Bij Genesis 32,22-31 (en Lucas 18,1-8)Jakob, ja‘akov, bedrieger, is er één van een tweeling: Jakob, de jongste, de verfijnde, ontvankelijke jongen, en Esau, de eerstgeborene, de ruwe jager. De twee zo verschillende jongens personaliseren de tweeheid waarin wij mensen elke dag moeten leven. Hij die zich door de kwetsbaarheid laat raken, en hij die strijdt in de hardheid van het leven. Maar in Gods aankondiging van deze twee kinderen klinkt zijn stem, die de kracht van de kwetsbaarheid als de grootste ziet: de oudste zal de jongste dienen.Om zich dit eigen te maken, maakt Jakob eerst gebruik van een list,
Het volledige Premium-artikel lezen?
Dit artikel is voor Premium-leden.
Log in en lees onbeperkt alles op Theologie.nl. Nog geen lid?
Krijg toegang tot ruim 11.500 artikelen, waaronder verdiepende vakinhoud, preekschetsen, exegeses, kindermomenten en preekvoorbeelden.
Bekijk Premium >
InloggenLid worden