‘Wie is deze dat zelfs de wind en de zee Hem gehoorzamen?’
Bij Job 30:15-26 en 38,1 en Marcus 4:35-41
Job 30:15-26 en Marcus 4:35-41, samen gelezen op één zondag, gaan zich met elkaar verhouden als de twee helften van een tweeluik, of als twee complementaire kleuren: ze versterken elkaar. In de eerste lezing klinkt het verwijt van Job tegen God: ‘Ik roep tot U om hulp en U antwoordt niet, hier sta ik, maar Gij schenkt mij geen aandacht’ (Job 30,20). Zoals in het boek Job, waar God doof en blind lijkt voor de storm van ellende die over Job heen raast, zo wordt er in Marcus verteld hoe de discipelen Jezus – die tijdens de storm die hun schip overvalt rustig ligt te slapen – moeten roepen, zoals Job tot God roept: ‘Meester, doet het U dan niets dat wij vergaan?!’ (Marcus 4,38).
Maar anders dan in Job, waar de klacht althans in de perikoop van deze zondag onbeantwoord blijft, volgt in Marcus een dabar, een (ant)woord dat meteen daad is: ‘Dan, helemaal wakker, straft Hij de wind af en zegt tot de zee: zwijg stil, houd je koest!’ (Marcus 4,39). De Messias is God-met-ons, midden onder ons, een mens die woorden spreekt en daden doet die de menselijke maat overstijgen en ons leven met Gods handelen verbindt.
Storm op het meer
Driemaal vertelt Marcus van een tocht van Jezus met zijn dicipelen over het meer. Dit verhaal is het eerste van die drie. Ze varen weg van de ene oever naar de overkant. Nauwelijks zijn ze echter op het meer of ze worden overvallen door een storm, zo hevig dat de boot meteen vol water loopt. Een precaire situatie, zelfs voor deze ervaren vissers, die op het water heus wel meer stormen meegemaakt zullen hebben. Jezus ligt rustig slapend tegen de achtersteven: een groot contrast met de situatie van storm en hoge golven en een boot die veel water maakt. In bozige paniek wekken de leerlingen Hem: ‘Kan het U dan niets schelen dat wij ondergaan?!’ Zijn reactie – maar pas nadát Hij het water en de wind tot de orde heeft geroepen – is: ‘Waarom zo bang? Geloven jullie nog steeds niet?’ (Marcus 4,40).
Die uitspraak doet denken aan Jezus’ vraag uit Marcus 7,18: ‘Begrijpen ook jullie het dan nog niet?’ en Marcus 8,17-18: ‘Begrijpen en verstaan jullie het nog niet? Is jullie hart versteend? Je hebt toch ogen, zie je dan niets? Je hebt toch oren, hoor je dan niets?’ De schrijver is er kennelijk aan gelegen deze donkere, terughoudende kant van de discipelen te benadrukken. Zij zijn geen heiligen die zonder aarzelen op hun doel afgaan, maar heel gewone mensen, met alle lek en gebrek die mensen aan kunnen kleven. De Messias echter heeft haast – blijkens het veelvuldige gebruik van het woordje euthus bij Marcus! – en lijkt door hun twijfel in zijn missionaire vaart gehinderd te worden: Hij heeft hun ondersteuning, hun solidariteit, hun geloof nodig.
Ontbrekend geloof
En juist aan dat geloof schort het. Haast verwijtend klinken hun woorden: ‘Kan het U niets schelen dat wij ondergaan?!’ Een beladen woord, apollumein, het betekent vergaan, ten onder gaan. In de synagoge in Kafarnaüm gebruikt de demon hetzelfde woord, wanneer hij tegen Jezus zegt: ‘Jij bent gekomen om ons te vernietigen!’ (Mar. 1,24). En in Marcus 3,4 gebruikt Jezus het zelf als Hij aan de Farizeeën vraagt: ‘Wat mag je op sabbat doen: goed of kwaad? Een leven redden of het vernietigen (apollumein)?’ De leerlingen verwijten met hun kribbige vraag in feite Jezus dat Hij bezig zou zijn met het programma van zijn tegenstanders: leven vernietigen. Meer dan begrijpelijk dat Hij hen terechtwijst.
De oplettende lezer merkte misschien al op, dat dit het enige verhaal is waarin Jezus zijn kracht inzet voor het redden van zijn eigen discipelen en wel op een moment dat zij Hem wantrouwen. Dat staat in schrille tegenstelling tot het vertrouwen van die anderen, tegen wie de Messias zegt: ‘Je geloof/vertrouwen heeft je behouden’: de vrouw uit Marcus 5,34 die geneest na de aanraking van Jezus’ kleren en de blinde Bartimeüs (Mar. 10,52).
Kernpunt van het verhaal van deze tocht over het meer is de vraag van de discipelen op het eind: ‘Wie is deze, dat zelfs water en wind Hem gehoorzamen?’ (4,41). Dat de demonen Hem gehoorzamen – soit, maar dat zelfs de natuurkrachten, die zij, vissers van beroep, als geen ander kennen: onbetrouwbaar, onvoorspelbaar, ontembaar – dat ook water en wind, deze oerkrachten uit de tijd van de schepping, Hem gehoorzamen. Wie moet deze dan wel zijn? Gods Geest zweefde over de wateren, maar Gods geliefde Zoon staat rechtop in het schip dat door de oerkracht van golven verzwolgen leek te worden. Met alle macht die Hem is verleend, staat Hij boven de kracht van demonen, van natuurgeweld, van het water en ook van sommige mensen.
Jobs geloof
Jobs klacht blijft in de verzen 15-26 onbeantwoord. Dat antwoord komt pas in 38,1 waar staat: ‘Toen begon de Heer in storm en wind tot Job te spreken.’ Dit vers is toegevoegd aan de perikoop en daar stopt de lezing dan. Vermoedelijk is hij door de makers van het leesrooster geheel en al op de lezing van Marcus toegesneden, bijna als een toegevoegde illustratie. Daarmee doen we Job uiteraard geen recht, maar twee zo verschillende lezingen in één preek uitputtend willen behandelen, is ook niet raadzaam. Beter wachten we dan op een alternatief spoor met een doorgaande lezing van het boek Job. Het is ook de vraag of je de alles beheersende ellende van Job gelijk mag stellen met de tijdelijke benardheid van de discipelen in hun bootje op het meer. Wat echter wel een notie is die beslist belicht mag worden: hoe Job blijft vasthouden aan God als zijn God, op wie hij zijn vertrouwen uiteindelijk blijft zetten. Hij weigert zijn geloof op te geven en blijft God aanspreken op zijn eigen unieke Zijn. Job blijft geloven in déze God, die heeft gezegd dat Hij betrouwbaar is voor mensen.