Menu

Basis

‘Zwarte kinderen kregen nooit glansrollen’

Kerk- en religiegeschiedenis

Tegenwoordig valt vaak de term ‘doorwerking van het slavernijverleden’. Ritania Wirht vertelt wat dat concreet betekent, voor beide kanten.

Het naamplaatje naast de bel zegt ‘R. Wirht’. Dat moet een vergissing zijn, denk ik. Ritania heet toch Wirth? Maar als ik binnen ben, brengt het naamplaatje me onmiddellijk bij de kern: slavernij. En de gevolgen daarvan, tot vandaag de dag.

‘Onze naam is Duits. We zijn het eigendom van een Duitse plantagehouder geweest,’ vertelt Ritania. Ze studeerde voor schrijfster, werkt bij de Stadsschouwburg Utrecht en werd bekend als Miss Black Hair Nederland. ‘Wie in 1863 werd vrijgelaten, kreeg de achternaam van de plantagehouder. Het was gebruikelijk dat er dan letters of lettergrepen werden verwisseld of zelfs dat de naam werd omgedraaid.’

Excuses

‘De excuses van premier Rutte voor de slavernij verrasten me. Ik hoopte wel dat dit een keer zou gebeuren. Dat het er snel doorheen werd gedrukt, maakte me argwanend. Was daar geen betere dag voor te vinden dan 19 december? En waarom gebeurde het niet op een tijdstip dat iedereen het kon zien, zoals bijvoorbeeld bij de corona persconferenties? Het voelde niet oprecht, meer bedoeld voor de Nederlandse politiek dan voor de nakomelingen van de slachtoffers.

Mijn lesboek deed de slavernij af in drie regels

Gelukkig maakte koning Willem Alexander op 1 juli wel echte excuses. Deze keer raakte het me diep. Het voelde persoonlijk en welgemeend omdat de koning, los van pardon, ook om vergiffenis vroeg. Ook had hij de moed om tegenstanders en mensen die onbegrip tonen, aan te spreken op hun doen en denken. Hij durfde aan te dringen op verbetering van hun gedrag en houding. Ik heb nu voor het eerst de hoop dat er significante stappen gezet kunnen worden naar een betere toekomst.’

Racisme

In het gezin waar Ritania opgroeide, was Keti Koti heel belangrijk. Haar ouders kwamen in de jaren zeventig van de vorige eeuw naar Nederland en stichtten hier een gezin. Rond Ritania’s tiende jaar emigreerden ze naar Paramaribo. Daar was op de basisschool uitgebreid aandacht voor de slavernij, dus wist ze al jong wie Boni, Baron en Jolicoeur waren.

Vanwege het Surinaamse politieke klimaat ging het gezin terug naar Nederland zodat Ritania en haar zus hun schoolcarrière konden vervolgen.

‘Ik was me al heel jong bewust van racisme, nog voordat we verhuisden naar Paramaribo,’ vervolgt Ritania. ‘Op mijn christelijke basisschool in Purmerend moesten we elk jaar naar Jesus Christ Superstar kijken maar op een gegeven moment kon ik dat niet meer. Het stoorde me dat Judas werd gespeeld door een zwarte acteur. Ik zei: “Waarom moet uitgerekend Judas, de verrader, als enige zwart zijn en de rest, inclusief Jezus, wit?”

Ook viel me op dat zwarte kinderen bij het kerstspel altijd de rol van een schaap of de ezel kregen. Je moest dan de voor- of achterkant zijn, in een ongemakkelijk kostuum. We kregen nooit de glansrollen. En zwarte klasgenootjes kregen vaker de schuld van een vechtpartijtje, vaker straf en vaker een lager schooladvies. Daar was ik toen al boos over. Helaas leidde mijn protest niet tot verbetering. Het racisme werd niet onderkend.’

Gospelliederen

‘In de slavernijarchieven vind je wel gegevens over je stamboom, maar meestal geen verhalen. Gelukkig kent de familie van mijn moeder een verhaal over mijn betovergrootmoeder Rose Codrington. Zij behoorde tot de laatste generatie in slavernij. Zij mocht als iedere slaafgemaakte geen schoenen aan maar liep altijd op blote voeten. Na 1 juli 1863 bleef ze dat doen; ze durfde geen schoenen te dragen.

Oma Rose was vroedvrouw. Ze zal op de plantage vreselijke dingen hebben meegemaakt, want in die tijd werden pasgeboren baby’s uit de armen van hun moeders gerukt en voor een spiegeltje verkocht aan andere slavenhouders. En vrouwen werden, pas bevallen, nog bloedend en wel, alweer aan het werk gejaagd. Rust en ruimte voor herstel werd hun niet gegund.

Erover praten deed oma Rose niet, ze zong liever gospelliederen.’

Eén plaatje

‘Ik hield van geschiedenis. Maar op de middelbare school werd ik opnieuw boos. Want over Suriname en de slavernij stond in het geschiedenisboek alleen maar dit plaatje, van een vrouw die met een ketting vastgebonden stond aan een boom en met de zweep kreeg.

Dat plaatje kende ik van de basisschool in Suriname. Het was het mildste slavernijplaatje dat ik gezien had. Er zijn genoeg andere, vreselijke afbeeldingen: over brandmerken, vierendelen, en over de marteling van Tula, de leider van de slavenopstand op Curaçao in 1795.

Het witte ideaal is oneerlijk en onbereikbaar

Ik weet ook nog precies de drie regels waarmee mijn lesboek de slavernij afdeed: dat er slavenhandel was, dat er plantages waren en dat het een zwarte bladzijde was. Dat was alles. Toen ben ik van geschiedenisles weggebleven tot aan het eindexamen.’

Bij de nazaten van de daders ziet Ritania het slavernijverleden doorwerken in privileges. Gemiddeld hebben ze een hogere opleiding gevolgd en hebben ze meer geld dan gekleurde gezinnen. ‘Je kunt er niks aan doen dat je bij je geboorte voordelen hebt gekregen, maar het zou helpen als je het beseft en je inzet voor anderen met minder kansen.’

Ook bij de nakomelingen van de slaafgemaakten ziet Ritania gevolgen van het verleden. ‘Onze identiteit als zwarte mensen is ons met geweld afgepakt. Vóór de slavenhandel was Afrika een ontwikkeld continent. De Egyptische piramiden zijn gebouwd door gekleurde mensen met kennis van wiskunde. De gaper bij de drogist is een Moor: zwarten legden de basis voor de geneeskunde.

Maar dat weet bijna niemand! Als zwarte Nederlander moet je nu je identiteit vormen zonder te weten waar je vandaan komt. En het ideaal dat je voorgehouden krijgt – naar mijn mening: leven zoals witte Nederlanders behaagt – is oneerlijk en onbereikbaar. Want jij zult nooit wit zijn, hoe hard je ook je best doet.’

Ritania is christen: ‘Ik maak ruzie met God, maar zoek Hem ook op.’ Haar geloof, beseft ze, kun je zien als opgedrongen en koloniaal. ‘Wintirituelen worden in het ene deel van mijn familie gepraktiseerd, in het andere deel niet. De kerk maakte mensen er bang voor. Ik ben er niet meer bang voor en durf ze te onderzoeken.

Aan de andere kant: ik geloof in Jezus en heb momenten waarop ik God echt ervaar. Dat wil ik niet kwijt.’

Helingsproces

Tussen Nederlanders enerzijds en Surinamers en Antillianen anderzijds is een helingsproces nodig.

Ritania: ‘Wie privileges hebben, moeten onderkennen dat dit zo is en dat ze onrechtmatig verkregen zijn. Ze moeten de andere partij die privileges ook gunnen (of anders ervan afzien), oprechte excuses aanbieden als ze fouten maken, en willen leren van fouten. Geef anderen de ruimte om hun eigen identiteit te vinden. Ga naar de achtergrond en luister. Alleen zo kan de etterende wond genezen.’

Kan de kerk bij dat helingsproces helpen? Ritania twijfelt: ‘De kerk is mede-veroorzaker van het probleem. Dan is het lastig om ook deel van de oplossing te zijn. Wel kan de kerk helpen bij het onderdeel “vergeving”, want dat is een van de allermoeilijkste dingen om te doen. Daar zou de kerk expert in moeten zijn, met Jezus als boegbeeld.

Ik denk hierbij aan Pasen. Jezus werd onschuldig gedood voor andermans fouten – en juist daardoor is er genade voor mensen. Ik word daar wel stil van.’

Peter Siebe is historicus en werkt als eindredacteur bij het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap (NBG).

Dit interview verscheen ook bij het NBG. Het is een aanvulling bij het boekje Geroepen om vrij te zijn. Voor € 1,– en verzendkosten te bestellen via: shop.bijbelgenootschap.nl/product/geroepen-om-vrij-te-zijn


Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken