Menu

Basis

Wie was Johannes de Doper?

Tussen inkleuring en geschiedenis

Wie was Johannes de Doper? In het onderzoek naar de Doper is dit een terugkerende vraag. Dat is ook niet verwonderlijk. We hebben relatief veel bronmateriaal over de Doper. Jezus van Nazareth en Paulus van Tarsus buiten beschouwing gelaten, is er geen ander personage over wie het Nieuwe Testament meer vertelt dan over Johannes. In het werk van elk van de vier evangelisten speelt hij een prominente rol. Bovendien wijdt ook Flavius Josephus in zijn Joodse Oudheden een passage aan Johannes, die ook bij hem de bijnaam ‘de Doper’ krijgt (Ant. 18.116-119). Johannes wordt ook nog genoemd in geschriften uit latere tijd, maar er is brede consensus dat deze geen betrouwbare informatie over het leven van de historische Johannes bevatten. In de evangeliën en Josephus hebben we relatief veel tradities over Johannes de Doper, naar begrippen van de Oudheid. Het is alleen vanwege de aard van die bronnen niet eenvoudig om de vraag te beantwoorden wat we nu eigenlijk weten over de historische Johannes. In het eerste, grootste deel van dit artikel wordt per brontekst besproken op welke manier Johannes de Doper daarin functioneert. Vervolgens worden in het tweede deel van dit artikel de contouren geschetst van een bescheiden historische reconstructie van de persoon van Johannes de Doper.

Uit de tweede hand

Johannes heeft zelf geen geschreven teksten nagelaten. We kennen hem dus alleen uit de tweede hand. Bovendien is het in geen van de bronnen waarin hij voorkomt in de eerste plaats om Johannes zelf te doen. In bron Q en de evangeliën laat de typering van Johannes de persoon van Jezus des te duidelijker naar voren komen. In het werk van Flavius Josephus staat de passage over Johannes de Doper ten dienste van het grotere verhaal over Herodes Antipas. Hoezeer Johannes in deze verhalen de tweede viool speelt, wordt maar al te duidelijk wanneer we de typering van Johannes in de bronnen nader in kaart brengen.[1]

Bron Q

De oudste bron waarin Johannes de Doper een rol speelt is bron Q, die ten grondslag ligt aan de evangeliën van Matteüs en Lucas en die voornamelijk uitspraken bevat van Jezus en van Johannes de Doper. In Q wordt Johannes voorgesteld als een profeet – zelfs als ‘meer dan een profeet’ (Matteüs 11:9; Lucas 7:26), die een naderend oordeel aankondigt, uitgevoerd door iemand die na hem komt (Matteüs 3; Lucas 3). Alleen door berouw en bekering is het mogelijk aan het vuur van het oordeel te ontkomen. In de context van Q duidt de verwijzing naar ‘degene die na mij komt’ op Jezus. Dit typeert de rol van Johannes in Q. Ze staan hand in hand tegenover ‘deze generatie’ (Lucas 7:31-35), maar uiteindelijk is Jezus de sterkere en is Johannes degene die Hem aankondigt.

Marcus

In het evangelie naar Marcus wordt Johannes geïntroduceerd met een citaat uit Jesaja 40:3 en Maleachi 3:1: een wegbereider voor de komst van de Heer (Marcus 1:2-3), die in zijn voorkomen doet denken aan Elia (Marcus 1:6; een toespeling op 2 Koningen 1:8 LXX). Lezers van Marcus zullen bij ‘de Heer’ hebben gedacht aan Jezus en inderdaad: wat Marcus vertelt over Johannes’ optreden (Marcus 1:4-8), zijn autoriteit (Marcus 11:27-33) en zijn dood (Marcus 6:14-29) grijpt vooruit op Jezus’ optreden, zijn autoriteit en zijn dood. Nergens wordt dit duidelijker gezegd dan wanneer Jezus zijn leerlingen uitlegt dat de Elia, naar wiens komst zij in lijn met vroeg-joodse verwachting uitkeken, al gekomen ís en dat de Zoon des mensen hetzelfde lot zal ondergaan als hij (Marcus 9:9-13). Hier wordt Johannes getypeerd als een lijdende Elia. Deze voorstelling – die uniek is in het vroege jodendom, maar voortbouwt op de traditie van de vervolging van de profeten – bereidt zijn lezers voor op een typering die eveneens vreemd is aan het vroege jodendom, namelijk die van een lijdende messias. Zo functioneert Johannes, de lijdende Elia, bij uitstek als wegbereider voor de komst van de Heer: Jezus de Messias.

Matteüs

Matteüs, voortbouwend op Marcus en Q, handhaaft de typeringen van Johannes als wegbereidende Elia niet alleen, maar werkt deze nog sterker uit. Matteüs brengt een patroon van parallellen aan tussen Johannes de Doper en Jezus: zij verkondigen dezelfde boodschap (Matteüs 3:1-2; 4:17), waarschuwen hun gehoor in identieke bewoordingen (Matteüs 3:10; 7:19) en duiden beiden hun tegenstanders aan als ‘adderengebroed’ (Matteüs 3:7; 23:33). Over zowel Johannes als Jezus wordt gezegd dat hun tegenstanders aarzelen om in te grijpen, aangezien het volk hen voor een profeet houdt (Matteüs 14:5; 21:46). Wanneer Matteüs vertelt over de dood van Johannes de Doper (14:3-12), doet hij dat met formuleringen die hij verderop in zijn evangelie laat terugkomen met betrekking tot de dood van Jezus. Bovendien vervult Elia/Johannes de Doper bij Matteüs, nog sterker dan bij Marcus, de rol van voorloper voor de messias. Zo vertelt Matteüs niet alleen dat Johannes de wegbereider van Jezus is (Matteüs 3:3), maar laat hij het ook zien. Tegelijkertijd is het geen twijfel wie van de twee het belangrijkste is: bij hun (enige) ontmoeting verklaart Johannes Jezus onomwonden als zijn meerdere (Matteüs 3:14-15) en dit zet de toon voor de verhouding tussen beiden.

Lucas

Het Lucasevangelie vertelt als enige over Johannes’ geboorte. Waarschijnlijk heeft een deel van Lucas 1 oorspronkelijk als zelfstandige traditie gefunctioneerd in de kring van Johannes’ volgelingen, die na zijn dood hun meester trouw bleven. Zulke leerlingen van Johannes de Doper komen ook voor in het tweede deel van Lucas’ tweeluik; zij laten zich op Paulus’ prediking dopen in de naam van Jezus (Handelingen 19:1-7). Dat typeert eigenlijk heel Lucas’ omgang met de Doper. In de geboorteverhalen van Johannes en Jezus worden beiden als van God gezonden getypeerd, maar het lijkt ook bij Lucas geen twijfel dat Jezus van hen de meerdere is. De nog ongeboren Johannes bevestigt dit zelfs al in de moederschoot (Lucas 1:44).

Verderop in het Lucasevangelie komt dezelfde verhouding naar de voorgrond. Johannes en Jezus worden daar beiden als Elia-achtige profeten neergezet, maar terwijl Johannes’ rol als Elia alleen die van wegbereider is, doet Jezus de wonderen die Elia ook deed. Meer dan in Q en in Marcus wordt Johannes’ prediking in Lucas getypeerd door de aankondiging van het heil – Johannes’ prediking wordt zelfs geduid als ‘evangelie’, goed nieuws (Lucas 3:18) – maar het is pas in de bediening van Jezus dat de heilstijd ook daadwerkelijk aanbreekt (Lucas 4:14-21).

Flavius Josephus
Flavius Josephus. William Whiston, 1817.

Johannes

In de openingsverzen van het vierde evangelie wordt Johannes in verheven termen geduid, al is ook meteen duidelijk dat er iemand nóg verhevener is dan hij. Johannes is een van God gezondene om te getuigen van het licht, maar zelf was hij het licht niet (Johannes 1:6-9). Dit woord ‘getuige’ typeert de rol van de Doper in het vierde evangelie bij uitstek. Hij is niet de messias, niet Elia of een van de profeten, maar ‘een stem die roept in de woestijn’ (Johannes 1:21-23). De woorden die hij spreekt worden herhaaldelijk geduid als getuigenis (Johannes 1:19, 32, 34). Als getuige wijst Johannes op Jezus, het Lam van God dat de zonden van de wereld wegneemt (Johannes 1:29). Naarmate Jezus meer volgelingen krijgt, wordt Johannes’ rol kleiner en verdwijnt hij geruisloos van het toneel. Zo moet het volgens de Doper zelf ook zijn: ‘Hij moet groter worden en ik kleiner’ (Johannes 3:30). De nadrukkelijke ontkenning dat Johannes de messias is (Johannes 1:6-9; 1,21) samen met zijn eenzijdige rol als getuige van Jezus en zijn nadrukkelijk steeds kleiner wordende rol door het evangelie heen, lijkt erop te wijzen dat het vierde evangelie mede is geschreven in reactie op volgelingen van Johannes de Doper die aan het eind van de eerste eeuw in hun meester een messiasfiguur zagen; de vierde evangelist wil hen ervan overtuigen dat niet Johannes, maar alleen Jezus die titel toekomt.[2]

Josephus

De Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus wijdt in zijn Joodse Oudheden een korte passage aan Johannes, die ook bij hem de bijnaam ‘de Doper’ krijgt (Ant. 18,116-119). Josephus noemt Johannes ‘een goed man’ die het volk opriep tot deugdzaamheid en rechtvaardigheid. Volgens Steve Mason typeert dit woordpaar Johannes voor Grieks-Romeinse lezers als een prediker van Joodse moraal.[3] In lijn daarmee wordt de doop van Johannes getypeerd als ‘niet voor vergeving van zonden, maar voor de reiniging van het lichaam nadat de ziel door rechtvaardigheid gereinigd is’ (Ant. 18,117). Van een naderend oordeel – zo prominent aanwezig in Q en de synoptici – is bij Josephus geen sprake, in lijn met het doodzwijgen van eschatologische verwachting elders in het werk van Josephus. Verder noemt Josephus dat Herodes Antipas de Doper gevangen liet nemen en hem opsloot in het fort Machaerus, op de grens van Perea en Nabatea, waar hij Johannes ter dood liet brengen.

De passage over Johannes is een uitweiding in Josephus’ vertelling over de wandaden van Herodes Antipas. De slechtheid van Herodes Antipas komt des te duidelijker naar voren door het contrast met Johannes – ‘een goed man’ – die nota bene op last van Antipas ter dood gebracht is. Al is dat niet het hele verhaal. ‘Sommigen Joden’ – en Josephus suggereert dat zij gelijk hebben – zien namelijk in Herodes’ nederlaag in de oorlog tegen de Nabateese koning Aretas (opnieuw dus op de grens van Perea en Nabatea!) de hand van God, die hiermee de dood van Johannes gewroken zou hebben. Zo ‘gebruikt’ Josephus de passage over Johannes de Doper om twee van zijn geliefde thema’s voor het voetlicht te brengen. Het is de thematiek van goddelijke vergelding en de overtuiging dat de Joodse Opstand mede te wijten is aan onrechtvaardig bestuur.

Geen van deze bronnen is zonder problemen; in het Nieuwe Testament heeft dat wat over Johannes wordt verteld zonder uitzondering tot doel de identiteit en positie van Jezus des te sterker te doen uitkomen en Johannes is daar dan ook consequent ondergeschikt aan Jezus zelf. Flavius Josephus zet in zijn werk het vrome optreden van Johannes in contrast met het goddeloze handelen van Herodes Antipas, die zich daarin niet onderscheidt van de vele heersers die in de aanloop ervan regeerden. Herodes’ nederlaag in een grensoorlog tegen de Nabatese koning Aretas is dan ook terecht te wijten aan goddelijke vergelding.

Wie was Johannes de Doper?

De bespreking hierboven laat zien dat het beeld van Johannes de Doper in de bronteksten sterk gekleurd is. In de verhalen die over hem zijn overgeleverd, staat hij telkens ten dienste van iemand anders (als niet Jezus dan wel Herodes Antipas). Ook de woorden die hij spreekt worden in zo’n context geplaatst dat ze precies dít doel dienen. Kunnen we achter deze inkleuringen in de vroegchristelijke geschriften en het werk van Flavius Josephus nog iets zeggen over de historische Johannes? Ja, dat kan – mits met de nodige voorzichtigheid en bescheidenheid.

Johannes moet ergens aan het eind van de eerste eeuw voor onze jaartelling geboren zijn. Volgens het geboorteverhaal van Lucas kwam hij uit een priesterfamilie uit het bergland van Judea. Het is goed mogelijk dat deze traditie teruggaat op een historische kern. Johannes’ waterritueel impliceert tegen een vroeg joodse achtergrond een nadruk op reinheid en een priesterlijke afkomst past daar goed bij. Johannes’ gespannen verhouding tot het establishment en zijn optreden in de woestijn en bij de Jordaan (en niet bij de tempel) past goed bij een rurale achtergrond in het woestijnachtige Judese bergland.

Heeft Johannes in zijn jonge jaren, voor de tijd dat we hem in het Nieuwe Testament ontmoeten, enige tijd behoord tot de gemeenschap die in Qumran zou hebben gewoond en die in verband staat met de Dode Zeerollen? Hoewel deze gedachte na de eerste publicatie van bij Qumran gevonden teksten met verve verdedigd is, zijn er tegenwoordig nauwelijks nog stemmen in het wetenschappelijk onderzoek naar Johannes de Doper die een direct verband bepleiten. De raakvlakken tussen Johannes de Doper en de Dode Zeerollen kunnen beter verklaard worden vanuit de cultureel-religieuze inbedding in de brede schakering van het vroege jodendom dan dat er sprake zou zijn van een direct verband.[4]

Op basis van de datering in Lucas 3:1-2 valt het begin van Johannes’ openbare optreden in 27/28 na Chr. Johannes trad op in de woestijn bij de Jordaan, waar hij zijn gehoor opriep om in het licht van het naderend oordeel, zich te bekeren. Tegen de achtergrond van het Oude Testament komt dit neer op een terugkeer naar het verbond. Daarmee staat Johannes in de lijn van de oudtestamentische profeten, die op vergelijkbare wijze hun volksgenoten waarschuwden. Wie is degene die volgens Johannes het oordeel zou voltrekken? In de evangeliën verwijzen zijn woorden onomwonden naar Jezus. De beelden die Johannes in zijn prediking ontleent aan met name Jesaja en Maleachi 3 hebben echter betrekking op God zelf die komt om te oordelen. Mogelijk heeft Johannes dan ook eerder aan God zelf gedacht dan aan een messiasfiguur, al wordt ook dat laatste in het onderzoek over Johannes de Doper wel bepleit.

Degenen die gehoor gaven aan Johannes’ verkondiging, werden door hem gedoopt. Johannes’ doop past goed bij de nadruk op reinheid in het jodendom van die dagen; ook toen al speelde regelmatige onderdompeling in miqwa’ot daarbij een belangrijke rol. Toch onderscheidt Johannes’ rite zich hier ook van, getuige zijn bijnaam ‘de Doper’, die zowel bij de synoptici als bij Josephus is overgeleverd. Anders dan de meeste Joodse waterrituelen, had de doop van Johannes een eenmalig karakter en stond deze (in het verlengde van Ezechiël 36:25-28?) in het teken van bekering/verbondsherstel in het licht van het naderende eschatologische oordeel, zodat Israël klaar zou zijn voor het moment waarop God zijn koningschap zou vestigen.

Ook Jezus van Nazareth werd door Johannes gedoopt. Juist het gegeven dat vroegchristelijke teksten op allerlei manieren deze gebeurtenis proberen te verklaren of af te zwakken – zie de dialoog in Matteüs 3:14-15, of de indirecte manier waarop Lucas en Johannes Jezus’ doop beschrijven – laat zien dat het hier om een historische gebeurtenis gaat. Dit impliceert dat Jezus de woorden van Johannes ter harte nam. Jezus moet Johannes dus enige tijd, in elk geval in de periode voorafgaand aan zijn doop, als leermeester hebben beschouwd. De waarderende manier waarop Jezus volgens de herinnering van de evangelisten over Johannes sprak, laat in elk geval zien dat Jezus zich niet van de Doper heeft afgekeerd. Misschien klinkt in Jezus’ woorden zelfs nog een deel van Johannes’ onderwijs door – dat is in elk geval wat Clare Rothschild beargumenteert met betrekking tot Q.[5] Een belangrijk verschil tussen Johannes en Jezus is evenwel de plaats van de doop. Ook als de traditie dat Jezus en Johannes enige tijd beiden mensen doopten een historische kern bevat (zie Johannes 3:22-30), dan nog is duidelijk dat het accent in Jezus’ optreden niet op de doop lag, maar op ethisch onderwijs.[6]

Johannes’ prediking, en waarschijnlijk in het bijzonder zijn aankondiging van het komende oordeel en de komst van het koninkrijk van God, bracht hem in conflict met Herodes Antipas. Daarbij lijkt mede een rol te hebben gespeeld dat Johannes zich kritisch uitliet over Herodes’ huwelijksperikelen. Hoe het ook zij, Herodes Antipas laat Johannes gevangenzetten en executeren, volgens Josephus in Machaerus, aan de zuidgrens van Herodes’ rijk.

Johannes is na zijn dood geenszins in de vergetelheid geraakt. Een groep van zijn leerlingen bleef hun leermeester trouw. Dat Josephus een passage aan hem wijdt, overigens zonder dat deze op enigerlei wijze in verband staat met Jezus van Nazareth, laat zien dat de herinnering aan hem in Joodse kringen levend bleef. Ook is hierboven al genoemd dat de manier waarop de verhouding tussen Johannes en Jezus op sommige plaatsen in de evangeliën beschreven wordt (Lucas 1, Handelingen 19:1-7 en het Johannesevangelie), suggereert dat er in de laatste decennia van de eerste eeuw sprake was van een zekere rivaliteit tussen de volgelingen van Johannes en die van Jezus. Daarna verliezen we het zicht. Later in de tijd zijn er soms nog wel groepen die Johannes in ere houden – in het bijzonder de Mandeeërs, voor wie Johannes tot op de dag van vandaag de belangrijkst profeet is –, maar het is riskant om een directe lijn vanaf Johannes tot deze groepen te veronderstellen.

Concluderend

De bronteksten over Johannes tonen een gekleurd beeld van de Doper. De evangeliën houden Jezus’ waarderende woorden over Johannes in herinnering en maken tegelijkertijd zonneklaar dat niet Johannes, maar Jezus de messias is en dat Johannes slechts in zijn schaduw staat. Flavius Josephus typeert Johannes zo dat zijn Grieks-Romeinse lezers in hem een moreel voorbeeld zien, waardoor de verdorvenheid van Herodes Antipas des te sterker naar voren komt. Kortom, een neutraal beeld van de Doper vinden we nergens in onze bronnen terug. Als we daar echter met alle voorzichtigheid doorheen kijken, rijst het beeld op van een profeet die in lijn met de oudtestamentische profeten zijn volksgenoten waarschuwde voor het naderend oordeel, hen opriep terug te keren tot het verbond en dit te bezegelen door zich te laten onderdompelen. Zijn radicale prediking bracht hem in conflict met de heersende macht en dit leidde uiteindelijk tot Johannes’ dood. Zijn leerlingen bleven vasthouden aan zijn onderwijs. Toch is Johannes’ nalatenschap uiteindelijk nergens groter dan in het voortleven van zijn ideeën in het onderwijs van die éne dopeling, Jezus van Nazareth.

Marco Rotman heeft expertise op het gebied van de Bijbelwetenschappen, in het bijzonder de geschiedenis, leefwereld en theologie van het Nieuwe Testament. Hij is docent Hermeneutiek en Nieuwe Testament aan de Christelijke Hogeschool Ede.


[1] Zie Marco Rotman, The Call of the Wilderness: The Narrative Significance of John the Baptist’s Whereabouts, CBET 95 (Leuven: Peeters, 2020); idem, ‘John the Baptist’, in: Bill Encyclopedia of Early Christianity, ed. David G. Hunter, Paul J.J. van Geest, Bert Jan Lietaert Peerbolte (Leiden: Brill, in druk).

[2] Zie o.a. Joel Marcus, John the Baptist in History and Theology, SPNT (Columbia: University of South Carolina Press, 2018).

[3] Steve Mason, Josephus and the New Testament (2nd ed., Peabody: Hendrickson, 2003), 215.

[4] In het themanummer dat Schrift in 2010 aan Johannes de Doper wijdde, wordt deze kwestie nader besproken door Valérie Kabergs en Eibert Tigchelaar, ‘Woestijn en water: Johannes de Doper en Qumran,’ Schrift 252 (2010): 199-202.

[5] Clare K. Rothschild, Baptist Traditions and Q, WUNT 190 (Tübingen: Mohr Siebeck, 2005).

[6] Zie verder Annette Merz, ‘Johannes de Doper en Jezus: De onderlinge relatie van twee profeten’, Schrift 252 (2010): 208-212.


Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken