Menu

Premium

Wijn

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Over het tijdstip waarop mensen voor het eerst tot ontdekking kwamen dat uit druiven wijn gemaakt kon worden, is niets met zekerheid te zeggen. Het gebeurde in ieder geval lang geleden. In het verhaal van Genesis over Noach wordt verteld dat hij na de zondvloed te hebben overleefd een landman werd en een wijngaard plantte. Dit oude verhaal maakt geen geheim van de schaduwzijde van de wijn. Noach genoot van de vrucht van zijn wijngaard en werd dronken (Gen. 9:20-21). Wijn is alle eeuwen door een populaire drank gebleven. Dat was het in bijbelse tijden, het is het ook in onze tijd. In de landen van het Midden-Oosten wordt veel meer wijn dan bier gedronken. Klimaat en bodemgesteldheid bepalen in belangrijke mate welke drank geproduceerd kan worden.

Grondtekst

Het Hebreeuws kent enkele woorden die met ‘wijn’ vertaald kunnen worden. Het meest (139x) komt voor: jajin – onder meer in verbindingen, zoals lèchèm wajajin (brood en wijn: Gen. 14:18; Richt. 19:19; Neh. 5:15); basar wajajin (vlees en wijn: Dan. 10:3); jajin wesjekar (wijn en bedwelmende drank: o.a. Lev. 10:9; Num. 6:3; Deut. 14:26; 29:5; Richt. 13:4,7,14; 1 Sam. 1:15; Jes. 24:9; 28:7; 29;9; 56:12); sjèmèn wajajin (olie en wijn: 2 Kron. 11:11; Spr.21:17). Het Hebreeuwse woord tierosj is naar alle waarschijnlijkheid van oudere datum dan het meer gebruikelijke jajin. Het Aramees heeft chamar (Dan. 5:1-23; Ezra 6:9; 7:22), dat overeenkomt met het Hebreeuwse chèmèr, ‘wijn’ (Deut. 32:14; Ps. 75:9). Het komt meestal voor in een opsomming van de opbrengsten van het land (bijv. samen met koren en olie) en wordt in Nederlandse vertalingen doorgaans met ‘most’ vertaald (o.a. Deut. 7:13; 11:14; 12:17; 14:23; 18:4; 28:51; Joël 1:10; 2:19). De druif die wijn oplevert, heet in het Hebreeuws ‘nenav (wit) (o.a. Gen. 49:11; Num. 6:3; 13:20; Deut. 23:25; Jer. 8:13; Am. 9:13).

Het Griekse woord oinos komt vooral in de vier evangeliën voor (Mat. 9:17; 27:34; Mar. 2:22; 15:23; Luc. 1:15; 5:37-38; 7:33; 10:34; Joh. 2:3,9,10; 4:46); daarnaast in enkele brieven (Rom. 14:21; Ef. 5:18; 1 Tim. 3:8; 5:23; Tit. 2:3) en in overdrachtelijke betekenis in het laatste bijbelboek (Op. 14:8,10; 16:19; 17:2; 18:3; 19:15).

Letterlijk en concreet

a.De vruchten van de wijnstok konden op verschillende manieren worden gebruikt. Druiven werden vers gegeten of verwerkt in druivenkoeken (2 Sam. 6:19; Jes. 16:7). Enkele teksten in de bijbel wekken de suggestie dat dergelijke koeken het liefdesspel in gunstige zin zouden kunnen beïnvloeden (Hoogl. 2:5; Hos. 3:1). Ook in bijbelse tijden werden druiven vaak – ‘gekrent’ -gedroogd. Rozijnenkoeken dienden, evenals vijgenkoeken, als proviand die langer houdbaar was (1 Sam. 25:18; 30:12; 2 Sam. 16:1).

b.De druivenoogst vond in het najaar plaats en gold als een vreugdevol gebeuren (Jes. 16:9-10). De druiven werden geplukt, in manden verzameld (Jer. 6:9) en vervolgens naar de wijnpers gebracht. Het uitpersen geschiedde op een wijze die eeuwenlang onveranderd is gebleven. In de wijnpersbak traden mannen en vrouwen de druiven met hun voeten tot sap (Am. 9:13; Neh. 13:15). Dat bij deze werkzaamheden veel gelachen en gezongen werd, ligt voor de hand (Jes. 16:10; Jer. 25:30). Het sap werd bewaard in kruiken of in leren zakken. Ongegist druivensap werd als ‘most’ gedronken. Tijdens het gistingsproces bestonden ‘technieken’ om verschillende soorten wijn te creëren. Men was in staat koppige wijnen te maken (Jes. 25:6). Vaker werd de wijn met water vermengd (Jes. 65:11; Spr. 23:30; Hoogl. 7:2). Ook werden wel kruiden toegevoegd (Ps. 75:9; Hoogl. 8:2).

c.Het mag veelzeggend genoemd worden dat Noach als de stamvader van de nieuwe mensheid na de zondvloed begint met de aanleg van een wijngaard (Gen. 9:20). Samen met water, brood en olie behoorde wijn tot de eerste levensbehoeften van de oud-oosterse mens. Nadat Abraham de koningen van het Oosten overwonnen had, werd hij door Melchisedek, de koning van Salem, onthaald op een maaltijd bestaande uit brood en wijn (Gen. 14:18-20).

d.Vanzelfsprekend werd een verband gelegd tussen wijn en vreugde. Het werd gezien als een geschenk van God (Deut. 8:7-10; Ps. 104:15). Bij feestelijke gelegenheden, zoals een huwelijk, werd wijn gedronken (Joh. 2:1-11). Daar bleef het echter niet bij. Wijn werd ook gebruikt als een geneesmiddel (Luc. 10:34; 1 Tim. 5:23) en vermengd met mirre zelfs als een verdovend middel (Mar. 15:23).

e.De vrucht van de wijnstok speelde ook een rol in de cultus. Het eerste druivensap, de most, behoorde tot de eerstelingenoffers (Num. 18:12). Wijn werd gebruikt als plengoffer (Lev. 23:13; Num. 15:1-12). Men dronk het bij gemeenschappelijke maaltijden voor God (Deut. 14:26) en het speelde een belangrijke rol bij het begin van de sabbat en bij de sedermaaltijd (Jub. 49:6; Mar. 14:25).

f.De schaduwzijden van het drinken van te veel wijn was in bijbelse tijden niet onbekend. De waarschuwingen spreken duidelijke taal (Jes. 5:11-17; Spr. 20:1; 23:29-35; Ef. 5:18; 1 Tim. 3:3,8; Tit. 2:3; 1 Petr. 4:3). Toch betekende dat niet dat de onthouding werd gepropageerd. Weinigen weigerden wijn te drinken: priesters (Lev. 10:8-10); nazireeërs (Num. 6:3-4); Rekabieten (Jer. 35); Johannes de Doper (Luc. 1:15). In onderscheid van laatstgenoemde werd van Jezus beweerd dat Hij wel wijn zou hebben gedronken (Mat. 11:19).

Beeldspraak en symboliek

a.Hoewel wijn veel voorkomt in de bijbel is de symbolische betekenis beperkt. Misschien dat de schaduwzijden van het wijngebruik – dronkenschap – een belemmering vormden voor een verdere uitwerking van de symboliek. Zeker is dat wijn in de allereerste plaats een teken van vreugde is (Deut. 14:26). Om die reden worden tijdens de joodse sedermaaltijd – het Pascha-maal waarin de herinnering aan de bevrijding, de Exodus uit Egypte, levend wordt gehouden -verscheidene bekers wijn gedronken. Overigens wordt dat pas voor het eerst verteld in een vroeg-joods geschrift uit de intertestamentaire periode (Jub. 49:6). Volgens de evangeliën nam Jezus in Jeruzalem afscheid van zijn leerlingen tijdens een pascha-maaltijd (Mar. 14:12-25). Bij het uitspreken van de dankzegging legde hij een relatie tussen de rode kleur van de wijn en zijn ‘bloed van het verbond, uitgeschonken voor velen’ (14:24).

b.Als teken van vreugde symboliseert de wijn in de vroeg-joodse literatuur het messiaanse rijk. Ter voorbereiding van de intocht van het beloofde land ging een twaalftal ‘verspieders’ op verkenning uit. Zij ontdekten dat het inderdaad een land was overvloeiende van melk en honing. Om dat te bewijzen torsten ze ook een reusachtige druiventros mee. Nog groter zal de overvloed zijn in het messiaanse rijk: ‘aan elke wijnstok zullen duizend ranken zijn en elke rank zal duizend trossen dragen en elke tros zal duizend druiven dragen en elke druif zal een kor wijn opleveren’ (Baruch 29:5). Het is niet onmogelijk dat het evangelieverhaal over de bruiloft te Kana ook in dit perspectief gelezen mag worden: met de komst van Jezus in deze wereld is het messiaanse rijk begonnen (Joh. 2:1-11).

c.In het laatste bijbelboek krijgt wijn echter een negatieve betekenis. Enkele malen is sprake van ‘de wijn van Gods toorn’ (Op. 14:10; 16:19; 19:15). De gedachte dat de wijn beeld zou kunnen zijn van Gods toorn vindt zijn wortels in profetische teksten uit het Oude Testament waarin de schaduwzijden van het wijngebruik de geschonden relatie tussen God en zijn volk verzinnebeelden (Ez. 23:31-35).

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Psalm 60; 75; 104; Gezang 14; 27; 51; 74; 112; 166; 236; 353-363; Alles I: 18; II; 16; Bijbel I: 20; 22; 31; 53; 54; Eerste: 35; Eva I: 16; II: 54; Evangelie I: 24; Geroepen: 202; 203; Gezangen: 325; 757; Gezegend: 63; 64; Hoop: 95; Liturgie: 303-309; 524; 585; MAW: 18; 21; ZAD III: 8; 9; 29; Zingend VI: 49; Zolang: 16 (= Gezangen: 755; Liturgie: 457).

b.Poëzie:

Gerrit Achterberg, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1984, blz. 606: ‘Avondmaal’. J. van Doorne, Vierregelig, Franeker 1978, blz. 14: ‘O God, wij allen sterven.’. Jan Greshoff, Een eerlijk man heeft niets dan zijn gelaat, Amsterdam 1981, blz. 48: ‘God spreekt’. Muus Jacobse, Het oneindige verlangen, Nijkerk 1982, blz. 23: ‘Bruiloft te Kana’. H. Marsman, Achter de vuurlijn van de horizon, Amsterdam 1990, blz. 80: ‘Klein drinklied’. Jan Willem Schulte Nordholt, Verzamelde gedichten, Baarn 19962, blz. 232: ‘Een psalm ter ere van de wijn’; 222: ‘Gedaanten van Jezus – III Ontmoeting’.

c.Verwerking:

In onze taal bestaat de uitdrukking ‘aan Bacchus offeren’, dat wil zeggen ‘veel wijn drinken’. De uitdrukking herinnert aan de Griekse Dionysos-cultus (in het Latijn: Bacchus), waarbij de gelovigen op gezette tijden als cultische activiteit veel wijn dronken; dit ritueel symboliseerde het bloed van de godheid en verwees tegelijkertijd naar het eeuwige leven. De christelijke traditie sluit hierbij in zekere zin aan. In het christendom neemt de wijn als symbool van het bloed van Christus een zeer belangrijke plaats in, wat voornamelijk tot uitdrukking in de viering van het Avondmaal. Ook in de uitleg van bijbelverhalen waarin de wijn een rol speelt, wordt snel een relatie gelegd tussen de wijn en Christus’

dood ter wille van de wereld. Vanuit die centrale symboliek kunnen we uitleggen hoe de wijnsymboliek in de bijbel voorkomt. De thema’s die naar voren komen, zijn onder meer: vreugde en feest, offer en verzoening. toorn en oordeel, welzijn en geluk, toekomst en messiaanse rijk.

Verwijzing

Allereerst zien we een zeer sterke verwantschap met de trits ‘wijnstok‘, ‘wijngaard‘ en ‘wijnpers‘; deze vier zijn nauw met elkaar verstrengeld. In de context van de maaltijd is wijn sterk verbonden met ‘brood‘. Voorts lopen er lijnen naar ‘bloed‘ en ‘dronkenschap‘.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken