Menu

Premium

Zegen

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Geloofstaal & cultuurtaal

Wie over ‘zegen’ en ‘zegeningen’ spreekt, bedoelt daarmee meestal iets positiefs. Dat kan heel algemeen zijn, als er bijvoorbeeld over de zegeningen van de medische wetenschap voor onze maatschappij wordt gesproken. Vooruitgang, welvaart en gunstige ontwikkelingen worden als een zegen bestempeld. Vaak wordt hiermee toch ook nog iets diepers aangeduid. Wanneer men iets als een ‘zegen’ ervaart, zit daar ook wel in dat men het positieve als een geschenk beleeft. Een gelovige zal hiermee aangeven dat het een geschenk is dat van God komt.

Een speciale betekenis krijgt de zegen dan ook wel in verband met de kerk. In de kerk wordt de zegen van God uitgesproken, bijvoorbeeld aan het eind van een kerkdienst. Aan het begin van een huwelijk gaan velen naar de kerk voor de huwelijksinzegening. Het begrip van de zegen wordt door menigeen daarbij op een eigen manier ingevuld. Wat de één als een zegen ervaart, hoeft voor een ander geen zegen te zijn. Er is een uitdrukking die dat apart onder woorden brengt: ‘Je zult ermee gezegend wezen’.

Woorden

Het woord ‘zegen’ is een directe vertaling van het Hebreeuwse beracha (met het werkwoord barach) en het Griekse eulogia (met het werkwoord eulogein). In het Hebreeuws en in het Grieks kunnen deze woorden een brede betekenis hebben. Ze worden vele honderden malen gebruikt. De NBG-51 ziet zich soms genoodzaakt deze woordstam met een ander woord weer te geven. Een enkele keer met ‘vaarwel zeggen’, soms met ‘lofprijzen’, een keer zelfs met ‘gift’. De SV is consequenter en gebruikt vaker ‘zegen(en)’.

Betekenis in context

Oude Testament

God beschikt over de zegen

Wanneer in de Bijbel de zegen van God ter sprake komt, wordt telkens duidelijk dat alleen God Zelf de zegen bezit en deze ook kan uitdelen. Nergens is ‘zegen’ een soort onpersoonlijke magische kracht, die los van een persoonlijke band met God ontvangen kan worden. Mensen kunnen dan ook nooit over de zegen beschikken.

In Genesis 3 2 wordt duidelijk dat het ontvangen van de zegen van God niet vanzelfsprekend is. We lezen daar van een worsteling van de stamvader van Israël met God Zelf. Aan het eind van dat gevecht klampt Jakob zich aan God vast met de woorden: ‘Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent’ (Gen. 32:26). Kennelijk is het voor Jakob van levensbelang dat hij de zegen van God ontvangt. Alleen door die zegen te ontvangen, kan de relatie met God in stand blijven. En die relatie vult de gehele toekomst voor Jakob. De belangrijkste inhoud van die relatie is samen te vatten in één zin, door God gesproken: ‘Ik zal met u zijn’ (bijv. Gen. 17:7; 26:3 enz.). Die belofte van God krijgt Jakob metterdaad mee, als God hem uiteindelijk zegent. Het blijkt dat mensen de zegen van God alleen ontvangen, doordat God in liefde besluit zijn zegen uit te delen.

Priesterlijke zegen

De zegen van God krijgt op een bijzondere manier gestalte in de eredienst van Israël. God beveelt de priesters in Israël het volk van God te zegenen. Dat moet gebeuren met de woorden die God er Zelf voor geeft: ‘De Here zege-ne u en behoede u; de Here doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig; de Here verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede’ (Num. 6:24-26). Hier wordt nader ingevuld wat die relatie met God betekent. De eerste zin duidt de bescherming van God voor zijn volk aan, zoals een herder die zijn kudde bewaakt. De tweede zin laat zien wat het doel van dat bewaken is: dat God zijn gezicht over zijn schapen doet oplichten. Daaruit blijkt Gods liefdevolle gunst. In de laatste zin wordt het doel van de zegen aangeduid: dat er vrede komt, heelheid tussen God en mensen, en ook tussen mensen onderling. De Hebreeuwse vorm van de zegen is zeer kunstig. Driemaal staat de verbondsnaam van God voorop, twaalf woorden staan er bij, als het ware voor iedere stam een woord. In elke zin staan twee woorden meer, de zegen is bedoeld om uit te waaieren en verspreid te worden.

Deze zegen mochten de priesters in de tempel uitspreken vanaf de rand van het altaar, nadat er eerst brandoffers en vredeoffers gebracht waren (bijv. Lev. 9:22; zie voor het gebaar daarbij onder ‘handoplegging’). Aanvankelijk mogen alleen Aäron en zijn zonen deze woorden uitspreken, later ook de andere Levieten (Deut. 10:8; 21:5). Toch lezen we ook wel van koningen, die het volk zegenen (bijv. David in 2 Sam. 6:18). Ook dan wordt de zegen uitgesproken in het kader van de dienst van de verzoening. Zo wordt de zegen nauw verbonden met de manier waarop God en mensen in relatie kunnen blijven: in het Oude Testament door de offerdienst die in de tempel plaatsvond.

In veel kerken worden deze woorden aan het eind van een kerkdienst uitgesproken. Ze staan dan in hetzelfde kader van de dienst van de verzoening. Over het algemeen mogen alleen de ambtsdragers die daar speciaal voor zijn aangesteld deze woorden in de mond nemen. Zo blijft het unieke van deze woorden zichtbaar.

Mensen kunnen elkaar zegenen

Op verschillende manieren kunnen mensen elkaar zegenen in de Bijbel. Het besef blijft wezenlijk, dat de bron van de zegen bij God ligt. Een bekende groet is: ‘De Here zegene u uit Sion’ (Ps. 128:5). De zegen ontspringt op die plaats, waar de dienst aan God onderhouden wordt: in de tempel, vanuit Sion.

De kracht en de inhoud van zegenwoorden is afhankelijk van de manier waarop deze met de bron verbonden zijn. Men kan bijvoorbeeld ook op een veel lossere manier elkaar de zegen toewensen. Zo groeten de maaiers in het boek Ruth elkaar met de woorden: ‘De Here zegene u’ (Ruth. 2:4). Kennelijk was dit een algemene groet. Dan heeft zo’n zegenwoord ook een algemenere betekenis gekregen.

Een heel unieke betekenis krijgt de zegen van mensen in de geschiedenis van de aartsvaders, die hun zonen op hun sterfbed zegenen. Die zegenwoorden hebben profetische betekenis (Gen. 27, 48 en 49).

God zegenen

Het is niet alleen zo dat mensen een zegen van God mogen ontvangen. Mensen kunnen God ook ‘zegenen’. In feite betekent dat een erkennen van de zegenende hand van God en Hem daarvoor prijzen. Door middel van dit zegenen wordt God verheerlijkt. Zo wordt een stukje van de glorie van zijn werken als het ware aan Hem teruggegeven.

De beide betekenissen van het woord staan naast elkaar in 1 Kon. 8:14, 15. Salomo zegent het volk met de woorden: ‘Gezegend zij de Here, de God van Israël, die met zijn hand volbracht heeft, hetgeen Hij met zijn mond tot mijn vader David gesproken had’. Deze lofprijzing is precies de zegen die Salomo over het volk uitspreekt.

Nieuwe Testament

Lofprijzing

In het Nieuwe Testament wordt het woord ‘zegenen’ het meest in de laatstgenoemde betekenis gebruikt. Vaak is dat in onze vertaling niet als zegenen te herkennen, omdat er andere woorden voor dankzegging of lofprijzing gebruikt worden, zoals: geloofd zij de Here (bijv. Luc. 1:68; Rom. 1:25; 9:5; 2 Kor. 1:3;11:31).

Verbonden met het werk van Christus

Wanneer het om de zegen gaat die God ons belooft, is er een nauwe band tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Zoals in het Oude Testament de zegen met name via het altaar tot Gods volk kwam, zo komt de zegen in het Nieuwe Testament met name door het werk van Christus tot ons. Jezus’ hele werk kan dan ook wel worden samengevat met het woord ‘zegen’. Petrus zegt tegen de joden die naar hem toestromen: ‘God heeft in de eerste plaats voor u zijn Knecht doen opstaan en Hem tot u gezonden, om u te zegenen, door een ieder uwer af te brengen van zijn boosheden’ (Hand. 3:26). Als Paulus naar Rome komt, is het belangrijkste dat hij meeneemt de ‘volle zegen van Christus’ (Rom. 15:29).

Het laatste dat Jezus’ discipelen van Jezus gezien hebben, zijn zijn zegenende handen. Terwijl Hij hen zegende, voer Hij op naar de hemel (Luc. 24:50).

De zegen die door Christus naar mensenharten toekomt, is in feite de vervulling van de zegen die aan Abraham al beloofd was. In Genesis 12 wordt al verwacht dat eenmaal alle volkeren gezegend zullen worden op dezelfde manier als Abraham. Dat wil zeggen dat alle volkeren kunnen delen in die belofte van God: ‘Ik wil uw God zijn’ (vgl. Gen. 18:18; 22:18). Die verwachting is door de komst van Christus vervuld op het pinksterfeest (Hand. 3:25; Gal. 3:8vv, 14; Hebr. 6:14). Dit is dan nu wel een ‘geestelijke zegen’ (Ef. 1:3). Deze zegen wordt door de Geest in de harten bewerkt.

Wie gezegend is, zal zegenen

Wie op deze manier de zegen van God ontvangt, zal ook de zegen van God willen verspreiden. Dat betekent dus: wie zo met God verbonden mag zijn, gunt dat ook aan anderen en zal er alles aan doen om anderen te laten zien wat dat ‘met-God-zijn’ te zeggen heeft. Jezus zegt: ‘Zegent wie u vervloeken; bidt voor wie u smadelijk behandelen’ (Luc. 6:28). De paralleltekst uit Matteüs 5:44 laat zien dat het Jezus met name gaat om de houding van het hart: ‘Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen’. Het is opmerkelijk dat de opdracht tot zegenen met name naar buiten is gericht.

Datzelfde wordt door de apostelen aan de gemeenten voorgehouden. ‘Zegent wie u vervolgen, zegent en vervloekt niet’ (Rom. 12:14; vgl. 1 Kor. 4:12, 13). Het grootste voorbeeld hierin is Jezus Christus Zelf, die de kracht kan geven om in deze zegenende levenshouding staande te blijven (1 Petr. 2:23; 3:9).

Voorbeeld van een zegen: de collecte voorJeruzalem

Heel concreet kan de vrucht van de zegen van God tot uitdrukking komen in een financiële ondersteuning van broeders en zusters in nood. Zo’n geschenk kan zelfs kortweg ‘zegen’ worden genoemd. Zo komt het voor in 2 Korintiërs 9:5-6 (waar de NBG-51 het woord ‘zegen’, eulogia vertaalt met ‘gift’). De gemeente van Korinte zegent de gemeente van Jeruzalem. Ze doen dat door elke week iets af te zonderen als collecte en dat na verloop van tijd over te maken. Paulus merkt erbij op: ‘die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien’ (2 Kor. 9:6, SV).

Bij ‘zegenen’ is in de Bijbel dus niet aan één soort van handeling te denken. Het begrip krijgt afhankelijk van de context een verschillende kleur en betekenis.

Kern

Het woord ‘zegen’ komt direct vanuit de Bijbel onze taal binnen. De invulling die het begrip in het hedendaagse spraakgebruik gekregen heeft, is evenwel nogal los komen te staan van de bron van de zegen, waar in de Bijbel met nadruk op gewezen wordt.

Het bijbelse woord ‘zegen’ wil laten zien waar het echte geluk ontspringt. Het gaat in de bijbelse zegen om de relatie met God, waar God Zelf de bron van is. Tevens wordt door het kader waarin de zegen ontvangen wordt, verwezen naar de manier waarop de relatie met God tot stand kan komen, namelijk doordat er voor de schuld van mensen betaald wordt.

Dat betekent voor ons, dat er niet over de zegen van God te spreken is zonder nauwe verbondenheid aan het werk van Jezus Christus. Nooit kunnen mensen over de zegen van God beschikken. Steeds worden we verwezen naar Hem die Zelf over zijn zegen beschikt en deze ook wil uitdelen. Dat geeft aan de zegen die we elkaar kunnen toebidden een diepere betekenis.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: handoplegging, kruis, loven, priester, verzoening, vloek.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken