Menu

Premium

Wegwijzers naar het Licht

5de zondag van Pasen (Deuteronomium 6,1-9, Psalm 145,1-12, Openbaring 19,1-9 en Johannes 13,31-35)

Bijbelwetenschappen

In het kerkelijk jaar leven we tussen Pasen en Hemelvaart. In de lezingen vindt ons leven – nog vóór we lijden, sterven en opstanding van Christus vieren – zijn plaats tussen schepping en voleinding, en tegelijkertijd zowel in de hemel als op aarde onder de heilzame koepel van Gods ontferming. De woorden zijn menselijk, aards en gebrekkig, maar door deze woorden kunnen we ons een voorstelling maken van de nieuwe, geheelde schepping.

Mensen – en niet alleen Israëlieten – zullen zich aan de wetten en geboden van de HEER houden en zo ontzag voor Hem tonen.

Een land dat overvloeit van melk en honing zal hun deel zijn. ‘Luister Israël, de HEER, onze God is de enige. Heb de HEER, uw God lief met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw kracht’ (Deut. 6,4-5). Ze moeten die woorden doorgeven aan wie na hen komen (Deut. 6,7). Ze moeten de geboden ook tastbaar en zichtbaar met zich meedragen, ze voelen op hun handen en hun hoofd (Deut. 6,8). In het oude Israël zijn het uitspreken en doen van woorden niet twee losstaande activiteiten; ontzag voor God vernieuwt de hele menselijke samenleving.

Psalm 145 roept ons op de HEER te prijzen om de schepping, te spreken van de glorie van zijn majesteit, van zijn gerechtigheid vol genade en liefde. ‘Hij ontfermt zich over heel zijn schepping’ (Ps. 145,9). Het zijn grote daden, ook voor het kleinste schepsel op aarde. Zo wordt de aarde wanneer de hemel zich naar haar toewendt.

Openbaring 19,1-9 geeft ons een kijkje in de hemel. Daar mogen we zien hoe rond de Eeuwige op de troon de overwinning op de ‘grote hoer’ wordt gevierd, en alle hemelingen ‘Halleluja!’ juichen. Nu kan de bruiloft van het Lam worden gevierd, de bruid staat al klaar (Op. 19,7). Zo is het altijd al de bedoeling van de Eeuwige geweest, en zo zal het ook zijn.

Verheven in hemelse luister

Na de voetwassing en een deel van de maaltijd (Joh. 13,1-30) was Judas weggegaan, de nacht in – weg van het Licht der wereld (vgl. Joh. 1,4). Jezus is nu in de kring van de betrouwbare leerlingen. Dat bepaalt ook het karakter van de verdere tafelgesprekken (Joh. 13,31–16,33).

Vandaag spreekt Jezus het ‘woord vooraf’ uit (13,31-35); Hij spreekt van de samenhangende relaties van de Zoon met de Vader, van de Zoon met de leerlingen, en van de leerlingen met de Vader. Maar Hij begint met: ‘Nu is de grootheid van de Mensenzoon zichtbaar geworden, en door Hem de grootheid van God’ (NBV21). Of het Griekse werkwoord doxazoo, ‘verheerlijken’, het best met ‘grootheid’ weergegeven kan worden?

Misschien beter met luister, glorie of heerlijkheid? Nu Judas weg is, is er geen schaduw meer die Jezus verduistert. Ook hier beneden wordt nu de luister van God zichtbaar. In de Bijbel is het nog vóór de arrestatie, het lijden en de dood van Jezus. De kerk viert over tien dagen met Hemelvaart dat de Vader Jezus in zijn grootheid zal laten delen. Johannes zegt: Hij zal Hem ‘snel’ (BGT), ‘onmiddellijk’ (NBV21; Gr.: euthus) de plaats naast zich in de hemel geven (13,32).

Waar is Hij te vinden?

Jezus bereidt nu de leerlingen voor op zijn spoedige vertrek (13,33-34). ‘Kinderen,’ zegt Hij, zoals een leraar zijn leerlingen vaak aansprak. Hij gaat naar een plaats waar zij niet kunnen komen. Tegen de joodse leiders had Hij ook zoiets gezegd; ook ‘een korte tijd’ en ‘Mij zoeken, maar niet vinden’ en ‘niet kunnen komen waar Ik ben’ (Joh. 7,33-34). Ook de leerlingen zullen Hem zoeken. Naast gewoon ‘zoeken’ in plaatsen en streken op aarde, is ‘zoeken’ in de joodse traditie sterk verbonden met het bewust en met heel je inzet zoeken naar God, ‘naar het aangezicht van God’, bijna een technische term. Mensen moeten God zoeken met hart en ziel. Ze kunnen Hem vinden; binnen en buiten zijn heiligdom (vgl. Jer. 29,13; Deut. 4,29; Jes. 55,6; Ps. 24,6; Ps. 27,8).

Wie God zoekt, zoekt Hem te aanbidden, maar ook Hem te gehoorzamen. God zoekt ook zijn mensen, en dat is niet altijd eenvoudig; ze proberen nogal eens weg te lopen (Jes. 9,12; 31,1; Jer. 9,12-13; 10,21).

Hoe kunnen ze Hem zoeken en vinden als Hij is waar ze niet kunnen komen? ‘Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar lief’ (Joh. 13,34). ‘Gebod’ (Gr.: entolè) is een veelvoorkomend woord in de Tora en de Psalmen. Het gaat meestal om geboden van God. In het Nieuwe Testament zien we datzelfde: een ‘gebod’ krijgen we van Jezus wanneer Hij als de Zoon spreekt namens de Vader. ‘Nieuw’ (Gr.: kainèn) betekent een heel nieuw begin.

Door zich samen aan dat nieuwe gebod te houden, zullen ze de Heer die ze zoeken vinden, net zoals de Israëlieten God konden vinden buiten de tempel of zonder de tempel in de ballingschap.

Daar is de studie en het houden van de Wet de grootst mogelijke toewijding aan God geworden. ‘Liefhebben’ (Gr.: agapaoo) duidt de liefde aan zoals God die voor zijn kinderen heeft en een vriend voor zijn vrienden. ‘Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden’ (Joh. 15,13).

Daarmee zet Jezus de leerlingen die nog aanwezig zijn op een heel nieuw spoor. De verdere uitwerking en precisering daarvan zien we in het vervolg van de tafelgesprekken. Hier volstaat eenvoudig navolging van wat ze met de liefde van Jezus in hun leven hebben ervaren. De liefde van de leerlingen voor elkaar zal iedereen de weg wijzen naar Jezus en de Vader. De leerlingen en wie na hen volgen, mogen de wegwijzers naar het Licht van de wereld worden (zie Joh. 1,4). Daar wordt de hele wereld licht van.

Deze exegese is opgesteld door Hans Fortuin.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken