Menu

Premium

Wederkomst

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Geloofstaal & cultuurtaal

In sommige christelijke kringen is het bijbelse spreken over Jezus’ wederkomst niet zelden aangegrepen om allerlei fantasierijke eindtijdscenario’s te ontwerpen. Binnen de gevestigde kerken heeft dit van de weeromstuit geleid tot reserves ten aanzien van deze thematiek. Toch beroven we dan een goed deel van het nieuwtestamentisch getuigenis van zijn kracht, of misschien wel het hele Nieuwe Testament, omdat de toekomstverwachting niet het laatste hoofdstuk van de christelijke geloofsleer is, maar de rode draad die er doorheen loopt.

De verwachting van Jezus’ wederkomst wordt door (post)moderne mensen maar al te vaak gezien als een christelijke wensdroom. Velen leven met een gesloten wereldbeeld, waarin de processen zich volgens eigen wetten voltrekken en waar geen God meer bij nodig is. Dat God van buitenaf ingrijpt en zijn Zoon opnieuw naar de aarde zendt, is voor velen een vreemde gedachte geworden. De christelijke prediker zal er rekening mee moeten houden, dat deze voorstelling van de toekomst niet meer zonder uitleg gebruikt kan worden. Duidelijk moet worden dat in de voorstelling van Jezus die ‘op de wolken komt’ meer theologie dan kosmologie zit. Toch is de mens van nu niet ongevoelig voor deze beelden. We komen in roman en film allerlei apocalyptische woorden uit de Bijbel tegen als ‘Armageddon’ en ‘Apocalypse’. Dat naar deze symbolen gegrepen wordt om een besef van crisis uit te drukken, betekent dat ze nog steeds niet versleten zijn.

Woorden

‘Wederkomst’ is geen woord dat in de Bijbel voorkomt. Het werkwoord ‘wederkomen’ vinden we wel in de NBG-51 in Handelingen 1:11. De SV houdt zich hier aan wat er letterlijk staat: ‘komen’. De zaak waarom het gaat vinden we bijvoorbeeld in 1 Tessalonicenzen 1:10 en 2 Tessalonicenzen 1:7-10. Verder spreekt het Nieuwe Testament over de parou-sia van Christus, zijn ‘komst’, zijn ‘verschijning’, of over de ‘dag van de Heer’.

Betekenis in context

Oude Testament

Het is niet juist om te zeggen dat het Oude Testament al over Jezus’ wederkomst spreekt; wel kunnen we zeggen dat we deze nieuwtestamentische boodschap alleen kunnen begrijpen vanuit het oudtestamentisch spreken over de dag des Heren en de komst van de mensenzoon. In Maleachi 4:5 (GNB: 3:23) wordt gezegd dat God de profeet Elia zendt voorafgaande aan de ‘dag des Heren’. We zouden hier van de wederkomst van deze profeet kunnen spreken. Zijn taak is om het oordeel aan te kondigen en de mensen tot bekering te roepen.

In Daniël 7:13 wordt gesproken over de komst van de mensenzoon en deze tekst heeft in de synoptische evangeliën sterk doorgewerkt (zie onder). Wanneer we zo de woorden van de profeten op het Nieuwe Testament betrekken, moeten we ons realiseren dat het messiaanse heil, dat in het Oude Testament aan Israël en de volken beloofd wordt, in het Nieuwe Testament uiteenwaaiert in de veelheid van Gods daden: Jezus is gekomen tot redding van mensen én Hij zal terug komen (Mar. 14:62; 1 Tess. 1:16; 2 Tess. 1:7-10; Op. 1:7vv) om dat werk af te maken.

Nieuwe Testament

Kruisiging, opstanding en parousie

We moeten ons proberen los te maken van de vanzelfsprekendheid die de woorden van het Nieuwe Testament voor ons hebben, ook alshet gaat over de wederkomst. Voor de buitenstaanders moet het destijds zó geklonken hebben: christenen vereren een zekere Jezus die door de Romeinen gekruisigd is. Terecht of onterecht, in elk geval was deze Jezus niet in staat om dit te voorkomen. Een zwakke figuur dus. En uitgerekend van Hem verwachten christenen nu dat Hij als Heer en Rechter van de wereld zal terugkomen.

Hoe kwamen christenen tot dit geloof? Doordat ze de opstanding van Jezus zagen als het antwoord van God op de kruisiging: deze Jezus die jullie gekruisigd hebben, heeft God opgewekt (Hand. 2:36; 4:10). God liet in de opstanding van Jezus zien, dat wat hier begonnen was niet doodliep, maar verder ging en uitkwam bij het Rijk van God. Wat in de woorden en daden van Jezus begonnen was, zou door dood en opstanding heen naar het Rijk van God voeren. Daarom was het voor de eerste christenen ook niet mogelijk om te blijven staan bij wat Jezus gezegd en gedaan had, maar richtten ze zich ook op wat Hij als de opgestane Heer in de toekomst zou gaan zeggen en doen. Jezus’ werk moest nog tot voltooiing, vervulling gebracht worden. Vandaar het grote belang van de prediking van de parousie, de wederkomst van Jezus, in het Nieuwe Testament.

De komende Mensenzoon

In het Evangelie van Marcus vraagt de hogepriester in het proces aan Jezus: ‘Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?’ Het antwoord van Jezus luidt: ‘Ik ben het, en gij zult de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende met de wolken des hemels’ (14:61-62). In Jezus’ antwoord komt de titel ‘Zoon des mensen’, of ‘Mensenzoon’ voor. We vinden de titel in het Oude Testament in Daniël 7:13 en het is duidelijk dat in Marcus 14:62 op deze tekst teruggegrepen wordt. Ook de uitdrukking ‘met dewolken des hemels’ vinden we namelijk in Daniël 7:13. In deze tekst verschijnt ‘iemand gelijk een mensenzoon’ en aan hem wordt de heerschappij over de volken gegeven (7:14). Hier wordt met deze figuur Israël of Israëls representant bedoeld. ‘Mensenzoon’, ‘zoon van een mens’ is typisch Hebreeuws of Aramees idioom en is eigenlijk een uitdrukking voor ‘mens’ zonder meer. Als Jezus in de evangeliën op deze titel teruggrijpt, gebruikt Hij aan de ene kant een alledaags woord en aan de andere kant een woord dat door zijn achtergrond in Daniël 7:13 een messiaanse lading heeft. Juist dit woord is geschikt om het geheim van Jezus’ persoon uit te drukken: een gewoon mens, een timmermanszoon, maar ook degene die volgens Daniël 7:14 de heerschappij van God zal ontvangen. Dat Jezus met een verwijzing naar de ‘Mensenzoon’ antwoord geeft op de vraag van de hogepriester of Hij de Messias, de Christus is, zegt voldoende over de messiaanse strekking van de titel ‘Mensenzoon’. Steeds komen we in de woorden en daden van Jezus Iemand tegen die zich er bewust van was dat Hij, en geen ander, de heerschappij, het Koninkrijk van God, op aarde representeerde en geroepen was die te verwerkelijken. Dat betekent dat het Koninkrijk tijdens Jezus’ aardse leven zich nog maar in alle voorlopigheid aankondigt. Zijn wonderen en genezingen en doden-opwekkingen zijn tekenen van het Rijk, ze verwijzen naar wat nog komt, de volle openbaring van Gods heerschappij. Het gegeven dat Jezus’ woorden over de Mensenzoon zowel in de context van zijn lijden en opstanding (bijv. Mat. 20:18-20) als zijn parousie staan (zie bijv. Mar.13^6-27; Mat. 24:44) laten ons zien dat Hij die wederkomt dezelfde is als de Heer die geleden heeft, gestorven is en is opgestaan (zie ook Hand. 1:11, het verband tussen hemelvaart en wederkomst).

Eens als de bazuinen klinken (1 Tess. 4:13-18)

Het verband dat we boven zagen tussen de opstanding van Jezus en zijn wederkomst blijkt uit de uitvoerigste tekst die we van Paulus over ons thema hebben: 1 Tessalonicen-zen 4:13-18 (vgl. 1 Kor. 15): ‘Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal God ook zó hen, die ontslapen zijn, door Jezus wederbrengen met Hem’ (vs. 14). Wie het één gelooft, gelooft ook het ander. Jezus’ wederkomst en onze opstanding zijn implicaties van zijn opstanding. In Tessalonica kwam de vraag op of zij die vóór de komst van de Heer gestorven waren, niet verloren waren. Paulus geeft hier antwoord op. De doden zullen eerst opstaan (vs. 16), daarna zullen ‘wij levenden’ hen mogen volgen ‘de Here tegemoet in de lucht’ (vs. 17).

In 2 Tessalonicenzen 2 blijkt dat men de verwachting van de nabije komst van de Heer in Tessalonica zo opvatte dat dit gebeuren al bezig was zich te voltrekken (vs. 2). Dat sommigen geen geregelde arbeid deden, kan met deze overtuiging samenhangen (1 Tess. 4:10b-12; 2 Tess. 3:6-12). Het had geen zin meer, de Heer kon immers elk ogenblik terugkomen.

De Heer is nabij

De eerste christenen hebben de Heer Jezus spoedig terugverwacht. Paulus heeft verwacht dat hij het nog mee zou maken. We vinden het in de boven reeds besproken tekst 1 Tessalonicenzen 4:15: ‘Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan… ‘ (vgl. vs. 17). Paulus werkt dit ook uit in concrete richtlijnen voor het dagelijks leven. In 1 Korintiërs 7:25-40 verbiedt hij het niet om te trouwen, maar beveelt hij toch de ongehuwde staat aan. Immers, ‘de tijd is kort’ (vs. 29), dat wil zeggen: de tijd totdat de Heer terugkomt. enz). Paulus vindt dat we hetleven niet zo moeten inrichten alsof we alle tijd hebben. Zijn haast om de wereld met het evangelie te bereiken, moet daarmee samenhangen. We vinden dit ook bij andere schrijvers van het Nieuwe Testament. In Openbaring wordt geroepen om de spoedige komst van de Heer (22:17, 20).

Een aparte vraag is of Jezus zelf ook gedacht heeft dat de definitieve doorbraak van het Rijk nog in zijn eigen generatie zou komen. Dit wordt volgens een aantal exegeten onder meer gesuggereerd door het woord: ‘Voorwaar, Ik zeg u: Er zijn sommigen onder degenen, die hier staan, die de dood voorzeker niet zullen smaken, voordat zij zien, dat het Koninkrijk Gods gekomen is met kracht’ (Mar. 9:1; vgl. Mat. 10:23). Wie Jezus’ mensheid in het licht van zijn godheid laat verbleken, zal hier moeite mee hebben. Maar als we Jezus’ mensheid ernstig nemen, mogen we ook zeggen dat het Hem niet vanaf het begin duidelijk was op welk tijdstip Gods plan gerealiseerd zou worden. Andere uitleggers wijzen er op dat Jezus in Marcus 9:1 spreekt op de wijze van de profetie, waarin de hele toekomst, dat wil zeggen, opstanding en parousie, samengenomen wordt. Jezus zou hier vooral aan de opstanding denken, die nog in de parousie voleindigd moet worden. Hoe het ook zij, het uitblijven van de wederkomst en de daarmee gepaard gaande openbaring van Gods koninkrijk heeft in de vroege kerk klaarblijkelijk niet geleid tot een diepgaande crisis of twijfel aan het gezag van Jezus’ spreken.

De bruidegom vertoeft

We vinden ook in het Nieuwe Testament al sporen van de ervaring dat de Heer langer weg kan blijven dan aanvankelijk gedacht werd. We kunnen denken aan de gelijkenis van de wijze en de dwaze meisjes (Mat. 25:113). De strekking is: het is mogelijk dat de bruidegom (Jezus) langer wegblijft dan verwacht en dan is het belangrijk dat je de tussentijd kunt overbruggen, dat er voldoende olie (geestelijke reserve) in je vaten zit.

In 2 Petrus 3 wordt ook op dit thema ingegaan. We horen dat er spotters zijn die zeggen: ‘Waar blijft de belofte van zijn komst?’ (vs. 4). Een argument tegen hen en een verklaring van het uitblijven van Jezus’ komst, is dat Gods lankmoedigheid gelegenheid geeft tot bekering (vs. 9). Een verwant motief vinden we in Marcus 13:10: eerst moet aan alle volken het evangelie gepredikt worden, dan pas komt het einde.

Het boek Openbaring

In het boek Openbaring valt de nadruk erop dat het eigenlijke heil nog komen moet. Dat komt door de ervaring van het lijden en het martelaarschap, die zowel de schrijver als de lezers kennen. De lijdende kerk heeft weinig reden om te zeggen dat het Koninkrijk al aangebroken is, maar roept uit alle macht: ‘Kom Here Jezus’ (22:20).

Ook in Openbaring 1:7 wordt teruggegrepen op de terminologie van Daniël 7:13: Jezus Christus komt als de Mensenzoon. Voor de vervolgde gemeente is dit een bron van vreugde en troost (21:1-8 enz.), maar ook van zelfonderzoek. In de zeven korte brieven in hoofdstuk 2 en 3 roept de Heer Jezus op om de zonde uit het midden van de gemeente weg te doen. Aan het slot van dit bijbelboek wordt de gemeente getekend als een bruid die met verlangen uitziet naar de komst van de bruidegom (21:9; 22:17).

Kern

De wederkomst van Jezus houdt een grote belofte in. De voorstellingen die met de boodschap van Jezus’ wederkomst meekomen, zijn voor vele moderne mensen onverstaanbaar en ook wel onaanvaardbaar geworden (bijv.de wolken als drager van de Mensenzoon; het wereldbeeld met ‘boven’ en ‘beneden’). Deze apocalyptische voorstellingen willen echter de verwachting uitdrukken dat God van buitenaf ingrijpt in onze werkelijkheid. Het Koninkrijk van God is geen product van onze inspanningen, het komt niet in een geleidelijk proces, maar het wordt ons door God geschonken door de crisis heen. Voor wie twijfelt aan de toekomst van deze aarde en van onze mensheid is dit goed nieuws: we zijn niet aan onszelf en aan elkaar overgelaten, maar: ‘Mijn hulp is van de Here, die hemel en aarde gemaakt heeft’ (Ps. 121:2). Een christendom dat deze boodschap loslaat, wordt teruggeworpen op zichzelf en houdt als enige mogelijkheid over om zelf te proberen het Koninkrijk van vrede te verwerkelijken.

Verwijzing

Zie voor verwante en /of aanvullend te bestuderen woorden: dag van de Heer, hemelvaart, ontmoeting, tegenwoordigheid, verschijning.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken