Menu

Premium

Witte Donderdag: Zijn nabijheid

Bij Exodus 12,(1)15-20, Psalm 81 en Johannes 13,1-15

Veertien regels in Exodus 1 en de mensonterende slavernij is een feit. ‘Onder mishandeling’ (1,14 – NBG ‘51) moeten de kinderen van Israël ‘dienen’ (vier keer in 1,13-14). Dan begint het verzet van de vroedvrouwen en komt Mozes in beeld. Al snel zijn er de drie portretten, drie signalementen van de leider (2,11-22). De struik die wel in brand staat maar niet verbrandt stuurt hem met een opdracht zonder weerga naar de wereldmacht zonder weerga, de farao van de slavernij. Deze weet uiteraard niet van wijken, maar Hij die Mozes stuurt ook niet.

En na de negen slagen op Egypte breekt definitief een nieuwe wending baan in het verhaal. ‘Deze maand (…) het begin van de maanden, de eerste maand van het jaar voor jullie’ (12,1). Nadruk lijkt te liggen op ‘voor jullie’. Alsof hun tijd tot dan toe nauwelijks of niet hun tijd was. Daarom heet deze maand ook niet een ‘volgende’, maar een ‘eerste’. De tijd begint opnieuw. Welke tijd? De tijd van vrijheid en bevrijding – alleen, wat dat betekent blijft te onderzoeken. Vrij van is niet zo moeilijk, maar vrij zijn voor wat? Dat blijft een vraag.

Een nieuwe tijd breekt aan

Heel de gemeenschap moet aangesproken worden. Op de tiende dag van deze maand zal ‘een lam apart gezet’ worden (12,3). Alsof er iets te gebeuren staat, zo markeert het lam de komende, nieuwe tijd. Op de veertiende van de eerste maand zal het klaargemaakt worden ‘tussen de twee duisternissen’, namelijk die van de vooravond en de nacht. En dan, nadat ‘de deurposten bestreken’ zijn met het bloed van het lam, wanneer de dag afgesloten wordt, is er het nieuwe begin, in een maaltijd gepresenteerd, beginnend: staande, de lendenen omgord, de schoenen onder de voeten en de staf in de hand, want haast is geboden. ‘Wanneer Ik het bloed zie, zal Ik jullie overslaan’ (12,13), voorbijgaan (Hebr.: pèsach). Niemand in het verhaal kan al weten wat deze woorden betekenen. Niemand weet wat er komen gaat en hoe het bloed van het lam hun vrijbrief zal zijn. Niemand kan het weten, of niemand zal het ooit begrijpen, want het geheim van de bevrijding is als het geheim van de schepping, en wie heeft daar ondanks alle geuren en kleuren van de poëzie woorden voor. Huiswerk zal het worden voor de komende generaties, een dag om te gedenken en tastbaar te maken, toegankelijk. Een feest van zeven dagen, zeven dagen zullen ze ongezuurde broden eten: alles is nieuw! Veertig jaar zal de strekking van die woorden meegaan, en wie weet of de volgende generaties dan zullen begrijpen wat het betekent om met die belofte van bevrijding te leven. En die tijd duurt nog steeds en ook tegenwoordige generaties blijven die vermoeden, erop hopen, ernaar uitzien.

Wijn en honing

Sommigen rabbijnen brengen het zeldzame Hebreeuwse woord gittit (Ps. 81,1) in verband met de wijnpers. De wijnpers betekent niet het einde van de druiven, maar doet zijn werk precies ten tijde van de oogst en de vreugde, ondanks al het werk dat dit met zich meebrengt en de moeite die het kost (zie ook Ps. 80,9). Psalm 81 zoekt zangers en muzikanten, want ‘Ik hoor een taal die ik niet kende’ (81,6 – NBG ’51). De psalm vult dit woord ‘taal’: de last mag van de schouder, de handen komen vrij van de draagkorf. Redding daagt wanneer je vanuit de benauwenis roept. God is vrijheid en bevrijding. Maar het is een taal die zij/wij niet lijken te verstaan. Daarom: hoor en Ik zal het in je getuigen. Gods getuigenis, bijna fysiek. Een te leren lied.

De Eeuwige heeft hen letterlijk opgebracht, omhooggebracht, uit het ‘jen-land’ Egypte. ‘Open dus je mond en Ik zal hem vullen’ (81,11). En: ach, als mijn volk toch naar Mij zou luisteren. Dat zou neerkomen op ‘honing uit de rots’ (81,17), in het lied van Mozes (Deut. 32,13).

De voetwassing: de Heer die dient

Jezus weet dat zijn uur gekomen is om uit deze wereld over te gaan naar de Vader (Joh. 13,1). Niet mijn vader, maar de vader. Alsof – het is ondenkbaar, maar toch! – er een glimp van een afstand is. Nog even. Want gezegd wil worden dat Hij van de zijnen in de wereld houdt. Ook de duivel in het hart van Judas kan daar niets aan afdoen. Want Hij weet. En weer horen we het deinen van de woorden die alles willen samenvatten. De Vader heeft het Hem in zijn handen gegeven. Daarom uit God en naar God. Maar let op die handen van Hem! Ze worden niet genoemd, maar we zien ze aan het werk. Opstaande van de maaltijd laten zijn handen zien hoe Hij bij hen hoort. Hij legt zijn kleren af. Straks trekt Hij ze weer aan. Tussen beide momenten zien wij zijn handen, zijn lichaam. Een linnen doek. Wat deze laatste maaltijd voor Hem betekent wordt aan de voeten uitgelegd. De voeten van zijn leerlingen wassen en drogen. ‘Dat gij doet wat Ik u heb gedaan,’ zingt een lied (Joh. 13,15). Maar wat is dat dan wat Hij doet? Aan Petrus wordt uitgelegd wat leraar en heer zijn volgens Jezus betekent. Je buigen voor. Tot je dienst. Hoge woorden zijn dat. Ze gooien hoge ogen. Levenslang willen zij nieuw zijn en meegaan, gewogen worden, een steun zijn, een staf onderweg.

De geschiedenis plaatst God graag in den hoge, hoog en ver van ons vandaan. Maar met Pesach voegt Hij zich als bevrijder in onze geschiedenis, als daar gehoor voor is. Gemeenschap met Hem is: Hem toestaan. Tegen Petrus zoiets zeggen als: gun het me dat Ik me voor je buig, je voeten was.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken