Worstelen en bovenkomen
Etty Hillesums levenslessen in overgave en verzet
“We hebben zingende het kamp verlaten.” Op 7 september 1943 werpt Etty Hillesum een briefkaart met deze laatst bewaarde woorden uit een volle goederenwagon op weg van Westerbork naar Auschwitz. Wonderlijk, want kort daarvoor noemt zij Westerbork nog een ‘hel’ waarin het lachen je vergaat en zelfs een ‘zonde’ zou zijn (Het Werk 2012, 686–689). Hoe kan het dat zij en haar Joodse lotgenoten met opgeheven hoofd hun ondergang tegemoetgaan? Is hun zingen een vorm van overgave, of juist verzet? Of gaan die bij Etty Hillesum hand in hand?
Van innerlijke chaos naar spirituele kracht
Wie Etty’s dagboeken en brieven uit de jaren 1941 tot 1943 leest, ziet hoe zij een lange weg heeft moeten afleggen om te worden wie zij op die 7e september 1943 is. Van een ‘angstige stakkerd’ (4) met stemmingswisselingen en een chaotisch innerlijk leven ontwikkelt zij zich, met vallen en opstaan, tot een weerbare, spirituele vrouw die leeft in ‘één grote samenspraak met God’ (682). Ze voelt zich verantwoordelijk om Hem — en daarmee zichzelf én anderen — te helpen. Worstelend wordt zij wie ze is en wil zijn: een pleister op vele wonden.

Etty’s weg is tijdgebonden, maar ook actueel en tijdloos. Ze kan ons helpen wanneer we ons machteloos, kwaad of door verdriet verlamd en onwel voelen bij wat mensen elkaar aandoen in een wereld vol oorlog, geweld, onrecht en armoede. Etty wilde een ‘kleine stem’ (687) zijn, ‘een klein stukje verbroedering’ brengen (573), en zag het als haar morele plicht om mensen na haar ‘nieuwe inzichten’ (624) te bieden die het leven herbergzamer maken. Haar ferme woorden klinken als een appèl aan ons allemaal:
“En wanneer wij de harde feiten, waarvoor wij onherroepelijk gesteld staan, aan hun lot overlaten, wanneer we ze geen onderdak verlenen in onze hoofden en in onze harten, om ze daar te laten bezinken en te veranderen in feiten waaraan wij zouden kunnen groeien en waarop wij een zin zouden weten te winnen, dan zijn wij geen levensvatbare generatie.” (624).
Etty’s ontwikkelingsweg volgend, kom ik tot vier ‘levenslessen’ in overgave en verzet die ons kunnen helpen om dat appèl te beantwoorden:
- werk aan jezelf
- wees geduldig
- wees moedig
- bied onderdak.
1. Werk aan jezelf
In februari 1941 ontmoet Etty Hillesum de Duits-Joodse ex-bankier en handlijnkundige Julius Spier. Ze woont op dat moment in Amsterdam in bij weduwnaar Han Wegerif, met wie ze een relatie heeft. Spier, door Etty aangeduid als S., stimuleert haar in een dagboek te schrijven over wat zich in haar wanordelijke innerlijk afspeelt. Dat werken aan zichzelf zal haar naar verwachting helpen bij haar ‘Seelische Verstopfung’.

Tussen maart 1941 en oktober 1942 worden we zo getuige van Etty’s geworstel met zichzelf, met de toenemende dreiging van buitenaf — én met S. Want bij zijn therapie horen ook worstelpartijen die haar zowel aangenaam opwinden als verwarren. Ze mag dan ‘erotisch geraffineerd’ en ‘doorgewinterd’ zijn (4), dit heeft ze nog nooit meegemaakt. S. overigens ook niet, wat bijzonder is, aangezien hij zijn methode om de ziel te ontstoppen niet alleen op Etty toepaste:
“Körper und Seele sind eins. Op grond daarvan begon hij zeker m’n lichamelijke krachten te meten in een worstelpartij. Die krachten van mij bleken nogal erg groot te zijn. En toen gebeurde het merkwaardige dat ik deze grote kerel tegen de vlakte smeet. Al mijn innerlijke gespannenheid, samengebalde kracht brak los en daar lag hij, lichamelijk en ook psychisch, zoals hij me later vertelde, tegen de grond gesmeten. Z’n lip bloedde. Die mocht ik schoonwassen met eau-de-cologne.” (6–7).
Als een ‘wijfje’ wil ze zich aan hem overgeven, maar daar verzet ze zich dan ook weer tegen
Al lijkt het fysieke geworstel met S. aanvankelijk ‘zuiver’, ‘zakelijk’ en ‘goed’ (7), bij herhaling begint het toch op haar fantasie te werken. Ze merkt dat ze S., die verloofd is met de in Londen wonende Hertha Levi, voor zichzelf wil hebben. Ze wil zich als een ‘wijfje’ helemaal aan hem overgeven, aan de hand genomen worden en voor hem de enige zijn. Maar daar verzet ze zich dan ook weer tegen:
“Misschien moet de ware, de innerlijke vrouwenemancipatie nog beginnen. We zijn nog geen echte mensen, we zijn wijfjes. We zitten nog vastgebonden en omstrikt door tradities van eeuwen, we moeten nog geboren worden als mens, er ligt nog een grote taak voor de vrouw.” (73).
Voor Etty betekent dit dat ze zich schrijvend, lezend, gymmend en biddend moet ‘losworstelen’ (62) van de fysieke aantrekkingskracht die S. met zijn magische persoonlijkheid op haar uitoefent, om een vrij en zelfstandig mens te worden. Door gedisciplineerd aan zichzelf te werken, hoopt ze minder te willen ‘hebben’ en meer te kunnen ‘zijn’.
2. Wees moedig
Spier brengt Etty niet alleen in verwarring, maar zet haar ook spiritueel in beweging. Ze leert naar zichzelf te kijken — en wat ze ziet en ontdekt, serieus te nemen. Daar is moed voor nodig, want ze draagt tal van oordelen met zich mee, vooral over haar ouders.
Haar vaders lijfspreuk — ogge nebbisj (170), Jiddisch voor ‘treurig’ of ‘armzalig’ — typeert voor haar zijn berustende levenshouding: het maakt niet uit wat je doet, onder de werkelijkheid gaapt toch de absolute chaos (Van den Brandt 2006, 23–24). Haar moeder is een Russin die in 1907 voor een pogrom vluchtte en haar eigen, getroebleerde geschiedenis meedraagt. Daardoor wisselen momenten van euforie en depressie elkaar af.
Door een teveel aan vrijheid heeft Etty geen eigen vorm kunnen vinden. Ze verzet zich fel tegen de gedachte dat zij net als Riva zal worden: “Moeder is voor mij het voorbeeld hoe ik niet worden moet.” (148)
Ook is ze bang om psychisch even kwetsbaar te worden als haar broers Jaap en Mischa. Vooral over Mischa, een briljant maar labiel pianist, maakt ze zich zorgen. Hoe kan ze voorkomen dat zij, net als hij, in een psychiatrische inrichting behandeld moet worden?
Door zelfonderzoek verzet Etty zich tegen haar geestelijke erfenis. Zo komt ze niet alleen zichzelf tegen, maar ook God
Door zich over te geven aan zelfonderzoek en ‘moed [te] hebben tot zich zelf’ (167), verzet Etty zich tegen de geestelijke erfenis van haar familie. Zo komt ze niet alleen zichzelf tegen, maar ook wie of wat zij ‘God’ noemt.
Ook voor het uitspreken van die Naam moet je, ervaart Etty, moedig zijn. Ze wil geen ‘vage mystiek’ — ‘mystiek moet rusten op een kristalheldere eerlijkheid’ (448). En dat is ze: helder en eerlijk.
Binnen in me zit een hele diepe put. En daarin zit God. Soms kan ik erbij. Maar vaker liggen er stenen en gruis voor die put, dan is God begraven. Dan moet hij weer opgegraven worden – Etty Hillesum, Het Werk, 2012, 97
Gaandeweg beseft Etty dat haar oordelen, voorstellingen en bindingen de toegang versperren tot God — ‘dat allerdiepste’ (523) in haarzelf. Ze zal ‘iedere norm en ieder conventioneel houvast’ moeten loslaten (506) om vrij toegang te krijgen tot haar ‘diepe onderstroom’ (206).
Geen sinecure, zeker voor iemand die juist zo verlangt naar houvast, in een tijd waarin controle over uiterlijke omstandigheden ver te zoeken is. Het is een dapper waagstuk — die ‘grote sprong in de kosmos’ zonder te weten wat er komen gaat (506).
3. Heb geduld
“De bedreigingen van buiten worden steeds groter, en de terreur stijgt met de dag,” schrijft Etty in haar dagboek op 18 mei 1942 (380). Inmiddels heeft ze leren bidden. Als door God geholpen is ze ‘naar de grond gedwongen door iets dat sterker was’ (190) dan zijzelf. Ze ontdekt dat het hineinhorchen (549) — het naar binnen luisteren — haar helpt om ‘gesammelter’ (380), innerlijk meer bijeen en gesterkt, weer naar buiten te treden.
Ze weet dat ze niet in de afzondering van haar innerlijke klooster kan blijven, al zou ze dat soms willen. De klaarheid die ze biddend van binnen opbouwt, is nodig om het leven van buiten te kunnen dragen — om weerbaar te zijn.

Ze wil niet langer door S. aan de hand genomen worden, maar door God, en zegt daarover:
“Ik zal braaf meegaan, zonder veel verzet. Ik ben graag in de warmte en in de veiligheid, maar zal ook niet opstandig worden als ik de kou inga, als het dan maar aan Uw hand is” (162).
Soms denkt ze dat haar leven nog maar pas begint. Dat de echte moeilijkheden nog moeten komen — al gelooft ze ook dat ze ‘een heleboel doorworsteld’ (162) heeft.
Een van de manieren om te kunnen dragen en verdragen wat er om haar heen gebeurt — waaronder het overlijden aan kanker van S. op 15 september 1942 — is lezen en studeren. Etty’s favoriete dichter is Rainer Maria Rilke. Ze zuigt zijn werk in zich op, tot hij een deel van haarzelf wordt: een bron waaruit ze op ieder gewenst moment troost en kracht kan putten.
Rilke is voor haar een ervaren reisgenoot, die oproept tot het doorléven van de dingen, en tot geduld. “Geduld ist alles,” schrijft hij aan Franz Xaver Kappus in Brieven aan een jonge dichter. Je moet niet verwachten dat er snelle antwoorden komen op je vragen — het gaat erom dat je leert die vragen te léven. Misschien leef je dan, op een dag, het antwoord in.
Etty worstelt door en kiest er bewust voor om niet onder te duiken, maar het lot van haar volk te delen in Westerbork. Ze werkt er voor de Joodse Raad, op de afdeling ‘Sociale Verzorging Doortrekkenden’, en staat mensen bij die op transport moeten. Tegen alle pogingen uit haar omgeving om haar op andere gedachten te brengen, verzet ze zich vastberaden. Ze ziet het als haar plicht om — waar ze kan — liefde te geven aan wie dat ontberen.
Haar persoonlijke gevoelens voor S. hebben inmiddels plaatsgemaakt voor een ‘onpersoonlijke’ liefde (Jorna 1999, 129–133): een liefde voor alle mensen, ongeacht hun nationaliteit of afkomst.
4. Bied onderdak
Het gaat Etty aan het hart dat ze goed begrepen wordt: haar keuze om vrijwillig in Westerbork te blijven is geen berusting, maar — in haar eigen woorden — “een van minuut tot minuut het leven duizendvoudig leven, en daarbij hoort: een plaats geven aan het lijden” (485).

Etty wil het lijden van haar volk niet uit de weg gaan, maar het recht in de ogen kijken. In welke vorm dat lijden komt, doet er voor haar niet zoveel toe. In de ene eeuw is het de inquisitie, in een andere oorlogen en pogroms. Waar het werkelijk op aankomt, is “hoe men het draagt en of men het te rangschikken weet in zijn leven, en tòch het leven blijft aanvaarden” (485).
Tot het einde toe zal ze dan ook volhouden dat het leven mooi en zinrijk is — ondanks alles wat dat lijkt tegen te spreken.
Etty wendt zich met haar houding dus niet af van het leven, maar ondergaat het ‘aan den lijve en in de ziel’ (456). Ze beleeft het lijden van mensen intens, en hoopt dat uit dat beleven zich woorden omhoog worstelen (456) — woorden die uit een echte bron komen, en daarom hun weg wel móeten vinden.
Ze raakt ervan overtuigd dat God ons niet kan helpen, maar dat wij God moeten helpen — door Hem onderdak te geven in onszelf. Vanuit dat krachtige, in de chaos veroverde innerlijke centrum — waar dat ‘stukje eeuwigheid’ (100) huist — kan Etty er, als ‘honderdprocéntig’ (568) mens, eenvoudig zijn voor anderen.
Haat leidt nergens toe, daar verzet ze zich uitdrukkelijk tegen:
“Eén ding is wel zeker: men moet de voorraad liefde op deze aarde helpen vergroten. Ieder beetje haat dat men al aan het veel te vele haten toevoegt, maakt deze wereld onherbergzamer en onbewoonbaarder.” (497)
Etty weigert verbitterd of haatdragend te zijn. In plaats daarvan wil ze de ‘algemene mensenliefde’ (520) die zich in haar heeft ontplooid, uitdelen aan ieder die op haar weg komt.
Ze duikt niet onder, maar biedt onderdak: aan God, aan mensen, aan harde feiten en moeilijke vragen. Die vecht ze in zichzelf uit — zodat ze tot rust kunnen komen.
Haar overgave aan God en mensen ís haar verzet. Haar verzet ís haar overgave.

Hoog vertrek
“De Heere is mijn hoog vertrek,” staat er op de aan familievriendin Christine van Nooten geadresseerde briefkaart die Etty uit de goederenwagon op weg naar Auschwitz werpt. Ze heeft haar bijbeltje op een willekeurige plaats opgeslagen — en leest deze, ook achteraf bezien, betekenisvolle woorden.
Wie had toen kunnen vermoeden dat haar ‘kleine stem’ over worstelen en bovenkomen actueler is dan ooit?
Over de auteur
Barbara Zwaan is theoloog, werkzaam als geestelijk verzorger en docent. Ze is hoofdredacteur van Herademing.
Literatuur
- Etty Hillesum (2012), Het Werk. Amsterdam: Uitgeverij Balans. Alle citaten zijn afkomstig uit deze uitgave.
- Ton Jorna & Julika Marijn (2014), Altijd Etty. Utrecht: Uitgeverij Ten Have.
