Menu

Premium

Wezenzondag: verlangen naar de geliefde

Bij Hooglied 5,9-6,3 en 1 Johannes 5,9-15

De alternatieve lezing uit Hooglied gaat zijn derde zondag in. Nog één week te gaan tot Pinksteren, dat feest van de van liefde brandende Geest van Godswege, die op de hoofden van de leerlingen neerdaalt als een lopende vuurtje. Op die dag lezen we in Hooglied 4 over een vergrendelde tuin – de zuster, de bruid – en over de bruidegom die er mag komen en plukken en eten en dronken (!!) worden van liefde. Maar op de zondag van vandaag is het nog niet zover. Nu gaat het over zoeken, missen, verlangen vooral. Wezenzondag: de zondag van de afwezigheid van en het verlangen naar de geliefde.

In Hooglied 5,1-8 heeft de bruid gezongen over haar droom; haar vriend komt in de nacht en wil bij haar binnenkomen, maar zij weert hem af: het is al laat. De dichter spreekt in erotisch geladen beelden: ‘mijn hoofd is nat van dauw, mijn lokken vochtig van de nacht’ (5,2c); ‘Mijn liefste stak zijn hand naar binnen, een siddering trok door mij heen – om hem!’ (5,4). Maar als zij dan toch opstaat om open te doen, is hij weg. Zij zoekt hem, vertwijfeld, in de nachtelijke stad waar wachters haar vinden en verkrachten (de sluier afrukken, verwonden!).

Ziek van liefde

Dan begint de lezing van Wezenzondag. De bruid bezweert haar vriendinnen om mee te zoeken naar haar vriend en geeft ze een opdracht mee: ‘Wanneer jullie hem vinden, zeg hem dat ik ziek van liefde ben!’ Prachtig hoe de dichter de overgang maakt van die nachtmerrieachtige droom van de bruid naar haar vervoerde beschrijving van de schoonheden van de geliefde, middels de vraag van de vriendinnen: ‘Wat heeft jouw geliefde meer dan een ander, dat je ons dit zo bezweert?’ (5,9b). De beelden waarmee de geliefde van top tot teen wordt beschreven, zijn van een onvergelijkelijke schoonheid; Hooglied is poëzie van de bovenste plank. De geliefde ‘vlagt als een vaandel boven tienduizenden uit’: hij is als de vlag die wappert boven een groot leger, hij steekt met kop en schouders boven alle anderen uit. Voor hem zelfs geen tienduizend anderen! Hij heeft ‘lokken als jonge palmtakken, zwart als de raven’ (5,11b, NB); de vertaling roept het beeld op van Aladdin uit de tekenfilm van Walt Disney – iets voor een kindergesprek? Zijn ogen zijn ‘als duiven bij beken vol water’ (5,12, vgl. 1,15 en 4,1) – ook de bruid wordt ‘duif’ genoemd, als koosnaam (5,2b), wat buiten Hooglied niet voorkomt – en ‘witgewassen als melk’ (5,12): een originele vergelijking waarbij de melk duidt op het glanzende oogwit rond de iris – het is nog niet vertroebeld of rooddooraderd, de vriend is jong en volmaakt gezond.

Zijn lichaam een tempel

Zo gaat het van boven naar beneden en geen lichaamsdeel wordt overgeslagen. Lippen zo rood als lelies – niet die witte grafbloemen, maar de kleine rode klaprozen op het veld (vgl. Luc. 12,27-28) – en ze druipen van mirre. Dat laatste verstaat de Targoem niet zozeer als aanduiding van het verzorgde uiterlijk van de vriend, maar eerder van de zoete woorden die hij spreekt, zijn aantrekkelijke conversatie. Zijn hoofd en lichaam worden vergeleken met kostbare (tempel-?)materialen: goud, ivoor, albast, alles rijkelijk versierd met edelstenen. Zijn houding is kaarsrecht, als de fiere ceders van de Libanon – de postuur van een jonge man die zich van zijn schoonheid bewust is. Niets aan hem valt uit de toon, alles is mooi en begeerlijk.

Erotiek

De tegenstem van de vriendinnen klinkt op: ze heeft hen overtuigd, als hij zo allemachtig prachtig is, zo volmaakt – dan willen wij hem wel zoeken! De bruid weet nu wel (!) waar hem te vinden: hij is in zijn tuin (6,2). Ook dit is weer een prachtige overgang naar het volgende onderwerp dat bezongen gaat worden: het liefdesspel van de bruid en de bruidegom. Dit speelt zich af in de tuin: daar ‘plukt hij zijn lelies’; ‘ik ben van mijn liefste en mijn liefste is van mij, de herder die daar weidt tussen de leliën!’ (6,3). Onverbloemde erotiek, minnespel, tussen de (hemelse) geliefde en de (aardse) minnares/gelovige, zoals Hadewijch en Hildegard van Bingen het beschreven.

Woestijntijd

Dit alles klinkt op zondag ‘Weeskinderen’, tussen Hemelvaart (verlating) en Pinksteren (komst, vervulling). De zondag waarop de gemeente hunkerend uitziet naar haar hemelse bruidegom, die haar ogenschijnlijk heeft verlaten, zoals de vriend in de droom uit Hooglied 5,1-8, maar die als de Geest terugkomt en het gehele huis vult op de dag van Pinksteren. Het is waar, wij zijn ver verwijderd geraakt van de strikt allegorische uitleg in de exegeses van Hippolytus, Origenes, Gregorius de Grote en vele anderen, en lezen het Hooglied terecht als wat het is: prachtige liefdespoëzie. Maar wanneer je deze teksten leest in de ‘woestijntijd’ naar Pinksteren toe, dan zijn er directe parallellen: het verlangen en het gemis, het feest van weer samenkomen en de wederzijdse liefde beleven. En daar doet ook het lichaam aan mee…

Als in Hooglied is in 1 Johannes 5,9-15 de liefde de bepalende factor. De liefde is het richtsnoer voor het handelen, zegt de briefschrijver. Wie uit God geboren is, is zonder zonde, kan zelfs niet (meer) zondigen, zegt hij met grote stelligheid (5,18). In het handelen wordt het onderscheid zichtbaar tussen de kinderen van het licht en de kinderen van de tegenstander. Datzelfde geldt voor de liefde tussen broeders en zusters in de gemeente. Liefde is geboden, en als voorbeeld wordt het handelen van Kaïn aangehaald, die zijn broeder doodsloeg (3,12). Het kwaad verdraagt de rechtvaardigheid niet, omdat de rechtvaardigheid het kwade van het kwaad aantoont: het licht toont aan wat duister is en omgekeerd. En dit dan geschreven in de dagen na de aanslag op Charlie Hebdo…

Wellicht ook interessant

None

Recensie van Matthijs Schuurman over het boek Drie-eenheid

In 2024 schreef Bram van de Beek een artikel voor een wetenschappelijke encyclopedie over hoe er in de Vroege Kerk werd gedacht over de drie-eenheid. Al vanaf de jaren-’80 is hij actief als hoogleraar. In 1981 volgende hij in Leiden prof. dr. H. Berkhof op als hoogleraar Dogmatiek. In 2000 verhuisde hij naar de Vrije Universiteit, waar hij Symboliek ging doceren. Bij symboliek gaat het om de inhoud van de geloofsbelijdenissen. Ook was Van de Beek bijzonder hoogleraar Systematische theologie aan de Universiteit van Stellenbosch in Zuid-Afrika.

None

Recensie van Matthijs Schuurman over het boek Inferno

Iedereen heeft misschien wel zijn eigen beeld van de hel. Persoonlijk vind ik de hel zelf veel moeilijker voor te stellen dan de hemel. Als ik de hel zou moeten verbeelden, dan zou ik kiezen voor een druk winkelcentrum waar ik eindeloos op en neer ga op de roltrap. Ik ben dan in een drukte van mensen waar ik niet verbonden mee kan raken, omdat die mensen op dat moment allemaal voor zichzelf leven. Een plek waar ik innerlijk alleen maar onrustig kan worden en onrustig zal blijven. Zo stel ik me de hel voor: als een plek waar ik in het leven hier op aarde al niet graag kom. Als ik over het beeld nadenk, ontbreekt een belangrijk element: God Die Zijn oordeel heeft uitgesproken over mijn leven. Dat ik niet zonder reden voor altijd op die roltrap op en neer zal gaan en ik innerlijk gek wordt van de steeds toenemende onrust.

Jan Luyken (1700), Origenes onderwijst zijn studenten.
Jan Luyken (1700), Origenes onderwijst zijn studenten.
Basis

Waarom ‘Eeuwig’ toch niet altijd een goed vertaalwoord is

Enkele publicaties vorig jaar, waaronder het boek “Het einde van de Hel” van Reinier Sonneveld, hebben de eeuwenoude discussie of God alle mensen uiteindelijk zal redden1 weer nieuw leven ingeblazen. Een belangrijk argument tegen de leer dat voor ongelovigen de hel de eindbestemming zou zijn, is dat de Hebreeuwse en Griekse woorden die meestal met “eeuwig” vertaald worden, niet de betekenis “eindeloos” hebben. Dat was aanleiding voor het blad Met Andere Woorden (MAW), een vakblad voor Bijbel en vertalen, om een themanummer uit te geven rondom dit woordje, “eeuwig” en “eeuwigheid”. En, hoewel vertalers zich het liefst op de tekst zelf focussen, ontkom je er niet aan keuzes te moeten maken die aan een dergelijke discussie raken.2 Zo moet een vertaler kiezen of hij meegaat in het zo bekende “eeuwig” en “eeuwigheid”, of in navolging van kritiek en diverse onderzoeken voor een andere weergave kiest. In het themanummer verdedigden enkele artikelen de keuze voor “eeuwig”. In de studievertaling waar ik aan mee mag werken, de Nieuwe Concordante Vertaling (NCV),3 is echter een andere keuze gemaakt. In dit artikel laat ik graag zien waarom “eeuwig” toch niet altijd een goed vertaalwoord is.

Nieuwe boeken