voor mensen in Antwerpen die zich in de marges van de samenleving bevinden: dak- en thuislozen, druggebruikers en mensen zonder wettig verblijf.

Wellicht ook interessant

None

Voetballen voor God en vaderland

Heilig gras, clubiconen, de hand van God – in de voetbalwereld barst het van de religieuze symboliek. Supporters zingen op zondag hun liederen, verlangen vurig naar een overwinning en danken het team na de weelde van drie punten. Bovendien lijkt er op het professionele veld ruimte te zijn voor ‘echte’ religie. We zien voetballers kruisjes slaan, het gras kussen en bezield omhoog wijzen na een doelpunt. In deze serie leggen we voetbal en geloof naast elkaar: wat hebben ze gemeen en wat juist niet? Dit keer is sportjournalist Frank Van de Winkel aan het woord over geloof in het Belgische en Nederlandse nationaal voetbalelftal.

Basis

Ziek kinderachtige volwassenen!

Ze zijn altijd online, vragen AI om advies over hun mentale gezondheid en lopen regelmatig protesterend door de straten: Generatie Z of Gen Z. Het gaat om jongeren die tussen 1996 en 2012 zijn geboren, in een wereld getekend door crises. Hoe gaan ze hiermee om? Met welke ideeën en vragen lopen ze rond? Yanniek van der Schans, docent levensbeschouwing, houdt een vinger aan de pols en schrijft om de maand een column over de discussies in haar klas. Dit keer over de vraag of er oorlog komt.

Nieuwe boeken