Menu

Premium

Waarvoor staat de protestants-gereformeerde predikant?

Dominee op de Biblebelt

In de gereformeerde traditie is de taak van de predikant, zoals het formulier voor de bevestiging dat verwoordt, viervoudig: de preek, het sacrament, het pastorale gesprek, en het gebed. De predikant houdt zich bezig met verkondigen – hoorbaar in de prediking en zichtbaar in doop en avondmaal; met vermanen en vertroosten in de persoonlijke ontmoeting; en onderhoudt de eigen spiritualiteit met het oog op de gemeente. Is deze klassieke predikant passé in de veranderende wereld? Kan een predikant nog uit de voeten met deze klassieke omschrijving van zijn taken, in een post-christelijke samenleving, waar de kerk kleiner wordt? Hoe verhoudt zich dat tot de processen die zich in gemeenten afspelen? Vraagt dat niet om een ander – vernieuwd – predikantschap? Moeten gemeenten – zeker die gemeenten die zich de erfgenaam weten van de gereformeerde Reformatie – een andere taakomschrijving van de dominee gaan opstellen? 

In de afgelopen acht-en-een-half jaar dat ik predikant was, heb ik twee gemeenten gediend die zich verwant weten met de gereformeerde traditie in de Protestantse Kerk. Waar dat uit blijkt? Al gauw wordt er dan naar de liturgie gekeken. De orde van dienst verloopt volgens een klassiek patroon, met in de ochtenddienst een lezing van het gebod en in de avonddienst de geloofsbelijdenis. Een andere manier van kijken is de taakinvulling van de predikant, met als kern de verkondiging van het Woord. Een derde karakteristiek is de verhouding tot de samenleving. Zowel de Alblasserwaard als Goeree Overflakkee, waar ik de afgelopen jaren als predikant heb gewerkt, behoren tot de Biblebelt. De beeldvorming die daar bij hoort is die van een christelijke gemeente in een christelijke omgeving; een grote verbondenheid met de kerk; en een relatieve continuïteit van het geloof dat van generatie op generatie wordt doorgegeven. Een vierde aspect zou kunnen zijn dat er een gevoel van saamhorigheid is ten aanzien van het kerk-zijn. De omliggende gemeenten hebben een soortgelijke ‘kleur’. 

Maar schijn bedriegt. Op alle vier de kenmerken, wellicht enigszins stereotiep aangezet, zijn de veranderingen die zich in kerk en predikantschap aandienen, te illustreren. Waar ooit de liturgie vaststond, is er over de invulling niet alleen. Ook de bijbelvertaling, het gebruik van de liturgische formulieren, en een bredere participatie van gemeenteleden in de kerkdiensten, zijn onderwerp van gesprek. Hoewel de taakinvulling van de predikant bestaat uit de klassieke drie geloofspraktijken, prediking, pastoraat en catechese, blijkt in de praktijk dat de dominee ook managerscapaciteit moet hebben, beleidsmatig moet kunnen denken, en een andere plaats in de samenleving inneemt dan de klassieke predikant vanouds had. Illustratief is het moment waarop ik als predikant ruimte voor mijn positie moest maken in een situatie van complex zorgoverleg. Het zorgde voor enig ongemak dat een predikant had aangegeven wel bij het overleg te willen zijn. Dat hij ook een ambtsgeheim heeft, leek weinig te helpen. Ook in de Biblebelt is het al lang verleden tijd dat dominee en dokter bij de notabelen van het dorp horen. Ook in de Biblebelt is de christelijke cultuur als een vanzelfsprekendheid voorbij. Gemeenteleden vragen om preken die aansluiten bij het leven, want in hun gewone leven weten zij zich geroepen Christus te volgen. Een verlangen dat vooral verwijst naar de context waarin zij leven en werken: ze horen tot een minderheid die gelooft in een seculiere samenleving, die – het is te merken in gesprekken – henzelf niet loslaat, eerder meezuigt. De senioren praaten honderuit over de kleinkinderen, maar vaak wordt het stil als de voorzichtige vraag komt of zij ook aan kerk en geloof doen. Nu zijn er allerlei sociologische typeringen te geven. Is het erosie zoals de huissocioloog van het Reformatorisch Dagblad, C.S.L. Janse het noemt, daarbij vooral verwijzend naar uitingen aan de oppervlakte, zoals levensstijl, drankketen of veranderende opvattingen over de zondagsheiliging?[1] Leer en leven verschuiven onder orthodoxe protestanten en het levensgevoel onder orthodoxe protestanten is in 50 jaar ingrijpend veranderd, zo maakt Hans Snoek voelbaar op elke bladzijde van Van huis uit protestant.[2] In zijn proefschrift waarin hij het proces van individualisering beschrijft binnen de Gereformeerde Bond, zowel binnen de kerkelijke organisatie, als in gemeenten en in de persoonlijke levens van gelovigen, constateert socioloog Teus van de Lagemaat dat er sprake is van een stille evolutie. Van de Lagemaat illustreert de veranderingen zoals hij die zich binnen de Bond ziet voltrekken aan de hand van vijf thema’s: de visie op het ambt (minder hoog-, meer laagkerkelijk), de liturgie (toenemende verscheidenheid), de binding aan de eigen gemeente (teruggang van de tweede kerkdienst, grensverkeer tussen gemeenten), de geloofsbeleving (evangelicalisering, modernisering, postmodern levensgevoel) en de positie van de vrouw (meer ruimte voor vrouwelijke ambtsdragers).[3] Over de veranderingen in het orthodoxe deel van het protestantisme is al veel geschreven. Terecht of onterecht wordt dat door sociologen soms vergeleken met de veranderingen die zich voltrokken binnen de Gereformeerde Kerken, in de tweede helft van de vorige eeuw. Opvallend is ondertussen wel hoe in de theologische doordenking de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer op dit moment sterk in de belangstelling staat.[4][5] Bonhoeffers vroomheid, moderne vraagstellingen, doorlichting van de tijd en besef van de naderende nieuwe verhouding tussen kerk, geloof en cultuur, spelen in die nieuwe belangstelling voor Bonhoeffer een rol. 

Nu gaat het in mijn bijdrage verder niet over de sociologische ontwikkelingen of de bronnen waarbij theologen in het licht van alle veranderingen te rade gaan. Ik belicht een paar aspecten van het predikantschap vanuit de bredere vraag in welke richting het predikantschap in gemeenten binnen het protestantsgereformeerde[6][7] deel van de Protestantse Kerk zich zou kunnen ontwikkelen. 

Waar komen we het eigene van het predikantschap op het spoor? 

Opvattingen over de invulling van het predikantschap zijn voortdurend in beweging. Rol en functie van de predikant in gemeente en samenleving worden mede bepaald door de locale context en de culturele verhoudingen. Dat is de eeuwen door zo geweest. Tegelijk valt op op dat de thematiek van het ‘veranderende predikantschap’ in onze tijd wel heel sterk op de voorgrond treedt. Het predikantschap is binnen de Protestantse Kerk een terugkerend agendapunt op synodevergaderingen, met een la vol rapporten als gevolg.[8] Het predikantschap is in beweging. Ik noem twee concrete voorbeelden: de invoering van de permanente educatie, waarbij de professionaliteit en de beroepsmatige ontwikkeling van de predikant worden gediend; en de toenemende differentiëring van het predikantschap[9], waardoor ruimte ontstaat voor een andere dan de gangbare verbintenis ‘voor onbepaalde tijd’ tussen predikant en gemeente om daarmee de veranderende omstandigheden van gemeenten te dienen.[10] Nieuwe vormen van verbinding van de predikant aan de gemeente zijn dienstbaar aan de hedendaagse context van een een seculiere Westerse maatschappij; toenemende professionalisering van het predikantschap, waar een regeling als permanente educatie een indicatie van is, dient de ambachtelijkheid en de beroepsuitoefening van de predikant. 

De vraag of we het eigene van het predikantschap hiermee voldoende op het spoor komen is daarmee nog niet beantwoord. Nu zijn vragen naar ‘het eigene’ altijd wat beladen. Is er wel zoiets als de essentie van het predikantschap? En zo ja, hoe stellen we dat vast? Of nog belangrijker: wie stelt dat vast? Hoe dan ook, de verbintenis van een predikant aan de gemeente of een commitment aan de eigen ontwikkeling zijn hooguit uiterlijkheden van waar predikantschap in de protestantse traditie eigenlijk voor staat. Om dat verder op het spoor te komen sluit ik me in eerste instantie aan bij de kerkordelijke typering van het ambt van predikant: de predikant als geroepen tot bediening van Woord en sacramenten, verkondiging van het Woord in de wereld, de herderlijke zorg en het opzicht en het onderricht en de toerusting.[11] In de liturgie voor de bevestiging van predikant gaat het dan om de ‘verbintenis van een dienaar van het goddelijke Woord’.[12] Dat is een andere toonaard dan verbintenis voor (on)bepaalde tijd. Het tweede is een al dan niet geslaagde verwerking van een theologisch gearticuleerde visie op predikantschap: de verbintenis van de dienaar van het Woord aan de gemeente. Bij de typering ‘dienaar van het goddelijk Woord’ staat het ambtelijke voorop. Dat vraagt vervolgens om een functionele doorvertaling in de organisatie van de kerk en in de persoonlijke ontwikkeling. In die volgorde. Nu heeft het weinig zin om het functionele en ambtelijke tegen elkaar uit te spelen. Tegelijk moet gezegd worden dat het evenmin weinig zin heeft om de veranderende omstandigheden in kerk en samenleving vooral te benaderen vanuit de functionele aspecten. Discussies over educatie en verbinding voor (on)bepaalde tijd worden gepresenteerd als complex, omdat er zoveel belangen mee gemoeid zijn. Toch zijn deze organisatorische discussies relatief eenvoudig. Anders ligt het met de vraag wat het betekent om ‘dienaar van het goddelijk Woord’ (verbum divini minister) en daarmee instrument te zijn voor de voortgang van Gods Woord in de wereld. Dat brengt een excentrische oriëntatie met zich mee. De protestantse predikant staat met één been in de plaatselijke gemeente en met het andere vertegenwoordigt hij of zij een godsdienstige realiteit die groter is dan de plaatselijke gemeente alleen. In de typering ‘dienaar van het Woord’ wordt een besef levend gehouden dat het goddelijke Woord tijd en plaats overstijgt. Bediening van het Woord is echter nooit tijdloos en altijd contextueel: er wordt hier en nu gepreekt, gebeden, gesproken. Het ambt staat ergens in de beweging van God naar deze wereld. Calvijn gebruikt het beeld van de schatbewaarder. De schat van het evangelie heeft God in bewaring gegeven aan de kerk, en in de dienst van Woord en sacrament wordt het evangelie uitgedeeld.[13]

Predikant in een veranderende kerk 

We kunnen de vraag hoe de (protestants-gereformeerde) predikant zich verhoudt tot de veranderingen in kerk en samenleving, op drie manieren benaderen. Het gaat allereerst om een verhouding van de predikant tot zichzelf, het besef van roeping en de taakinvulling. Predikanten, zo is de gedachte achter de permanente educatie, moeten zich blijven scholen om hun eigen beroepsvaardigheden op peil te houden. Vervolgens verhoudt de predikant zich tot de gemeente, de collega’s en de andere werkers in de kerk. Zeker wanneer de bezettingsgraad van de predikantsplaats terugloopt, komt het aan op een goede afstemming tussen predikanten die samen een gemeente of een regio dienen. Hiervoor is de afgelopen jaren vanuit de landelijke kerk de teamvorming van predikanten op de agenda gezet. Tot slot moet de predikant zich verhouden tot de veranderende samenleving. Welke plaats heeft de dominee, nu hij of zij niet meer bij voorbaat op begrip of sympathie kan rekenen in de samenleving? De zin van religie is niet langer evident. De predikant zou zich missionair moeten ontwikkelen, om het contact met de samenleving niet te verliezen, bij voorkeur zelfs om een publieke bijdrage te kunnen leveren. De wereld verandert. De kerk ook. De predikant moet hierin meedoen, in relatie tot de invulling van de eigen roeping; tot kerk en gemeente; en tot de samenleving. De recente ontwikkelingen in de Protestantse Kerk ten aanzien van permanente educatie, teamvorming en de focus op het missionaire, zijn oplossingsrichtingen. Daarmee is tegelijk ook een grens aangegeven aan veel beleid dat vanuit de Synode en de Dienstenorganisatie de kerk in wordt gestuurd. Veel daarvan is instrumenteel van aard. Oplossingen voor deelproblemen, goed doordacht en – in het geval van de permanente educatie – zorgvuldig uitonderhandeld. Maar, is daarmee de echte vraag wel voldoende aan de orde gekomen? Teamvorming en samenwerking zijn behulpzaam als een gemeente die altijd een voltijdspredikant kon betalen, ontdekt dat die tijd voorbij is of wanneer een algemene kerkenraad concludeert dat vier of acht predikantsplaatsen omhooghouden een luxe is die niet meer past bij de ontwikkelingen van de gemeente. Ook in gemeenten die zich tot het gereformeerde deel van de kerk rekenen zijn deze ontwikkelingen actueel. Begeleidingsprocessen door gemeenteadviseurs, samenwerking tussen kerkelijk werkers en predikanten – het werkveld verandert. Ook in traditionele bolwerken van de Gereformeerde Bond, met vier of tien predikantsplaatsen, is er de laatste decennia veel veranderd. Huizen, Putten, Veenendaal, Waddinxveen, Harderwijk, om maar een paar plaatsen te noemen. Gemeenten moeten samenwerken, net als predikanten, in teams, met kerkelijk werkers, soms regionaal. ‘Moeten’ klinkt niet goed, alsof men tot elkaar is veroordeeld, maar soms valt het niet mooier te maken dan het is. Als er geen krimp was, zou er minder hoeven te veranderen. Teamvorming en samenwerking (vgl. het project SAGE, samenwerking gemeenten) zijn instrumenten om in de veranderingen niet te worden overspoeld. Iets soortgelijks kan gezegd worden van permanente educatie en het missionaire. Inspelen op ontwikkelingen, blijven ontwikkelen, nieuwe verbindingen leggen. De predikant in de gereformeerde traditie staat hier niet los van. Is het niet vanwege de regelgeving in de kerk, dan wel vanwege de ontwikkelingen in de gemeente. Dit gaat allemaal niet voorbij aan gemeenten en predikanten die in de gereformeerde traditie willen staan. 

Tegelijk kon het – veelal instrumentele – antwoord op de ontwikkelingen wel eens een paradoxaal neveneffect hebben: bewegen we ons opnieuw in de richting van een domineeskerk? Ik wil dat illustreren aan de hand van de drie zojuist geschetste ontwikkelingen. Neem bijvoorbeeld de teamvorming. Dat is een instrument om samenwerking tussen predikanten te bevorderen en recht te doen aan de diversiteit. Tegelijk betekent dat, dat daarmee iets wordt overgeheveld van de gemeente naar de beroepsgroep van predikanten. Soms kan dat niet anders, omdat de gemeente te klein is geworden. Maar het heeft als consequentie dat het team van predikanten wel eens de plaats kon gaan innemen die nu de kerkenraad of de gemeente heeft, de eerste ‘teams’ waar de predikant vanwege zijn ambt deel van uitmaakt. Nog een voorbeeld. Dat de predikant als missionair leider naar voren wordt geschoven, is een reactie op het gevoel dat de kerk de samenleving is kwijtgeraakt. Tegelijk kan zomaar het beeld ontstaan dat de zichtbaarheid van de kerk en de communicatie van het evangelie toch vooral de taak is van de predikant. Sterker nog, misschien moet de gemeente er wel aan wennen dat de dominee er minder voor hen is, maar meer voor de mensen van buiten de kerk.[14][15][16] Maar de gedachte dat gemeenten maar moeten accepteren dat de predikant er (vooral) voor de mensen buiten de gemeente moet zijn, lijkt te suggereren dat de missionaire (of beter gezegd: christelijke) presentie in de samenleving beter belegd kan worden bij een religieus professional, i.c. de predikant, dan bij de gewone gelovigen zelf. Wat gebeurt hier? De dominee die als zichtbare vertegenwoordiger van de kerk – met kruisje op het revers, met priester-boord, of gewoon klassiek in het zwart – op een terras zit om ‘vrij beschikbaar te zijn’, is een teken van de overvloed, het genereuze. Vrij beschikbaar. Maar minstens zo vrij beschikbaar, en veel beter ingebed in allerlei netwerken, zijn gemeenteleden, op het werk, bij het schoolhek, of waar dan ook. Wordt de predikant niet (opnieuw) teveel op een voetstuk geplaatst? En wordt als gevolg daarvan het gewone werk en het gewone leven van de gewone gemeente niet ondergewaardeerd? Met als keerzijde: de predikant die zijn of haar werkzaamheden vooral richt op de gemeente, krijgt gauw het etiket opgeplakt dat hij alleen maar binnen de muren van de kerk werkt, opgesloten is in het instituut, en niet met beide benen in de samenleving staat. Alsof de man of vrouw die met zieken spreekt, bij stervenden is, woorden geeft aan het gemeenschappelijk gedeelde geloof dat door het Woord gewekt wordt, buiten het gewone leven staat. Nu moet daar natuurlijk meer over gezegd worden. Het gaat er hier om te signaleren dat met de instrumentele antwoorden op de uitdagingen waar de kerk zich voor geplaatst ziet, een discours kan ontstaan waarbij het werk binnen de gemeente secundair is. 

De eredienst als vertrekpunt? 

De nieuwe dominee, zoals Bert de Leede die bij zijn afscheid als docentonderzoeker aan de Protestantse Theologische Universiteit schetste, is een apostel en een non-conformist.[17] De Leede roept het beeld op van de predikant die leeft vanuit zijn of haar zending, in de vrijheid van het Woord. Bij de uitwerking daarvan komt een klassieke typering om de hoek, de predikant als verbi divini minister. In de gereformeerde traditie zijn dat bekende klanken. Als een ouderling bij het begin van de kerkdienst bidt of de dienaar de wijsheid van de Geest mag ontvangen om het Woord van God in het midden van de gemeente te leggen, dan is dat niet een relict van een voorbije cultuur. Daar wordt iets essentieels over het predikantschap gezegd. Dan komen we het veld van het ambt binnen. Dat is ingewikkeld genoeg. Hoewel de Kerkorde van de Protestantse Kerk spreekt vanuit het ambt als de openbare dienst aan het Woord en spreekt over het bewaren van de gemeente bij het heil, is de verbinding tussen de ambtstheologie en de vele instrumenten die ontwikkeld worden, steeds dunner geworden. Misschien wordt dat aangevoeld in gemeenten die zich wat minder laten meenemen door alle ontwikkelingen en daar wat minder enthousiast over lijken. Kan de verbinding met het profiel van de predikant zoals dat in de liturgie bij de bevestiging van de predikant wordt verwoord, niet goed gemaakt kan worden? Wie is de protestants-gereformeerde predikant? Het bevestigingsformulier zegt dan kernachtig: de predikant preekt, bedient de sacramenten, spreekt met de gemeente over het geloofsleven en bidt. In de oude taal van het klassieke formulier klinkt het dan zo: ‘In de eerste plaats moet hij het Woord des Heeren, dat door de geschriften van apostelen en profeten is geopenbaard, grondig en getrouw aan de gemeente uitleggen. … In de tweede plaats houdt het ambt van herder in, namens de hele gemeente openbaar Gods Naam aan te roepen.’ Daarna volgen sacramenten en het opzicht ‘over het huis van God’, opdat het er in de gemeente op zo’n manier aan toegaat dat zij geleid (geregeerd) wordt zoals de Heer heeft opgedragen. Het theocentrische in de bewoordingen valt onmiddellijk op. Ook het leidinggeven heeft het vertrekpunt in wat de Heer wil. Naast de focus op de eredienst en de theocentrische typering van de taak van de predikant is er een derde aspect: het gaat in de gemeente – en in het ambt – om het eeuwige heil. Het ambt is ‘noodzakelijk om de mensen tot de zaligheid te brengen’. 

De predikant die het ambt vanuit het bevestigingsformulier verstaat, zal wat moeite hebben om zich typeringen toe te eigenen als interpreterende gids (Erwich), missionair leider (Doornebal)[18], of non-conformist (De Leede). Dat is op zichzelf niet zo’n probleem. Als het er maar niet toe leidt dat er te gemakkelijke tegenstellingen worden gemaakt tussen hedendaagse typeringen en de verbinding met de essentie, het dienaar van het Woord zijn. Want ondertussen is er wel iets gaande. Hoe gemakkelijk kunnen we (nog) een beroep doen op dat verbi divini minister? Hoe verhoudt de predikant die vanuit dit zelfverstaan werkt, zich tot de veranderingen die zich momenteel voordoen in nieuwe constellatie tussen kerk, samenleving en cultuur? 

Om daar antwoord op te geven, zoom ik nog iets verder in op de spanningsvelden die ontstaan als wanneer we dat ‘dienaar van het Woord’-zijn niet verder kwalificeren. Want zo kunnen we vragen, is ‘het Woord’ wel zomaar voorhanden? Een veranderende kerkelijke situatie stelt nieuwe vragen aan de theocentrische inzet van de gereformeerde liturgie en de kerkdienst als plaats waar de ontmoeting tussen God en mens gestalte krijgt. Drie kwesties spelen daarin een rol. 

1.Existentiële omgang met de Schrift 

De protestants-gereformeerde omgang met de Bijbel is vanuit de bevindelijke geloofstraditie veel meer persoonlijk en spiritueel dan dat het om een formeel principe gaat. De Bijbel is geen boek met eeuwige waarheden, maar gaat over de persoonlijke betrekking tussen God en mens. Tegelijk is ook in de gereformeerde traditie de historiciteit van de Bijbel en daarmee het hermeneutische vraagstuk de afgelopen decennia steeds meer een thema geworden. De directe toegang tot het Woord is problematischer geworden. Hermeneutiek gaat over het verkleinen van de afstand van de oude tekst, maar begint met het poneren van die afstand. Twee voorbeelden maken duidelijk dat in het gereformeerd protestantisme de toegang tot het Woord minder evident is dan het wellicht vroeger was.

  • Er ontstaan impasses in heikele kwesties, zoals de vrouw in het ambt of de plaats van de homoseksuele medegelovige in de gemeente. Een beroep op de Schrift benadrukt de impasse, in plaats van dat deze wordt opgelost.

  • In preken wordt de Schrift soms sterk gehistoriseerd. Het lijkt wel alsof de opdracht om de prediking de bijbeltekst als levend Woord te laten klinken, steeds meer inspanning vraagt. De protestants-gereformeerde predikant staat voor de opdracht om op een nieuwe manier toegang tot de oude bronnen van de traditie te vinden, om tot een existentiële omgang met de Schrift te komen, zonder terug te vallen in een formele opvatting van het schriftgezag of de Bijbel tot een verzameling proposities te maken. Dit vraagt ook om een eigen spirituele omgang met de Bijbel. Om professioneel te kunnen zijn en het werk dat bij het ambt hoort uit te oefenen, dient men zichzelf eerst als gelovige te zien en zelf het geloof te beoefenen. 

2. Een soteriologisch tegoed

De protestants-gereformeerde predikant ziet zich ook in de spanning staan tussen het verbeelden van een cultuur die sterk leefde onder het besef van de eindigheid en het toekomstige hemellleven –de meditatio futurae vitae – en het uitoefenen van een roeping in een cultuur die sterk immanent is. Het alledaagse leven trekt ook aan de gereformeerde gelovigen, en het heeft in de gereformeerde theologie ook een nieuw verstaan gegeven van het schepselmatige (Van Ruler). In opiniërende bijdragen in de gereformeerde gezindte wordt nog wel eens de vraag opgeroepen of de dimensie van de eeuwigheid en het eeuwige leven nog wel voldoende in de geloofsbeleving en in de verkondiging aanwezig is. Het is gemakkelijk hier te normatief in te worden. De Calvijnse gedachte dat ‘waar gepreekt wordt, het bloed van Christus op de gemeente druppelt’, geeft echter wel een oriëntatie aan die wel het soteriologische tegoed van het gereformeerd-protestantisme genoemd kan worden. Blijft dat in de kerkdiensten voldoende overeind, tussen de veelheid van thema’s die – ook – aan de orde moet komen. Het vraagt van predikanten vandaag om goed zicht op de leer van het heil. Niet om preken dogmatisch en abstract te laten zijn, maar om de soteriologische thema’s goed te verbinden met het alledaagse. Hoe kan gepreekt worden zonder dat het heil opgaat in het hier en nu? Of andersom: hoe kan gepreekt worden zonder dat het heil vervluchtigd? Dit vraagt van predikanten dat ze goede theologen zijn: wat er in het geloof op het spel staat in de relatie met God, in verzoening en vernieuwing, op een overtuigende en aansprekende manier verbinden met het geleefde geloof. Goed thuis zijn in de eigen theologische bronnen is daarvoor een voorwaarde, maar het is eerder een startpunt dan een eindpunt van de theologiebeoefening. Naast wat predikanten allemaal moeten, zullen ze op één punt op hun strepen moeten staan: in dit werk is ruimte nodig voor zorgvuldige theologische doordenking om wat er religieus op het spel staat niet klakkeloos te blijven herhalen noch stilzwijgend kwijt te raken. 

3. Doordachte kerkdiensten

Van ouds speelt de predikant de hoofdrol in de klassiek gereformeerde kerkdienst. Dat wil zeggen, het optreden van de predikant heeft een zekere zichtbaarheid, wat op zo’n manier niet gezegd kan worden van de andere deelnemers van de kerkdienst. Hoewel in de prakisch-theologische theorievorming predikant en gemeente dichterbij elkaar zijn gekomen, door meer over het deelnemersperspectief te spreken, is de meest zichtbare actor in de (klassieke) kerkdienst de predikant. Dat hangt samen met het ambt dat zij of hij bekleedt. De dienst van het Woord bepaalt het centrum van de protestantse kerkdienst, vanuit de overtuiging dat in liturgie en prediking de ontmoeting tussen God en mens gestalte krijgt. Dat heeft in de gereformeerde traditie ook een bepaalde liturgische vormgeving gekregen. Daarbij moet gezegd worden dat de liturgische vormen niet meer zo vanzelfsprekend zijn als voorheen. De vraag ‘of het zo wel moet’ klinkt overal, ook in gemeenten waar de orde van dienst decennialang onveranderlijk leek. Maar wat er precies anders moet, waarom en hoe – dat vraagt om een veel grondiger doordenking dan nu vaak het geval is. Liturgische bezinning is schaars, en lijkt zich soms vooral te beperken tot gesprekken over liedkeuze en de vraag naar af en toe een ‘bijzondere dienst’. Liturgie kan iets van het compromis hebben. Dat is niet altijd verkeerd. Het helpt te beseffen dat er geen meerderheid die de lijnen uitzet, maar dat iedereen rekening dient te houden met de diversiteit in geloofsbeleving en de veelkleurigheid van uitingsvorming die daarbij hoort. Toch blijft voortdurend een fundamentele doordenking nodig van de rollen in de kerkdienst: wie doet wat en waarom. Dat de eredienst het centrum van de geloofsbeleving is, zal voor veel gemeenten binnn de gereformeerde traditie niet veranderen. Het is daarmee niet vanzelfsprekend dat de kerkdienst ook als het van God-gegeven centrum van het geloofsleven wordt ervaren. Het zal een uitdaging zijn om de vaste vormen waar liturgie het van moet hebben, niet te laten stollen, maar de patronen die steun geven aan de beoefening van het geloof tegelijk open te laten. Hiervoor zijn predikanten nodig die in hun opleiding de contouren van de traditie goed hebben meegekregen, dat kunnen plaatsen, en die tegelijk het godsdienstige gesprek kunnen aangaan over welke vormen locaal nodig zijn en die de gemeente kunnen toerusten in een situatie van toenemende diversiteit.

Wellicht ook interessant

Twee koningen
Twee koningen
Basis

De dominee of de therapeut?

In de serie ‘Het christelijke geloof in een therapeutisch Nederland’ onderzoekt Katie Vlaardingenbroek, auteur van Nederland Therapieland, de relatie tussen het christelijke geloof en onze huidige therapiecultuur. In haar vorige artikel liet ze zien dat therapie een autoriteit is geworden op het gebied van levensvragen. In dit tweede artikel onderzoekt ze de concurrerende relatie tussen therapie en religie. Wie kan het beste hulp bieden bij menselijk lijden: de dominee of de therapeut?

None

Preview: De reis naar minder ik

Tim Thijs Ketting gaf zijn leven een 4,5, terwijl het op papier een 9 was. Gezondheid, liefde, werk – alle hoekstenen stonden als een huis. Maar hij was ongelukkig en belandde bij een therapeut. ‘Het handelsmerk van de westerse millennial’, zoals hij zelf schrijft in zijn boek De reis naar minder ik. Alles hebben, en toch vastlopen. Hoe komt dat toch? Tim Thijs startte zijn eigen zoektocht naar zingeving en stuitte op: de ander en de wereld. Lees hieronder de proloog uit zijn boek De reis naar minder ik.

Persoon die in gesprek is met een psycholoog
Persoon die in gesprek is met een psycholoog
None

Een therapeutische staatsreligie?

In de nieuwe serie ‘Het christelijke geloof in een therapeutisch Nederland’ onderzoekt Katie Vlaardingenbroek, auteur van Nederland Therapieland, de relatie tussen het christelijke geloof en onze huidige therapiecultuur. Op eerste oogopslag lijken geloof en therapie twee verschillende invloedsferen te zijn. Maar Katie laat zien dat ze veel meer met elkaar gemeen hebben dan we wellicht denken en dat het van groot belang is om de overeenkomsten en verschillen scherp te krijgen. In dit eerste artikel onderzoekt ze de gevolgen van de verandering van therapie in een potentiële staatsreligie, en daarmee in een autoriteit op het gebied van levensvragen. 

Nieuwe boeken