Wegwijzers naar de uiteindelijke bestemming: tesjoeva
Bij Jesaja 40,1-11, Psalm 104,1-13 en Lucas 3,15-16.21-22
Het Hebreeuwse begrip tesjoeva (Grieks: metanoia) wordt meestal vertaald met ‘inkeer’ of ‘bekering’, maar betekent vooral ook ‘terugkeer’, ‘thuiskomst’, zoals van de verloren zoon die na een lange weg terugkeert naar waar hij thuishoort, naar het huis van zijn vader (Luc. 15). Vandaag wordt een profetisch vergezicht geopend op terugkeer naar het ‘huis van de Vader’. Eerst door een profeet in de tijd van de ballingschap in Babylon. Eeuwen later wijst een andere profeet op wie voorgaat op de weg naar het Vaderhuis: Jezus van Nazaret.
De Jesaja-lezing begint met een geheimzinnige dialoog als inleiding, die aansluit bij toen gangbare voorstellingen, dat alles wat op aarde gebeurt ‘in den hoge’ wordt voorbereid, zoals ook het begin van het boek Job laat zien. Hier krijgen anonieme personages de opdracht de Judeeërs die als ballingen in Babylon verblijven en de thuisblijvers te troosten: Jeruzalem zal weer ‘heel’ worden. Want er zal een nieuwe exodus plaatsvinden. De Perzen zullen Babylon verslaan en Cyrus, de koning van de Perzen, zal wat in de hemel is voorbereid, in gang zetten. Hij zal de ballingen laten terugkeren naar Jeruzalem, naar Sion, plaats van Inwoning van de Eeuwige, hun God en hun thuis, waar zij ‘aan Babylons’ stromen’ zo naar terugverlangden (Ps. 137,1).
Uitzicht op terugkeer
Beide godsnamen komen voor: elohiem/God, steeds met een bezittelijk voornaamwoord – ‘jullie’, ‘onze’ God, als onderscheiden van de elohiem, de godheden van Babel: het is júllie God die hier spreekt en jullie naar jullie bestemming leidt, daar mag geen misverstand over bestaan – en anderzijds: JHWH/Heer, de Ene, enige God van Israël.
De profeet, die een sleutelpositie vervult, hoort tweemaal een ‘stem’ roepen: de bat qol, de stem die de goddelijke boodschap overbrengt. De eerste boodschap, Jesaja 40,3-5, is letterlijk genomen moeilijk uitvoerbaar, maar zoals eeuwen later een andere profeet laat horen, gaat het vooral om het herstel van evenwichtige en rechtvaardige verhoudingen, tot sjalom (Luc. 3,7-14). Het licht van de mantel van de Eeuwige zal de weg verlichten van wie terugkeren naar het ‘vaderhuis’, naar Sion: een ‘eerste dag’ (Ps. 104,2).
Bij de tweede opdracht komen er bedenkingen. De geschiedenis zal zich immers herhalen met steeds de dood als einde. Natuurlijk sterven mensen, brengt de profeet daartegenin, maar op onze God kunnen de levenden altijd blijven vertrouwen. Steeds zal er troost en een uitweg zijn, hoe diep de wonden ook zijn die in de mensengeschiedenis geslagen worden. Onze God is een God van leven en niet van dood.
‘Prijs de Eeuwige, mijn ziel’
Dat onze God een God van leven is, neemt de psalmist op in één grote voortgezette lofzang op deze God als schepper van hemel en aarde, als bron en bestemming van alles. De psalm begint en eindigt met zijn uitroep ‘Prijs de Eeuwige, mijn ziel’, die hij nog drie keer herhaalt. Volgens de joodse traditie herinnert dat aan de vijf boeken van de Tora, die al van vóór de schepping bij God was en mens wordt in Jezus van Nazaret (Joh. 1,1).
Psalm 104,1-11 is een parafrase op de eerste scheppingsdagen. Op de eerste dag wordt het licht als Gods mantel gelegd over alles wat geschapen gaat worden. Het wereldbeeld van de psalmist is niet meer het onze. Voor hem is de aarde nog plat, omspoeld door water en afgedekt met een koepel, die sluizen bevat die open kunnen voor regen en waar de hemellichamen aan worden opgehangen. We weten nu ook dat de aarde niet op pijlers rust. Maar dat doet geen enkele afbreuk aan de eerbied en begeestering, waarmee hij de schepping bezingt en daarmee de kleur bepaalt van de beide andere lezingen.
Johannes als gids
Net als zijn collega-profeet eeuwen eerder deed, opent ook Johannes het perspectief op terugkeer naar de uiteindelijke bestemming van zijn volk: de thuiskomst bij de Eeuwige, tesjoeva. Het delen van bezit en van levenskansen effent de weg erheen (Luc. 3,11). Veel volk (3,7) luistert ernaar, zelfs tollenaars en militairen van de bezettende macht. De nieuwe levenswijze die Johannes predikt, boeit zozeer dat men in hem de Messias denkt te zien. Maar hij laat weten dat hij dat niet is en dat zijn doop beoogt mensen op de goede weg te zetten, als voorbereiding op de komst van een ander die komt en zijn volk voorgaat naar het vaderhuis. Met Heilige Geest en vuur als tekens van Gods aanwezigheid, zoals met Pinksteren op de eerste dag van de grote oogst, al zal het oogsten niet zonder weerstand gebeuren (Luc. 12,49). Johannes acht zich zeer de mindere van degene die komen gaat. Immers, het losmaken van schoenriemen mocht niet eens gevraagd worden van een mede-Judeeër, omdat het als zo’n vernederend gebaar werd beschouwd.
De geliefde Zoon van God
Het verhaal vervolgt met de gevangenneming van Johannes en dan ‘gebeuren’ er buiten hem om twee bijzondere dingen (egeneto 3,21; genesthai, 3,22). Aandacht wordt gevraagd voor een profetische, visionaire tekst: heel het volk van God trekt mee door het chaoswater met Jezus, die zoals Mozes voor zal gaan. Door heel zijn evangelie heen toont Lucas ons Jezus in gebed, als om zijn verbondenheid met de Vader te benadrukken. Die wordt hier manifest in een duif: als beeld van Gods Adem, ‘broedend boven de chaoswateren’ (Gen. 1,2); als beeld van liefde (Hooglied); en van het einde van de zondvloed (Gen. 8,11). De stem van de profetie (bat qol) proclameert de intronisatie van Jezus als ‘geliefde koning voor de Eeuwige’ (Ps. 2,7) en herneemt zo wat geldt als de oudste messiaanse profetie, Jesaja 42,1. De stamboom van Jezus die volgt bevestigt dat dit zo was vanaf het begin en ook dat dit het beginpunt is van de weg naar thuis: tesjoeva…
Elke doop markeert een nieuw begin, het zicht op de uiteindelijke bestemming. Ook voor kleinkind Melle. Een stem zegt: jij bent mijn geliefd kind, Aemilius Theodorus – zachtmoedig godsgeschenk. Dat je zó zult zijn in mijn Geest.
Bij Jesaja 40:1-11, Psalm 104:-13 en Lucas 3:5-16.21-22 / doop van Jezus