Zie, hier is meer dan Elisa, meer dan Mozes
Alternatief bij 5e zondag van de zomer (2 Koningen 4:38-44, Hebreeën 3:1-6 en Johannes 5:36b-47)
Hoe lees je de Schriften? In de evangelielezing stelt Jezus deze vraag aan zijn joodse medemensen te Jeruzalem die vinden dat Hij de sabbatregels schendt en het aanmatigend vinden dat Hij God zijn eigen Vader noemt. Door dit verhaal op te schrijven stelt de evangelist Johannes deze vraag aan zijn tijdgenoten, en deze vijfde zondag van de zomer speelt de vraag door aan ons, de lezers van het alternatief leesrooster en luisteraars en bezoekers van de diensten.
‘Jullie onderzoeken de Schriften omdat jullie denken in deze Schriften eeuwig leven te hebben. Juist deze Schriften zijn het die over Mij getuigen – en toch willen jullie niet naar Mij toekomen om leven te hebben’ (Johannes 5:39). Op het eerste gezicht gaat het hier om de basisovertuiging van de vroege (en latere) christenen dat de Schriften naar Jezus verwijzen. En dit is, zeker voor de moderne bijbellezer die gewend is om de teksten in hun historische setting te begrijpen, al een uitdaging. Maar na een paar keer lezen dringt het tot mij door: er is nog een tweede laag. Hebben wij als christenen in de loop der eeuwen niet opnieuw, deze keer met de christelijke Bijbel, gedaan wat Jezus hier bekritiseert, namelijk de zoektocht naar het leven beperkt tot het geschreven woord? En wat zou het concreet betekenen om het leven in de Levende te zoeken en niet in de letter? Ik ben er nog niet over uit.
De Heer kent al de zijnen
Er zijn tal van verhalen waarin honger, geweld en ziekte geen halt houden voor de gelovigen. Teksten als de twee verhalen uit de oudtestamentische lezing vormen een tegengeluid. Zij werden onthouden, verteld en opgeschreven ter bemoediging van de gelovigen: ja, er zijn gevallen waar Gods beschermende hand voor de betrokkenen voelbaar was, ervaren vaak juist in situaties van nood. Een voedselvergiftiging die haar werking niet in volle omvang mocht ontvouwen, en een tekort dat uiteindelijk geen tekort bleek te zijn. Tegelijk zijn het verhalen van hoop: die vriendelijke man die twintig broden bakt van de eerste oogst en die naar de profetengemeenschap brengt, had ook kunnen denken dat hij dat maar beter niet moest doen. Twintig broden voor honderd man – een vijfde van een brood per persoon, zeker niet genoeg in een tijd van honger, en daarom mogelijk een aanleiding voor ruzie of zelfs geweld. Toch doet hij het en krijgt hierin gelijk. Vijf broden en twee vissen kunnen zegen betekenen voor duizenden.
Haal Jezus voor je geest
Haal Jezus voor je geest. Volgens de brief aan de Hebreeën mag dat ook weleens met beelden en titels voor Jezus die we niet zo vaak op andere plekken tegenkomen, zoals ‘apostel en hogepriester van ons geloof’ (3:1). Net als een apostel (en veel eerder dan deze) maakt Christus het geloof bekend; net als een hogepriester voltrekt Jezus wat nodig is voor de verzoening van mens en God. En als je Jezus zo voor de geest haalt, dan vallen andere dingen op hun plek. Je ziet dan hoe je teksten van de Schrift moet lezen.
De schrijver van de brief aan de Hebreeën laat dit zien door een uitleg van Numeri 12:7 (volgens de tekst van de Septuagint): ‘Niet zo mijn dienaar Mozes: in heel mijn huis is hij trouw.’ Mozes is trouw als dienaar in het huis Gods, als degene die de toekomstige openbaring van tevoren heeft verkondigd. Als je nu Jezus voor je geest haalt, zie je dat Hij, anders dan Mozes, niet trouw is als de dienaar die vooruitwijst naar wat er zal gebeuren, maar als Zoon over het huis van God.
En wie zijn wij?
De tweede aanbeveling uit de brieflezing: realiseer je wie jij bent. ‘Heilige broeders en zusters’, ‘deelhebbers aan de hemelse roeping’ en ‘het huis Gods’. Huisgenoten in het huis waarvan God de eigenaar is en Jezus de Zoon over dit huis. En dan moet je niet aan een knus eengezinshuis denken, maar een groot huishouden uit de oudheid waarvan slaven deel uitmaakten. Je beseft waar je thuishoort, misschien ook welk deel van het huis jij bewoont, welke rol jij in dit huis speelt. Want dat is niet voor iedereen dezelfde. Het beeld van de huisgemeenschap leent zich ervoor om erover te mediteren, het verdere invulling te geven. Je beseft wat je verbindt met de andere medebewoners: de gezamenlijke hoop, de trotse vreugde hierover en het openhartige uitkomen voor deze hoop.
Door wie wil je geëerd worden?
Waar hoop je het leven te vinden? Zo luidt de eerste kritische vraag van de evangelielezing. Maar dat is niet genoeg. Nog een tweede vraag noopt tot kritische zelfreflectie: Wiens waardering vind je belangrijk? Wiens erkenning mag jouw beslissingen en visies beïnvloeden? Door wie wil je uiteindelijk geprezen worden? Jezus’ verwijt aan de mensen in zijn omgeving is scherp: Het gaat jullie er niet om bij God goed aangeschreven te staan; jullie zoeken vooral elkaars waardering (Johannes 5:44). Of met een andere formulering: Jullie hebben geen liefde voor God in je (5:42). De aanleiding voor Jezus’ toespraak was de kritiek op een genezing op de sabbat en op het feit dat Jezus, door God zijn Vader te noemen, zich aan God gelijkstelde (5:18). Hun theologische beoordeling is naar Jezus’ woorden (5:42.44) niet onafhankelijk, hun visie ingegeven door de impliciete autoriteit van degenen bij wie zij waardering zoeken.
Wie hoogmoedig met de vingers wijst naar hen die dit gedaan hebben, laat de tekst niet tot zich doordringen. Het is een tekst om stil van te worden, tot inkeer te komen en je af te vragen wiens gehoopte erkenning de eigen theologische standpunten mag beïnvloeden.
Deze exegese is opgesteld door Martin Ruf.