Menu

Premium

Zonen van Jacob, zonen van Israël

Bij Genesis 32,22-31 (en Lucas 18,1-8)

Jakob, ja‘akov, bedrieger, is er één van een tweeling: Jakob, de jongste, de verfijnde, ontvankelijke jongen, en Esau, de eerstgeborene, de ruwe jager. De twee zo verschillende jongens personaliseren de tweeheid waarin wij mensen elke dag moeten leven. Hij die zich door de kwetsbaarheid laat raken, en hij die strijdt in de hardheid van het leven. Maar in Gods aankondiging van deze twee kinderen klinkt zijn stem, die de kracht van de kwetsbaarheid als de grootste ziet: de oudste zal de jongste dienen.

Om zich dit eigen te maken, maakt Jakob eerst gebruik van een list, maar leert hij het ontvankelijke leven steeds opener te dragen. Met brood en een bord linzensoep troggelt hij een hongerige Esau het eerstgeboorterecht af. Vervolgens ontneemt hij Esau ook, heimelijk en met behulp van zijn moeder Rebekka, de zegen van hun vader Isaak. Daarop vlucht Jakob. Met hem reist de twijfel of hij er goed aan heeft gedaan. Met hem reist de zekerheid dat hij hard zal moeten werken, zonder te weten of hij krijgt wat hem is beloofd. Hij moet als vreemdeling gaan leven van de hoop op de vervulling van de belofte vruchtbaar en talrijk te worden.

Twee dochters

Aangekomen in het land van zijn moeder gaat hij werken voor Laban, de broer van zijn moeder. Laban heeft twee dochters. Weer die tweeheid, maar nu in de vrouwelijke lijn. Rachel is de jongste: aantrekkelijk, maar kwetsbaar, want lange tijd onvruchtbaar. Lea is de oudste: zeer vruchtbaar, maar zonder een glans als van Rachel. Als Jakob na zeven jaar denkt Rachel te trouwen, heeft Laban hem Lea gegeven. Pas na nogmaals zeven jaar werken wordt ook Rachel de zijne. En, opnieuw door een list, weet Jakob zichzelf een rijke kudde toe te bedelen. Jakob wordt een rijk man. Lea schenkt Jakob zes zonen en een dochter.

Als Rachel, zijn zielsverwante, haar eerste kind ter wereld brengt, verlangt Jakob terug naar het land van zijn voorouders, naar zijn eigen oorsprong, naar ‘thuis’. Uit angst voor de woede van Laban vertrekt Jakob weer in het geheim, met zijn vrouwen, zijn kinderen en zijn verworven bezit.

Jakob, ja‘akov, bedrieger?

Is Jakob een bedrieger? Is het heimelijke bedrog? Of is het nodig om je aan de hardheid van het bestaan te kunnen ontworstelen? Als een soort vertraging om de kwetsbaarheid te durven leven? Kleeft aan de list de zwaarte van het besef dat voor elke keuze in een leven een prijs betaald moet worden? Die prijs is de confrontatie met Laban. En daarna met Esau. Twintig jaar heeft Jakob bij Laban geleefd. Aanvankelijk voelt Laban zich verraden door het heimelijke vertrek van Jakob. Strijdig stelt Laban zich op. Maar Jakob zegt: ‘Ik heb niets te verbergen. Heb ik iets meegenomen dat niet van mij is? Neem het dan terug.’ Jakob ontwapent zich. En Laban geeft zich eraan gewonnen: hij zegent Jakob. De oudste dient de jongste. Jakob doorbreekt zijn heimelijke gedrag. Hij keert terug naar zijn oorspronkelijke, ongewapende ontvankelijkheid en ontvangt de zegen. Onrust bekruipt Jakob. Nu Esau nog.

De worsteling

Als ultieme doortocht moet Jakob door het water. Hij brengt zijn gezin naar de overkant en is dan alleen. Alleen met zichzelf, met de eerlijkheid van het ongewisse: hoe zal Esau reageren? Haat Esau Jakob? Durft Jakob, ongewapend, zijn broer onder ogen te komen? In het water zijn leven en dood elkaar nabij. Daar waar de paradox van water samenkomt, daar is God. Het is daar dat Jakob worstelt. Jakob blijft staan, volhardt en zegt: dit ben ik. Jakob staat op en ontmoet een andere ‘ik’ die ook niet wijkt. In die tweeheid is er een ontmoeting. Maar met wie? De ander wil zijn naam niet zeggen. Alsof hij zegt: ‘Het doet er niet toe wie ik ben. Jij hebt ‘ik’ gezegd. En je bent ‘ik’ gebleven. Toen heb je om de zegen gevraagd. Zonder list. Open en bloot. En je hebt de zegen ontvangen. Nu ben je opgenomen in het land Israël. Israël zul je heten.’ Jakob is thuis.

Alles lijkt samen te komen in deze indrukwekkende ervaring. Van aangezicht tot aangezicht, in deze tweeheid, heeft niemand gewonnen. In deze tweeheid is Jakob tot ontmoeting gekomen. Hij hoeft niet te vluchten. Hij is wie hij is en de ander is dat ook. Dat is wat we in het leven te geven hebben: ik-zeggen zonder voorbehoud. Echte ontmoetingen tekenen het leven: ‘En Jakob ging mank aan zijn heup.’

Toen, daarna, sloeg hij zijn ogen op en zag hij Esau. ‘Esau snelde hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om de hals en kuste hem, en zij weenden.’ Een oprechte ontmoeting.

Maar deze eenheidservaring is nog niet achter de rug of Jakobs zonen verliezen zich in blinde woede. Dina, Jakobs enige dochter, wordt verliefd op Sichem, de zoon van de vorst van het land aldaar. Uit wraak voor het onteren van hun zusje slachten Jakobs zonen alle mannen van het land af. Niets menselijker dan rivaliteit en rancune.

Soortgelijk spreek Jezus tot ons en zegt: zijn we niet allemaal zonen van Jakob? Zoals de rechter die rechtspreekt om er maar vanaf te zijn (Luc. 18,1-8), zonder zich erdoor te laten tekenen, zonder zich werkelijk te engageren? Hoe snel verslapt de volharding en verliezen we ons in de strijd. Hoe moeilijk is het om het ware geloof, om werkelijk vertrouwen vast te houden. In die zwakte zijn we allemaal zonen van Jakob.

En toch. In de kracht van onze kwetsbaarheid zijn we ook allemaal zonen van Israël. Elk van ons worstelt zich door het water, telkens opnieuw. In de kwetsbaarheid leeft de hoop.

Wellicht ook interessant

Schilderij De Leviet in Gibea van Gerbrand van den Eeckhout
Schilderij De Leviet in Gibea van Gerbrand van den Eeckhout
Basis

Seks en geweld: Rechters 19-21

Vrouw overlijdt na brute groepsverkrachting. Drie dagen hevige strijd in burgeroorlog: meer dan vijfenzestigduizend slachtoffers onder de strijders. Aantal burgerslachtoffers: onbekend, maar groot. Nee, dit is niet uit de krant van vandaag. Het is een korte samenvatting van wat we lezen in de laatste drie hoofdstukken van hel Bijbelboek Rechters (19-21). Seks en geweld. Wat moeten we met dit oude relaas? Gewoon maar concluderen dat de ontsporingen waarover verhaald wordt, nu eenmaal onontkoombaar zijn als een ‘condition humaine’ – in de zin van: het is nooit anders geweest – of valt er meer over te zeggen?

Lody van de Kamp
Lody van de Kamp
Basis

Korte Metten: Een tweede Rode Lijn op de stoep van de PKN

Vrijdag 20 maart: de Jannekes en de Hanna’s aan de niet zo pro-Israël kant van de PKN trekken hun rode jassen weer aan en doen hun rooie sjaals opnieuw om zodat zij hun zorgen over hun eigen kerkgenootschap nogmaals kunnen laten horen. Na een eerste christelijk Rode Lijn protest enkele maanden geleden volgt nu dus een tweede. Ze zijn boos. Heel boos. In hun ogen maakt de leiding van hun PKN zich, waar het over Israël, Gaza en Palestina gaat, schuldig aan het gebruik van “ontwijkende taal van ‘pijn aan beide kanten’ en misleidende taal over ‘conflict’ en ‘ingewikkeld’. En ook neemt de kerkleiding nog steeds het woord ‘genocide’ niet in de mond.” Zo schrijven de initiatiefnemers van dit tweede Rode Lijn protest in hun oproep in Nieuw Wij op 2 maart.

Nieuwe boeken