Menu

Basis

Wanhoop in het licht van de Minne

Man in het zonlicht
(Beeld: Jeremy Perkins/Unsplash)

Hadewijch, de middeleeuwse mystica die in het Middelnederlands hartstochtelijk schreef over de liefdesrelatie tussen God en mens, was literair actief in het midden van de dertiende eeuw in het voormalige hertogdom Brabant. Vier werken staan op haar naam: Visioenen (inclusief het addendum Lijst der volmaakten), Brieven, Liederen (ook bekend als Strofische Gedichten) en Rijmbrieven (of Mengeldichten). In dit veelzijdige oeuvre staat de Minne centraal: de goddelijke liefde die de mens uitnodigt tot een leven van contemplatie en minnedienst.

Emotionele extremen in het mystieke leven

In tegenstelling tot asceten die zich innerlijk afschermen tegen elke opwelling, blijven mystici niet gespaard van de wisselvalligheden van het gemoed. Ook zij kunnen speelbal worden van hevige emoties, al wordt hun gemoedstoestand – anders dan bij de meeste mensen – niet aangewakkerd door aardse prikkels, maar door de impact van hun bijzondere relatie met God. Uitzinnige vreugde, geboren uit de extase van de Godsontmoeting, kan hen bijvoorbeeld doen uitbarsten in ongecontroleerd lachen of aanzetten tot dansen. Maar het tegenovergestelde komt ook voor: het gevoelsmatige wegdeemsteren van de liefdesband met de goddelijke liefde kan resulteren in overweldigende gevoelens van verlatenheid en verdriet.

Mentale obstakels die de mysticus verwijderen van God

De intensiteit en de manier waarop met dit verlies wordt omgegaan, verschillen van mysticus tot mysticus, afhankelijk van iemands verwachtingen, religieus normbesef en persoonlijkheid. Op het uitblijven van Gods aanwezigheid reageert de één met berusting en overgave, in het vaste vertrouwen op een dieper niveau één te zijn, of verbonden te blijven met God. Anderen vallen ten prooi aan rusteloosheid, frustratie, twijfel of angst. Ze vragen zich af wat ze verkeerd hebben gedaan, leggen de oorzaak bij zichzelf, botsen op een muur van onmacht, of een laag zelfbeeld verwijdert hen nog verder van God. Dergelijke mentale obstakels en scrupules kunnen het eerdergenoemde verdriet in de hand werken en de mysticus via een spiraal van vertwijfeling meesleuren — tot hij overtuigd raakt voorgoed verstoken te zijn van Gods liefde.

Persoon die alleen 's nachts op straat loopt
(Beeld: Atharva Tusli/Unsplash)

Het oeuvre van Hadewijch toont opvallend veel waardering voor deze emotionele en mentale keerzijde van het mystieke leven. Bij knagende twijfels en gevoelens van mislukking en onwaardigheid wordt de lezer niet gewaarschuwd alsof het om verfoeilijke zijsporen op het geestelijke pad gaat. Wat de schrijfster voortdurend in het vizier neemt als gevaarlijke omwegen zijn de vluchtige tedere blijken van genade en de zoete vertroostingen, de ghenoechte. Zij riskeren het ego op te blazen met zelfoverschatting en wakkeren de illusie aan aanspraak te mogen maken op de intiemste omgang met God. Op dat laatste kun je nooit recht hebben, het blijft altijd een zaak van genade.

Hadewijch over nederigheid en zelfverloochening (Brief 8)

Tegenslagen, zorgen en ander innerlijk leed bieden volgens Hadewijch daarentegen gunstigere omstandigheden om Gods liefde volmaakt te beleven. Van devote zielen die bijvoorbeeld de nederigheid zo hebben eigengemaakt dat deze bijna een karakteriële vorm van zelfverloochening is geworden, waarbij men zichzelf te min acht voor God, mag men aannemen dat zij niet door een groot ego worden geplaagd, of dat zij er dankzij hun nederigheid op doeltreffende wijze voor gevrijwaard blijven. In Brief 8 stelt Hadewijch bijvoorbeeld dat de vrees om ten overstaan van de Minne onwaardig en ontoereikend te zijn – een vrees die nauw met de nederigheid verband houdt – een weldadig, zuiverend effect heeft op het verstand en het geweten van de mysticus:

“Deze vrees maakt hem vrij, want aan niets meer kan hij denken en voor niets meer voelen, zo graag zou hij de Minne behagen. (…) Zij verlicht zijn verstand, zij onderricht zijn hart, zij zuivert zijn geweten, zij maakt zijn geest wijs, zij vereenvoudigt zijn memorie.”

Wanhoop als vertwijfeling

De waardering van innerlijk leed komt bij Hadewijch goed tot uiting in haar behandeling van de wanhoop, een onderwerp dat, hoewel minder prominent dan thema’s zoals de ghenoechte, haar schrijven over de Minne sterk heeft bepaald. Dit motief is geworteld in de biografie van de schrijfster, maar dankt zijn aandacht ook aan de vriendengroep voor wie zij schreef, die met dezelfde problematiek werd geconfronteerd. Meer in het algemeen is de wanhoop een vast onderdeel van Hadewijchs fenomenologie van het mystieke leven in de Minne. Om de hoogtes en laagtes daarvan te beschrijven, ontleent de schrijfster begrippen aan de christelijke verlossingsleer, zoals hemel, vagevuur en hel, en verder ook dood, zelfveroordeling (doemen) en de staat van ongenade. Het zijn termen uit een ander religieus (met name eschatologisch) register, maar ze worden toegepast op het bewogen innerlijke leven van mystici.

Afhankelijk van de context kan het woord ‘wanhoop’ (onthope, onthopenisse, desperatie) bij Hadewijch zowel verwijzen naar het ontwrichtende proces van innerlijke vertwijfeling als naar het eindresultaat ervan: depressie. Hoewel beide betekenissen voorkomen, domineert in de meeste gevallen de eerste. Wanhoop duidt op een toestand van ontzetting en agitatie, gekenmerkt door intense twijfel en radeloosheid.

Een pad dat diep in God leidt (Brief 22)

De mystieke schrijfster heeft in het bijzonder oog voor de onrust en de enorme kracht die deze twijfel in beweging zet. Die stellen haar in staat een parallel te trekken tussen de wanhopige en de Minne, en in de wanhoop een authentieke weg naar de Minne te herkennen. Dat laatste doet ze expliciet in Brief 22, waar – in samenhang met de mystieke hel – over de wanhoop wordt gesteld dat het een weg is die “zeer diep in God” leidt: Dese wech leidse herde diepe in Gode.

Hadewijchs verklaring waarom dat zo is heeft alles te maken met onvermoeibare energie, zoals ze verder in deze brief schrijft:

“Hun grote wanhoop leidt hen [namelijk] over alle sterkten en door alle passen heen, alle steden van waarheid binnen.”

Brug in de natuur
(Beeld: Tim Zwaan/Unsplash)

Wanhoop als mystieke realiteit (Rijmbrief 1)

Een verduidelijking van deze gedachte vinden we in Rijmbrief 1, waarin ook de parallel met de Minne wordt uitgewerkt. Deze berijmde brief handelt over de ‘natuur’ of de aard van de Minne. De Middelnederlandse term nature is hier geen abstract filosofisch begrip: het woord verwijst niet zozeer naar een onveranderlijke goddelijke essentie, maar eerder naar de dynamische realiteit van de Minne. Wanhoop wordt in deze brief gerekend tot een van de manieren – naast bezit, gebrek en hoop – waarop deze realiteit zich ten volle in de minnende mysticus openbaart:

Wanhoop zet aan tot het dienen van zowel kwaden als goeden (..)
Voor degene die in wanhoop leeft en zwoegt
Lijkt er nooit een einde aan te komen.
Hij vreest dat zijn dienst
Niet volgens zijn wil geschiedt.
Al wat hij kent, komt hem nietig voor.
Dit maakt hem onrustig en beweegt hem tot nog meer dienst.
Dat hij het werk van zijn dienst laag inschat,
Houdt hem voortdurend sterk in de Minne.
Alles wat men hem geeft, acht hij te min;
Het zadelt hem voortdurend op met zware verplichtingen.
Dat is de wanhoop die voortdurend aanzet
Om zich in te spannen met de grootste kracht.
Dat is een zeer mooi werk.
Het wordt niet overwonnen en het blijft even sterk;
Het geeft alles wat men zou kunnen geven;
Het beleeft alles wat men zou willen beleven;
Het heeft alles wat men zou willen hebben;
Het wil alles wat God ooit wilde:
In armoede, in rijkdom, beneden, boven
In wanhoop en in smart.

Hadewijch prijst de wanhoop om verschillende redenen. Vooreerst maakt zij kort gewag van de gunstige geestelijke uitwerking ervan op de mens. Omdat in de ogen van de wanhopige alles onbetekenend is geworden en niets nog bevrediging kan schenken, ontwikkelt deze een soort heilige onverschilligheid, waardoor hij iedereen – zowel ‘goeden’ als ‘kwaden’ – zonder onderscheid behandelt. Uit het verloop van de tekst blijkt bovendien dat ook taken van de minnedienst vanuit diezelfde geringschatting worden verricht. De radeloosheid en het verlies aan betekenis veroorzaken een intense onrust, die de wanhopige als een gek onvermoeibaar aan het werk zet en hem een bovenmenselijke kracht verleent. Hoewel dit gevoelsmatig door de wanhopige hoegenaamd niet zo wordt ervaren, geeft hij met zijn gedrag in feite volmaakt uitdrukking aan de Minne, die van nature eveneens onvermoeibaar en onoverwinnelijk is. In zijn volkomen onthechte wil is hij Godgelijk.

Wanhoop als depressie

De ervaring van Augustinus (Lijst der volmaakten)

Zolang het gaat om een proces van vertwijfeling, is de kans groot dat de wanhoop, als onderdeel van het mystieke liefdesleven, van relatief korte duur is. Het sprekendste voorbeeld hiervan is de ervaring die in de Lijst der volmaakten aan Augustinus wordt toegeschreven. Aan het einde van zijn leven voelde de kerkvader zich een tijdlang verwijderd van de goddelijke liefde en ervoer hij daardoor de mystieke hel. Dat ging gepaard met verdriet en wanhoop, ingegeven door de vrees dat de afstand tot de Minne niet langer te overbruggen viel. Augustinus wist deze twijfel echter te overwinnen door het hervinden van zelfvertrouwen.

Dit voorbeeld illustreert dat wanhoop, hoewel op zichzelf een authentieke vorm van Minne-beleving, net als de overeenkomstige toestand van de hel, voor Hadewijch iets van voorbijgaande aard kan zijn – een periode van mentale beproeving op het hobbelige contemplatieve parcours.

Tot de bodem van de kelk (algemene bespiegeling)

Dat betekent echter niet dat het in alle gevallen om een kortstondige dip gaat. Het werk van de schrijfster getuigt elders ook van wanhoop in een vergevorderd – en, naar men mag aannemen, langduriger – stadium, beleefd door individuen (zoals zijzelf) die gedesoriënteerd in spirituele verlatenheid leven, elk sprankeltje hoop op verandering ontberen, en die – in tegenstelling tot Augustinus – de kracht niet meer kunnen opbrengen om het vertrouwen te ontwikkelen dat voor herstel nodig is. Deze mystici worden gedwongen de kelk van de wanhoop tot op de bodem te ledigen.

In Lied 16 (ook bekend als Stofisch Gedicht 17) laat Hadewijch dit laatste stadium in zijn volheid zien, net vóór het moment waarop de in een impasse verzeilde en door verdriet getekende ziel opnieuw in beweging wordt gebracht door een verlossend perspectief. Van de 45 liederen die Hadewijchs lyrische oeuvre telt, is het zestiende ongetwijfeld een van de beklemmendste teksten. Het gedicht leeft vandaag voort in het collectieve geheugen dankzij de wanhoopskreet mi gruwelt dat ic leve en de geslaagde dichterlijke beelden van de vroegbloeiende hazelaar en de wondermooie wolk die in het zonlicht schittert.

Zonsondergang
(Beeld: Ki Zhang/Unsplash)

Het pad van de mystieke minnaar (Lied 16)

Dertien strofen lang evoceert Hadewijch, bij monde van een alwetende verteller, de tragiek van een gevorderd mystiek gemoedsleven, getekend door immens verdriet, verlatenheid, afkeer van het leven en totale uitzichtloosheid. Al deze gevoelens komen gebald samen in de vierde en vijfde strofe. Daar geeft de verteller eerst zwaarmoedig uitdrukking aan zijn immense zieleleed, om er vervolgens verbijsterd zijn ongeloof over uit te spreken:

Dat ghetal diere rouwen moet sijn ghesweghen.
Die grote, sware waghen bliven ongheweghen.
Daer en geet gheen gheliken jeghen.
So eest best dat mens begheve.
Al es mijn deel cleyne, ic hebber verdregen.
Mi gruwelt dat ic leve.

Over de hoeveelheid verdriet moet men het zwijgen bewaren,
De enorme zware lasten worden niet gewogen,
Niets kan ermee worden vergeleken.
Het beste is daarom om het op te geven.
Al is mijn deel klein: ik heb het moeten verduren.
Ik walg ervan dat ik leef.

Hoe mach hem gruwelen ende rouwen tleven,
die sijn al hevet op al ghegheven
ende in donkeren dole wert verre verdreven,
daer hi meer ne waent doen kere,
ende in onthopenden storme al wert tewreven?
Wat rouwen gheliket dien sere?

Hoe kan het leven hem doen walgen en verdrieten
die zich helemaal heeft overgegeven
en op duistere dwaalwegen ver weg wordt verjaagd, 
vanwaar het hem onmogelijk lijkt om terug te keren,
en in een storm van wanhoop compleet ten onder gaat?
Welke verdriet gelijkt op dat leed?

Poëzie als plaats voor leed

Het zou echter voorbarig zijn om op grond van deze strofen te concluderen dat Hadewijch minnepijn en wanhoop zonder meer verwerpt als een gruwel. In de Liederen is de algemene teneur ten aanzien van alle vormen van lijden juist om er niet van te wijken – sterker nog, om het ten volle te omarmen. Lijden maakt nu eenmaal deel uit van het pad van de mystieke minnaar, als de onvervreemdbare keerzijde van de medaille, waarin extases en ontberingen samengaan – des te meer omdat beide door de Minne zijn teweeggebracht.

Doornen struik met daarachter een ondergaande zon
(Beeld: Josie Weiss/Unsplash)

Dat basisinzicht tekent ook Lied 16. In feite vertelt Hadewijch in dit gedicht een genuanceerd verhaal. Met enkele trefzekere woorden en beelden schetst ze zowel de voorgeschiedenis van de huidige ellende als de zich wijzigende houding van de minnaar-verteller. Zoals uit enkele toespelingen blijkt, ligt de Minne rechtstreeks aan de oorsprong van zijn ellendige toestand. Aanvankelijk had zij hem verleid en aan zich gebonden – de Minne had hem “in hechtenis genomen” (in hachten ghedaen; strofe 3). Daarna “velt” (verslaet; strofe 6) zij hem door hem haar liefde te onthouden.

Dit besef dringt pas in de latere strofen tot hem door en leidt tot een voorzichtige kentering. De verteller krijgt daardoor een nieuw perspectief: zich via het lijden alsnog met de Minne verbonden te weten. Het lijden blijkt zowel een spoor van de Minne als een weg ernaartoe – zuiverder dan welke troost ook. In de blinde overgave aan de Minne, waartoe de minnaar zich dan verbindt, worden vertroostingen uitdrukkelijk afgewezen als een vertekening van de ware minnebeleving. De overgave voltrekt zich, kortom, in de volledige aanvaarding van het leed.

Een tweede belangrijke overweging met betrekking tot Lied 16 is dat, ondanks de evolutie die de minnaar doormaakt, zijn klaagzang over het lijden in de geciteerde strofen haar waarde behoudt. Het gedicht biedt de lezer immers méér dan een spiritueel leerproces; zijn bestaansreden als middeleeuwse lyriek ligt ook in de evocatie.

De kreet mi gruwelt dat ic leve – een vertaling van Job 10,1 (Vulgaat: taedet animam meam vitae meae, “een walg voor mijn ziel is mijn leven”) – onderstreept bovendien het religieuze karakter van het lijden. Deze Bijbelse bron verleent het verdriet van de mystieke minnaar religieuze authenticiteit en legitimiteit. Door er in lyrische vorm uiting aan te geven, biedt Hadewijch het immense leed en het gevoel van wanhoop een plaats: als een menselijk gevoel dat ook in het licht van God en de Minne mag bestaan.

De poëtische evocatie is daarbij niet bedoeld om dit leed te verzachten, laat staan ervan verlost te raken, maar juist om het te bestendigen op grond van zijn geestelijk verrijkte betekenis.

Besluit

De hierboven toegelichte uittreksels maken duidelijk dat Hadewijch in haar werk verschillende facetten van de wanhoop van mystici aan bod laat komen. Ofschoon zij daarin in niet geringe mate haar eigen ellende heeft verwerkt, reikte zij met haar woorden ook anderen, die zich in die ervaringen herkenden, een pedagogische hand.

De schrijfster bood hen zowel een taal om de vele hartstochten die mystici kunnen meeslepen onder woorden te brengen, als waardevolle inzichten om naar diezelfde ervaringen te leren kijken door een verlichte geestelijke bril — als het ware door de ogen van de Minne zelf. Innerlijke kwellingen, onvervulde verlangens en de afwezigheid van God: het blijken vanuit dat hogere perspectief allemaal ultrakorte wegen naar de Minne te zijn.

Zo ook wanhopige gedachten, zoals de vrees om de goddelijke Geliefde voorgoed verloren te hebben. Een dergelijke angst is volgens Hadewijch volledig ongegrond: de Minne is nabij – dichterbij dan je denkt.

Literatuur

De citaten zijn uit: Hadewijch, Brieven, ed. en vert. F. Van Bladel en B. Spaapen, 1954, p. 107 en 210-211; Hadewijch, Mengeldichten, ed. J. Van Mierlo, 1952, p. 8-9 (eigen vertaling); Hadewijch, Liederen, ed. V. Fraeters en F. Willaert, 2009, p. 152 (eigen vertaling).

Kris Van Put (°1973) studeerde wijsbegeerte aan Universiteit Antwerpen en de KU Leuven en werkt als bibliothecaris bij het Belgische Grondwettelijk Hof. In zijn vrije tijd doet hij als vrijwillig medewerker van het Ruusbroecgenootschap onderzoek naar het werk van Beatrijs van Nazareth en Hadewijch.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken