Menu

Premium

Zijn oordeel is genade

Bij Ezechiël 33,1-20

Waar op Aswoensdag Ezechiël 3,16-21 al geklonken heeft, kunnen de woorden van de perikoop voor deze voorlaatste zondag van de Veertigdagen op het eerste gehoor klinken als een overbodige, nutteloze of zelfs vervelende herhaling. Niets is echter minder waar. Zeker, de thematiek is dezelfde, maar die wordt hier nader en zo mogelijk nog indringender uitgewerkt. En mag nu klinken tegen de achtergrond van deze zondag, waarvan de aanhef – naar de beginwoorden van de klassieke introïtuspsalm – vanouds luidt: Judica me, ofwel: Doe mij recht (Ps. 43,1)!

Wie let op de indeling van de tekst door de masoreten, zal ontdekken dat de perikoop, keurig afgebakend door twee sterkere cesuren, opgebouwd is uit vier sequenzen, gemarkeerd door zwakkere cesuren: de verzen 1-6, 7-9, 10-11 en 12-20. De eerste sequens (33,1-6) introduceert de metafoor: stel je voor dat … In geval van oorlogsdreiging zal de gemeenschap – het landvolk (33,2) – een (toren)wachter (Hebr.: tsofeh) aanstellen: iemand die op de uitkijk staat (2 Sam. 13,34; 18,24-27; 2 Kon. 9,17-20; zie ook 1 Sam. 14,16; Jes. 52,8; 56,10; Jer. 6,17) en wanneer zich onheil aandient, tijdig alarm slaat (2 Kon. 6,10; 2 Kron. 19,10) door het blazen van de bazuin ofwel de sjofar (Ex. 19,16.19; 20,18; Joz. 6). Wie het alarm in de wind slaat, is zelf verantwoordelijk voor de kwade gevolgen (33,4-5). Maar is de (toren)wachter nalatig, dan brengt hij door zijn toedoen de gehele gemeenschap in gevaar en zal hij daarvoor aansprakelijk gesteld worden (33,6).

Opnieuw: aanstelling tot wachter

De tweede sequens (33,7-9) vertaalt het beeld naar de taakstelling van de profeet: zijn aanstelling als wachter over Huize Israël. Zinsbouw en woordkeus van deze sequens vertonen een sterke overeenkomst met de perikoop uit het roepingsvisioen die al op Aswoensdag aan de orde was (vgl. 33,7-9 met 3,17-19). Wel beperkt de opdracht zich hier tot het aanspreken (waarschuwen) van de rasja‘ (de boosaardige, de schoft, de rotzak; liever dan de goddeloze) en ontbreekt de expliciete vermelding van het aanspreken (waarschuwen) van de tsaddiek (de rechtvaardige) die zich afkeert van zijn gerechtigheid (3,20-21). Voorlopig tenminste, want in de uitwerking in de vierde sequens verschijnt wel naast de boosaardige de rechtvaardige (33,12-20).

De hernieuwde aanstelling van de priester-profeet als wachter, of tenminste de nieuwe beklemtoning daarvan, vindt in de compositie van het boek direct voorafgaand aan het aan de ballingen overgebrachte bericht van de val van Jeruzalem (33,21) plaats en de daaropvolgende opheffing van de stomheid waarmee Ezechiël geslagen was (33,22; vgl. 3,26-27). Dat laatste motief lijkt Lucas later op te nemen in wat hij verhaalt over Zacharias, die misschien niet toevallig ook als priester figureert (Luc. 1,20.64).

Het zelfbeklag van Huize Israël

De derde sequens (33,10-11) introduceert een nieuw motief: een klacht van Huize Israël (33,10) en de reactie daarop van de Eeuwige (33,11). Tegenover het zelfbeklag en het fatalisme van Huize Israël klinkt – emotioneel en verongelijkt – de pastorale inzet die zo kenmerkend is voor de roeping van Ezechiël in de retorische vraag van de Eeuwige: ‘Heb Ik dan welgevallen in de dood van de boosaardige?’ en het direct daarop gegeven antwoord: ‘Nee! (Integendeel! –) daarin dat de boosaardige omkeert van zijn weg en leeft!’ (33,11). Het motief van de klacht van Huize Israël is overigens weliswaar nieuw in verbinding met het wachtermotief, maar niet nieuw in de totaalcompositie van het boek. Eerder kwam het al naar voren in het achttiende hoofdstuk – dat niet is opgenomen in de leeslijn van deze weken – in de vorm van een spreekwoord dat ook bij Jeremia te vinden is: ‘De vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden van de kinderen zijn stroef geworden’ (18,2; Jer. 31,29). De retorische vraag van de Eeuwige klonk ook al eerder in datzelfde hoofdstuk (18,23-24).

Tegen het fatalisme

De inzet van die repliek wordt uitgebreid en zorgvuldig uitgewerkt in de vierde sequens (33,12-20). Evenals in het verwante en al genoemde hoofdstuk 18 van de profetie wordt hier de persoonlijke verantwoordelijkheid sterk benadrukt: de keuze die een mens elk moment opnieuw kan maken tussen goed en kwaad, leven en dood (Deut. 30,15-20). Rechtvaardigheid en boosaardigheid – het zijn geen van beide kenmerken die een mens eens en voor al verworven heeft, laat staan eigenschappen die een mens onvervreemdbaar aangeboren zijn. Wij zijn niet willoos, maar hebben een keuze, in elke nieuwe situatie weer. En is het niet alweer Lucas die in de gestalte van Zacheüs een voorbeeld daarvan ten tonele voert? (vgl. Luc. 19,8 met Ez. 33,15). Het kan altijd anders. Het roer kan nog tienmaal om. Dat is misschien wel een even confronterende als bemoedigende boodschap.

Kortom – met Jochen Klepper: ‘Zijn oordeel is genade’ (Gez. 130). Deze perikoop zet de leer van de dubbele predestinatie op losse schroeven. En zij daagt ons uit de crisis in kerk en wereld ter harte te nemen; de ernst ervan te onderkennen zonder ons te wentelen in fatalisme en ook zonder – met het oog op de vraag welke verantwoordelijkheid waar thuishoort – het collectief en het individu uit elkaar te spelen. Nadat nog tweemaal de klacht van Huize Israël is ingevlochten – de weg van de Heer zou onberekenbaar zijn (33,17.20; vgl. 18,25.29) – klinkt in de repliek daarop als slotzin van de perikoop: ‘Ieder naar zijn weg zal Ik jullie recht doen’ (33,20). Is dat niet wat de kerk belijdt in de zinswending: ‘vanwaar Hij komen zal om te oordelen levenden en doden’? Want is oordelen niet: discrimineren, onderscheid maken, met onderscheid te werk gaan? Goed en kwaad zal in elk van ons uiteengelegd worden en op waarde geschat. ‘Ieder naar zijn weg zal Ik jullie recht doen’ (33,20). Is er een beter rijm denkbaar op de aanhef van deze zondag: Judica me! Doe mij recht! (Ps. 43,1)?

Wellicht ook interessant

De Leviet in Gibea
De Leviet in Gibea
Basis

Seks en geweld: Rechters 19-21

Vrouw overlijdt na brute groepsverkrachting. Drie dagen hevige strijd in burgeroorlog: meer dan vijfenzestigduizend slachtoffers onder de strijders. Aantal burgerslachtoffers: onbekend, maar groot. Nee, dit is niet uit de krant van vandaag. Het is een korte samenvatting van wat we lezen in de laatste drie hoofdstukken van hel Bijbelboek Rechters (19-21). Seks en geweld. Wat moeten we met dit oude relaas? Gewoon maar concluderen dat de ontsporingen waarover verhaald wordt, nu eenmaal onontkoombaar zijn als een ‘condition humaine’ – in de zin van: het is nooit anders geweest – of valt er meer over te zeggen?

Basis

Korte Metten: Een tweede Rode Lijn op de stoep van de PKN

Vrijdag 20 maart: de Jannekes en de Hanna’s aan de niet zo pro-Israël kant van de PKN trekken hun rode jassen weer aan en doen hun rooie sjaals opnieuw om zodat zij hun zorgen over hun eigen kerkgenootschap nogmaals kunnen laten horen. Na een eerste christelijk Rode Lijn protest enkele maanden geleden volgt nu dus een tweede. Ze zijn boos. Heel boos. In hun ogen maakt de leiding van hun PKN zich, waar het over Israël, Gaza en Palestina gaat, schuldig aan het gebruik van “ontwijkende taal van ‘pijn aan beide kanten’ en misleidende taal over ‘conflict’ en ‘ingewikkeld’. En ook neemt de kerkleiding nog steeds het woord ‘genocide’ niet in de mond.” Zo schrijven de initiatiefnemers van dit tweede Rode Lijn protest in hun oproep in Nieuw Wij op 2 maart.

Nieuwe boeken