Menu

Premium

Wees niet bang om goed te doen

8e zondag van de herfst (Jesaja 48,17-21, 1 Tessalonicenzen 4,1-8 en Matteüs 25,14-30)

De gelijkenis van de talenten is de middelste van drie bij elkaar horende gelijkenissen. De eerste gaat over zorgvuldig omgaan met het licht op je pad (Mat. 25,1-13). De tweede gaat over het durven gebruiken van de weg die je daardoor gegeven is (25,14- 30). De derde gelijkenis gaat over wat je concreet moet doen op die weg (25,31-46). De profetenlezing vertelt hoe de Eeuwige ons de weg van de geboden wijst (Jes. 48,17). In de epistellezing gaat het erom die weg te bewandelen (1 Tess. 4,1).

De gelijkenis begint met ‘een mens die op reis gaat’ (25,14 NB – Gr.: anthroopos apodèmoon). Het ‘op reis gaan’ wordt nog eens bevestigd in vers 15 (Gr.: kai apedèmèsen). Dit ‘op reis gaan’ horen we ook in de gelijkenis van de onrechtvaardige pachters (Mat. 21,33; Marc. 12,1; Luc. 20,9). Nico ter Linden legt uit dat deze gelijkenissen zijn bedoeld als aansporing voor de eerste gemeente, die verweesd achtergebleven is nadat Jezus ‘naar verre streken is gegaan’.1 Ze moeten iets doen met wat hun is geleerd. Het gaat erom dat je als gemeente niet stil in een hoekje zit, maar iets betekent voor de wereld. Het gaat erom dat je je gaven pastoraal en diaconaal inzet om andere mensen te bereiken. De gave is tevens een opgave.

De waarde van een talent

In ons taalgebruik is het woord ‘talent’ algemeen ingeburgerd in de betekenis van een gave of een aanleg om iets goed te doen: je bent getalenteerd. Het Griekse woord talanton heeft echter in de eerste plaats met geld te maken. Een Attische talent is 6000 drachmen waard. Het gaat dan ook algauw om ‘de rekening vereffenen’ (25,19 – Gr.: sunairoo logon). Hetzelfde zien we in een andere gelijkenis van Matteüs, over de koning die met zijn dienaren afrekening wilde houden (18,23-24). Lucas vertelt de gelijkenis van de ponden (19,11-27). Bij hem gaat het om een kleiner bedrag van ‘honderd drachme’ (19,13 NBV04 – Gr.: deka mnas), dat is 1/60 talent. Het wordt ook vertaald met ‘ponden’ (NB) of ‘mine’ (NBV21). In de uitleg gaat het om het geestelijk bezit dat je hebt gekregen. Dat kan meer of minder zijn, maar het is wel de bedoeling dat je er wat mee doet.

Het lijkt erop dat de ‘mens die op reis gaat’ zijn dienaren goed kent. Hij deelt uit wat bij ieder past: niet iedere dienaar krijgt evenveel talenten. De eerste dienaar krijgt vijf, de tweede dienaar twee talenten (25,15). De getallen vijf en twee herinneren aan de vijf boeken van de Tora en aan de twee verzamelingen van de Profeten (Hebr.: nebhi’im) en de Geschriften (Hebr.: ketoebhim), zoals we ook hierna zullen zien. Maar er is ook de bange en angstige dienaar, die zijn ene talent in de grond stopt en verbergt (25,18). We zien dat dit hem achteraf zwaar wordt aangerekend (25,26-30).

De rabbijnen kijken daar toch anders naar.2 Volgens de halacha is het niet verkeerd om als arme je kleine bezit veilig te begraven. Over omgaan met geld wordt gezegd dat diegenen trouw en betrouwbaar zijn die als een huisvader tienden apart leggen of als een arme op het tegoed van een ander passen en het niet stelen. De rabbijnen hebben ook nagedacht over hoe er in de Bijbel gekeken wordt naar het uitvoeren van je opdracht of je roeping als mens. Als voorbeeld gelden Mozes en David, die eerst kleinvee moesten weiden voordat ze het volk gingen leiden. Blijkbaar kun je ook groeien door het gebruik van je talenten.

Jesaja en 1 Tessalonicenzen

De lezing uit Jesaja 48,17-21 sluit aan bij de uitleg van de vijf en twee talenten als Tora, Profeten en Geschriften. Er wordt gezegd: ‘Was je maar opmerkzaam geweest op mijn geboden, dan was je vrede nu als een rivier, je gerechtigheid als de golven van de zee’ (Jes. 48,18 NB). De Tora als verzameling geboden (wegwijzers) kun je beschouwen als gegeven talenten waarmee je wat kunt doen. Als je ze gebruikt en toepast, bereik je vrede en gerechtigheid. Ook de epistellezing uit 1 Tessalonicenzen 4,1-8 spreekt over het bewandelen van de juiste weg. Het gaat erom je te onthouden van ontucht en om op eerlijke wijze zaken te doen. De talenten dienen het algemeen welzijn.

Feestvreugde of duisternis?

De gelijkenis van Matteüs 25,14-30 loopt niet voor iedereen even goed af. Voor wie iets hebben gedaan met de talenten, geldt: ‘kom binnen in de vreugde van je heer’ (25,23 NB – Gr.: eiselthe eis tèn charan tou kuriou sou). Je zou hierbij kunnen denken aan de bruiloft, in de voorafgaande passage, tussen God als bruidegom en de mensen als bruid (25,1-13). De bruiloft zou je ook kunnen begrijpen als de beloofde vrede en gerechtigheid (Jes. 48,18). De toegewijde dienaren of slaven mogen daarvan meegenieten.

Degene met het ene, verstopte en verborgen talent zit met een heel hardvochtig beeld over zijn heer: ‘Ik wist dat je een hardvochtig (Gr.: sklèros) mens bent’ (25,24 eigen vertaling). Dat beeld wordt bevestigd als de heer zegt: ‘Slechte en luie slaaf’ (25,26 NBG). Geen feest voor hem, maar ‘buitenste duisternis’ met ‘geween’ en ‘tandengeknars’ (25,30 NBG). Als je niet mee durft op de door Jezus gegeven weg van vrede, liefde en recht, dan kun je heel ongelukkig en onbevredigd worden. Je mist dan het doel en de zin. De troost is, dat Jezus een eind aan deze duisternis heeft gemaakt door er zelf doorheen te gaan.

Deze exegese is opgesteld door Willemien Roobol.

  1. Nico ter Linden, Koning op een ezel, verhalen uit het Nieuwe Testament, p. 223. ↩︎
  2. Kommentar zum Neuen Testament aus Talmud und Midrasch, Hermann L. Strack en Paul Billerbeck, Band I, p. 970-973 ↩︎

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken