1 Petrus
Inleiding
De bijbellezers van nu treffen boven een vrij klein nieuwtestamentisch geschrift het opschrift aan: De eerste brief van Petrus (NBG, WV) of De eerste algemeene brief van den apostel Petrus (SV). Het gaat dus op het eerste gezicht om een brief, afkomstig van de apostel Petrus. Op grond van theologische en historische argumenten is echter aangetoond dat de brief tussen 65 en 90 werd geschreven en niet van de hand van de apostel zijn, maar een pseudepigrafisch geschrift is. Pseudepigrafie was toentertijd een aanvaard literair procédé. Kort gezegd betekent het onder meer dat de werkelijke schrijver het geschrift op die manier in een bepaalde traditie situeert, in dit geval de ‘petrinische’. De toevoeging ‘eerste’ geeft aan dat er meer zijn. In het Nieuwe Testament treffen we dan ook een tweede Petrusbrief aan.
Als we dit geschrift toetsen aan de kenmerken van brieven die J. Smit in zijn artikel in dit handboek beschrijft, blijkt I Petrus daar inderdaad aan te voldoen. De brief past bovendien binnen het geijkte patroon vanfamiliebrieven. Dat betekent dat de schrijver zich verwant verklaart met degenen aan wie hij schrijft (zie 1:3; 2:24; 4:17).
Dat I Petrus daarnaast een rondzendbrief (een ‘algemene’ brief) is, blijkt uit de adressering. Geografisch gezien moet de brief zelfs een enorme rondgang maken. Het eerste adres is vanwaar hij door Galatië, Kappadocië en van (huis)gemeente naar gemeente moet reizen om ten slotte in de provincie Bitynië aan te komen. Dat zegt nog weinig over de concrete adressanten. Gezien de uitgestrektheid van het gebied mogen we echter aannemen dat in alle christelijke gemeenten tezamen het brede spectrum van de Klein-Azia-tische bevolking vertegenwoordigd was.
Nieuwtestamentische brieven zijn ook gelegenheidsgeschriften. Dat wil zeggen dat er thema’s aan de orde komen en op problemen wordt gereageerd van bepaalde tijden en plaatsen. Zo krijgen we enigszins in beeld wat er in de christelijke gemeenten speelde, hoewel uiteraard niet alle lokale vragen en problemen boven tafel kwamen en men niet overal in Klein-Azië met hetzelfde zal hebben geworsteld. Wat er wel boven tafel komt, hoe daarop gereageerd wordt, waar de lezers door middel van deze brief naar toe gebracht worden en vooral hoe dat gebeurt, dat zal hierna besproken worden. Dan zal eveneens blijken dat de brief een sterk ethisch georiënteerde component heeft. In het verlengde daarvan is I Petrus dan ook te specificeren als een parenetische brief. Dat betekent dat hij in het teken staat van aansporingen, waarschuwingen, goede raad. De hoorders en lezers krijgen instructies voor wat zij moeten doen en laten (vermaningen) en worden daarbij steeds herinnerd aan wat zij al weten (verkondiging). Overigens wordt de parenese, door die toe te schrijven aan een apostel, overgoten met apostolische autoriteit.
Opbouw van de eerste brief van Petrus
|
|
|
|
|
met als sleutelwoorden: Christus / uitverkoren / verstrooiing / God / |
||
|
genade/ vrede |
||
|
|
|
|
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
|
|
|
|
||
|
|
||
|
|
|
|
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
|
|
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
|
|
|
|
||
|
|
||
De omraming van de brief
De openings- en slotverzen bieden als het ware een programmatisch raamwerk, in de vorm van een aantal kernwoorden die in en voor het betoog van de schrijver van belang zijn. De gebruikte termen markeren enerzijds de actuele situatie van vervreemding en vreemdheid ten opzichte van de maatschappij waarin de geadresseerden leven; anderzijds is vreemdelingschap tegelijkertijd het kenmerk van een bijzondere status en identiteit. Hierover later meer.
De boodschap … aan u verkondigd (1:3-12)
Deze negen verzen staan vooral in het teken van: ‘de boodschap die bij monde van de evangeliepredikers openlijk verkondigd is’ (1:12). Deze paragraaf biedt een drieluik waarin om de beurt God de Vader, Jezus Christus en de Geest centraal staan. Kernwoorden en thema’s die allemaal één of meer keren in de brief terug komen, tuimelen over elkaar heen. De verbindende thema’s zijn openbaring (5.7b.12a) en redding (1:5.9.10). Een opvallend aspect van de brief, namelijk de verbanden die de schrijver door de hele brief heen tussen verleden, heden en toekomst legt, komt hier eveneens naar voren: ‘het einde van de tijd’ (1:5); ‘nu’ (1:6.12); vroeger (1:10-12).
In V.3-J&, het luik over God, de Vader van Jezus Christus, wordt een veelheid aan thema’s gelanceerd: barmhartigheid, hoop, opstanding van Jezus Christus, een onvergankelijke, onbederfelijke en onaantastbare erfenis, geloof, redding, openbaring aan het einde van de tijd, vreugde en lijden.
In r.jb-9 wordt het thema van de vreugde hernomen, evenals geloof, openbaring, en redding. Centraal staat nu de liefde voor en het geloof in Jezus en de vreugde die compleet zal zijn als Jezus zich zal openbaren en het einddoel van het geloof, de redding, bereikt is.
In het derde luik, r. 10-12, over de werkzaamheid van de heilige Geest, komen genade, lijden, openbaring terug, maar nu uitdrukkelijker verbonden met ‘de redding’, waarnaar, zo wordt nu betoogd, de profeten al zochten. In die profeten was de Geest van Christus al werkzaam, werd zijn lijden en verheerlijking al voorspeld en al geopenbaard dat die boodschap niet voor henzelf, maar voor ‘jullie’ bestemd was. Aan ‘jullie’ is – met de hulp van de heilige Geest – nu die boodschap, dat evangelie van de genade, verkondigd.
Mocht het de lezers duizelen, dan hoeft dat niemand niet te verbazen want, zo meldt de schrijver: ‘Dit zijn geheimen waarin zelfs engelen verlangen door te dringen’ (1:12).
‘Wees heilig, want Ik ben heilig’ (1:13-25)
In vers 13 begint niet iets nieuws, integendeel, met ‘daarom’ legt de schrijver nadrukkelijk een verband met het voorafgaande. Belangrijke thema’s worden hernomen: genade, openbaring, het onvergankelijke tegenover het vergankelijke, uitverkoren/geroepen zijn, ballingschap, wedergeboorte, het bloed van Christus, opstanding/opwekking van Jezus Christus uit de dood, geloof, heerlijkheid en vooral heiliging. Het afwisselen van verkondiging en vermaning en van weten en doen, dat zo kenmerkend is voor deze brief, zien we hier in werking. Voor het eerst gaat de schrijver nu over op de gebiedende wijs met de oproep om voorbereid, verstandig en nuchter te zijn (1:13). Deze oproep haakt de schrijver vast aan het dragende thema van het vorige gedeelte: de hoop op de genade/redding die samenvalt met het moment dat Jezus Christus zich zal openbaren. Die hoop (1:13.21) moet zich vertalen in een ander, nieuw leven gericht op gehoorzaamheid aan de ‘waarheid’ (1:13.14.21.22). Evenals in de opening van de brief wordt deze vorm van gehoorzaamheid gerelateerd aan het thema (ge)heilig(d) zijn (1:15-16). Dat laatste plaatst de auteur in het centrum door ‘heilig’ een aantal keren te herhalen en tegelijkertijd de reden voor een heilig leven te onderstrepen (1:15-16): Hij die u riep is heilig/wees heilig – wees heilig/want God is heilig.
I Petrus is rijk gelardeerd met citaten uit en toespelingen op de Schrift. De verkondiging wordt ermee aangescherpt en ze functioneren ter ondersteuning van aansporingen tot specifiek gedrag, zoals hier (1:16) met een verwijzing naar Leviticus 11:44. Dat veronderstelt dat de lezers kennis hebben van Schrift en traditie en de argumentatie op grond daarvan serieus zullen nemen. Ik kom hier nog op terug.
Ook in deze paragraaf werkt de schrijver met het verschil tussen vroeger en nu. Er was een tijd van onwetendheid, zinloosheid en vergankelijkheid (vroeger); er is een tijd die in het teken staat van opnieuw geboren zijn, weten en onvergankelijkheid (nu). De thematiek van het vergankelijke met daartegenover het onvergankelijke van Gods woord, wordt in 1:24-25 geaccentueerd door een citaat uit Jesaja 40:6-8. Omdat op woordniveau in I Petrus een aantal aanrakingspunten met geheel Jesaja 40 te vinden zijn – Gods heerlijkheid, de Geest, de herder, en zo meer – en uit Jesaja 40 troost, bemoediging en kracht spreekt, functioneert het citaat wellicht als een stut onder de hoop en de vreugde die al eerder tegenover het lijden werden geplaatst.
Zoals de eerste sectie werd afgesloten met de verzekering dat dit de boodschap is die door de evangeliepredikers verkondigd wordt (1:13), zo rondt de auteur opnieuw af met de woorden: ‘En dit woord is de boodschap die u is verkondigd’.
Een nieuw huis met een kostbare hoeksteen (2:1-10)
Deze passage begint met vermaningen waarbij het woordveld dat begon met ‘herboren’ (1:3; zie ook 1:23) wordt heropend. Dit veld kreeg contouren door de duiding van de christenen als gehoorzame kinderen van een nieuwe vader (1:2.3.17), die behoren tot een nieuwe familie die elkaar lief moet hebben (1:22). Voor hun groei en redding hebben de ‘kinderen’ zuivere, geestelijke melk nodig (2:2). De herneming van het hoofdthema redding, dat als het einddoel van het kostbare geloof geldt (1:9), plaatst ‘groeien’ in het kader van geloven.
De schrijver wijst de gelovigen, die herboren zijn tot een leven van hoop door het Woord van de levende God (1:3.23), vervolgens op het fundament van hun geloof en hun ‘huis’. Hij gebruikt daarvoor de dragende metafoor van de levende steen, de kostbare hoeksteen, een beeld ontleend aan Jesaja 28:16 en Psalm 118:22. Deze bouwsteen werd door God uitverkoren, is kostbaar in Gods ogen en parallel daaraan kostbaar voor wie gelooft en zelf is uitverkoren. Daartegenover staat dat hij verworpen, afgekeurd en een steen des aanstoots is voor de ongelovigen, die daarmee afgegrensd worden van de christenen die als levende stenen het bouwmateriaal voor de gemeente vormen.
Ook de thematiek van uitverkiezing en heiliging door het bloed van Jezus Christus komt terug (zie 1:1-2 en 1:19-22). De christenen zijn nu. een uitverkoren geslacht, een heilig en koninklijk priesterschap dat geestelijke offers opdraagt, een heilige natie, een volk dat Gods bijzonder eigendom werd om te verkondigen wat Hij deed. Het is zeer aannemelijk dat de auteur ook hier passages uit de Schrift oproept en wel (opnieuw) uit Exodus. Apart gesteld zijn, heiligheid, reinheid, priesterwijding door besprenkeling met bloed, een volk dat voor God een koninklijk priesterschap en een heilige natie zal zijn, het is allemaal terug te vinden rond de wetgeving op en bij de Sinaï. Het volk Israël bekent zich tot God, wordt geheiligd tot zijn bijzonder eigendom, ontvangt zijn leefregels en de priesters worden gewijd (vgl. Ex. 19 en 29).
Met verwijzingen naar historische gebeurtenissen of mythische figuren die als voorbeeld kunnen dienen en met allusies op teksten uit het verleden was men in de antieke wereld vertrouwd. Met zo’n beroep op het verleden kon de identiteit versterkende idee worden overgedragen dat men ergens bij hoorde, erfgenaam was van oude tradities, deel uitmaakte van een geschiedenis. In I Petrus worden zo belangrijke momenten uit Israëls geschiedenis, die bepalend waren voor hun identiteit, toegeëigend om daarmee de identiteit van de christenen te scheppen. In het verlengde hiervan kon het, met het oog op outsiders, van belang zijn om aan te tonen dat denkbeelden, waarden en normen stoelden op respectabele tradities. Het bood een mogelijkheid om argwaan en verdachtmakingen om te buigen naar respect. Citaten, allusies en verwijzingen naar de (in dit geval Griekse) vertaling van de Hebreeuwse Bijbel leveren derhalve een belangrijk aandeel aan het proces van betekenisgeving in I Petrus.
Het nieuwe leven (2:11-4:11)
Met het voorafgaande als basis, krijgt in het tweede gedeelte van de brief de ‘juiste’ levenswijze van de christenen de nodige aandacht. Er volgen ruim twintig vermaningen of aansporingen, omgeven door: ‘Ik vermaan u (2:11) en ‘om u te vermanen’ (5:12). Dit tweede deel is weer onder te verdelen in twee hoofddelen die allebei beginnen met de aanhef ‘geliefden’ en eindigen met een doxologie (4:11; 5:10-11). In beide delen staat een reeks vermaningen: 2:11-3:12, met vooral een maatschappelijke oriëntatie, en 5:1-9 met als focus de gemeente. Vanaf 3:12 gaat de aandacht vooral uit naar het nieuwe leven als christen en klinken opnieuw woorden van bemoediging (zie o.a. 3:14 en 4:1). Aan 5:1-9 gaat een vergelijkbaar tekstgedeelte vooraf (4:12-19).
De volgende thematische verbanden kenmerken de nauwe samenhang tussen 3 ^3-4:11 en 4:12-19:
-
het kwade mijden en het goede doen (3:13.16.17 / 4:15.19);
-
gemeenschap met het lijden en de heerlijkheid van Christus (3:18 / 4:1.13);
-
lijden als christenen die het goede doen en niet als boosdoeners (3:17.18 / 4:15.16);
-
leven (en lijden) overeenkomstig de wil van God (4:2 / 4:19);
-
de tijd van het oordeel Gods (4:5.6 / 4:17.18).
Regels voor het huis(houden) van God (2:11-3:12)
I Petrus 2:11-3:12 vormt een relatief gesloten eenheid, die, evenals vergelijkbare pareneti-sche eenheden in het Nieuwe Testament (Ef. 5:22-6:9 en Kol. 3:18-4:1), een eigen genre vormt met een eigen formele structuur en aangeduid wordt met de term ‘huishoudcode’. Deze code stamt uit Grieks-Romeinse filosofische tradities waarin de sociale en politieke functie van het huis(houden) centraal staat. Dat heeft weer te maken met de overtuiging dat goed geregelde huishoudens het fundament vormen van een goed geregelde stad/staat. Als in de privé huizen sprake zou zijn van stabiliteit, harmonie en de juiste hiërarchische verhoudingen, dan zou dat immers in de stad/staat niet anders zijn. Kennis van deze bron, waarvan in de brief op eigen wijze gebruik is gemaakt, is van betekenis voor inzicht in het doel en de functie van deze teksteenheid.
Het vroege christendom kreeg, evenals andere vreemde of nieuwe religies, ongetwijfeld te maken met stereotiepe kritiek, zoals beschuldigingen van opruiing, onzedelijkheid en omkering van traditionele verhoudingen. Door buitenstaanders te laten zien en weten dat de christenen zich conform de heersende waarden en normen gedragen en het fundament van de goed geordende samenleving niet ondermijnen, werd beoogd dergelijke kritiek te vermijden of te ontzenuwen.
Behalve conflicten met de omgeving hebben de christenen blijkens de brief meer problemen, waaronder een identiteitsprobleem. Voor leden van een nieuwe religieuze groepering gold en geldt dat met ‘het oude’, waaraan men identiteit ontleende, gebroken wordt en moet worden (zie in 1:14.18). Nieuwe groeperingen, die nog zoeken naar eigenheid, zijn bovendien kwetsbaar en conflictgevoelig; conflicten met de buitenwereld resulteren daarom gemakkelijk in interne conflicten, die het bestaan en de groei van de groepering bemoeilijken. Dergelijke interne strubbelingen schuilen achter aansporingen om eensgezind te zijn, gastvrij te zijn, enzovoort (3:8; 4:9-10; 5:5).
De huis(houd)code in I Petrus, die de normen en waarden aanlevert voor interne samenhang, groepsrollen, goede relaties met de buitenwacht en verantwoordelijkheden en tegelijkertijd de eigen identiteit aanscherpt, bestaat uit vijf segmenten die – met betekenisvolle varianten – als volgt zijn opgebouwd: aanspreking; vermaningen; doel; motivering; nieuwe identiteit. Sleuteltermen zijn: ‘het goede doen’ en ‘onderschikking aan’.
Allen
In segment I (2:11-17) roept de auteur allen op een voorbeeldig leven te . Door te spreken over de collectieve identiteit (‘vreemdelingen en ballingen’; vgl. 1:2.17) vestigt de schrijver de aandacht op de concrete maatschappelijke realiteit en grenst hij het leven van de gemeente af van dat van ‘de heidenen’.
Bepalend voor voorbeeldig gedrag is onderschikking aan alle autoriteit(en) – instituties, keizer en overheid. De dubbele boodschap – anders dan de ‘heidenen’, maar wel conform hun maatschappelijke normen – is identiek aan ‘het goede doen’. De verwijzing naar de wil van God (2:13.15) verleent aan deze opdracht een extra motiverende dimensie. Het doel is dat door het zien van goed gedrag de heidenen God zullen prijzen (2:12) en van de christenen geen kwaad spreken (2:15). Dat het gedrag voor de ‘heidenen’ en de overheden als ‘goed’ herkenbaar is, bevestigt de aansluiting bij algemeen erkende normen en waarden!
In vers 16 krijgt de collectieve identiteit meer accent. Vreemdelingschap wordt gezien als de vrijheid om te kiezen tussen het kwade en het goede doen, dat wil zeggen: God dienen (vgl. 1:18.19). Deze dubbele identiteit – vrij ten opzichte van de anderen en gebonden aan God – beantwoordt aan de dubbele opgave: anders dan de anderen, maar conform maatschappelijke normen.
Vier chiastisch geordende vermaningen (‘Eert alle mensen, hebt de broeders en zusters lief, vreest God, eert de keizer’) vatten het voorafgaande samen, sluiten dit onderdeel af en vormen de schakel met de segmenten die volgen.
Slaven
In segment II (2:18-25) wordt aan een specifieke groep, de slaven, opgedragen ondergeschikt te zijn aan hun meesters, of die hen nu goed of slecht behandelen. Dat het goede doen
-onverdiend leed verdragen, slagen verdragen, geduldig lijden verdragen – God behaagt, moet de slaven motiveren. Een specifiek doel wordt niet vermeld. Wel volgt een nadere, uit antithesen opgebouwde, christologische motivering: ‘want Christus …’. Hierin (2:4.5.6.9) zijn citaten geweven uit Jesaja 53, dat wij kennen als het lied van de lijdende knecht. De oproep om onrechtvaardig lijden en kwaad niet met kwaad te beantwoorden, krijgt mede door een beroep op dat lied een indringende toon.
Het gebruiken van de wij-vorm in vers 24 en veel parallellen met segment IV wijzen erop dat het voorbeeld van Christus ook aan ‘allen’, of aan alle ‘slaven van God’ (vgl. 2:16), ter navolging wordt voorgehouden. De parallellen zijn:
-
2:21 / 3:8lijden / mee-lijden;
-
2:21 / 3:9geroepen zijn;
-
2:22 / 3:10in zijn mond is geen bedrog gevonden / de tong weerhouden van het kwade, de lippen weerhouden van het spreken van bedrog (vgl. 2:1);
-
2:23 / 3:9’als hij uitgescholden werd, schold hij niet terug’ / ‘als men u uitscheldt, scheld dan niet terug’;
-
2:23 / 3:12’hij liet zijn zaak over aan Hem die rechtvaardig oordeelt’/ ‘de ogen van de
Heer zijn gericht op de rechtvaardigen en zijn oren op hun smeken’ (vgl. 1:17 en 2:12).
Deze extra motivering onderstreept tegelijkertijd de kern van goeddoen waartoe de gelovigen geroepen zijn.
In aansluiting op de in vers 21 gebruikte termen roepen en volgen wordt afgesloten met het vertrouwenwekkende beeld van de herder die ‘jullie’ nu behoedt.
Vrouwen
Segment III (3:1-6). Schematisch voorgesteld, ziet de oproep gericht tot de vrouwen er als volgt uit:
De kern is helder: wat vrouwen waarlijk siert is haar ondergeschiktheid. De antithetische vermaningen, waarin fysieke schoonheid en schoonheid van de ziel tegenover elkaar worden gezet, is een literaire topos, een cliché of een ethisch thema van alle tijden.
De motiverende noot dat het van vrouwen vereiste gedrag in de ogen van God van hoge waarde is, legitimeert dit gedrag als een christelijke relatienorm.
De nadere motivatie dat ook de heilige vrouwen van weleer en in het bijzonder Sara ondergeschikt en gehoorzaam waren aan hun eigen mannen, speelt in op het motief van de eerbied voor het verleden, traditie, de ‘ouden’. Sara als voorbeeld is ingebed in een reeks van toespelingen op de Abraham- en Saracyclus uit Genesis. We vinden daaruit in I Petrus een aantal thema’s terug. De roeping en uitverkiezing uit de volkeren, waarmee zowel de thematiek van de ‘beginsituatie’ en een nieuwe identiteit (vroeger … nu) als het vreemdelingschap nauw verbonden zijn. Daarnaast gehoorzaamheid, hoop en heiligheid, thema’s die zinspelen op Genesis 18 (en 17) waarin de belofte voor de toekomst klinkt en bij Gods uitverkorenen en heiligen een hoop wordt gewekt die de verwachtingen van deze wereld overstijgt.
Het doel is het winnen van niet-christelijke mannen en staat in dienst van het algemene doel: het verminderen en voorkomen van moeilijkheden met buitenstaanders. Vrouwen, kinderen, slaven en slavinnen, behoorden de god(en) van de heer des huizes te vereren. Als zij eigenmachtig een andere god(sdienst) aanhingen, dan gold dat als een verstoring of schending van de maatschappelijke orde. Dat vrouwen van niet-christelijke mannen tot christelijke gemeenten toetraden, zal daarom tot problemen hebben geleid. die op te lossen of te voorkomen, moeten vrouwen (en de slaven) zich zodanig gedragen dat de mannen inzien dat hun gezag niet ondermijnd wordt en zij de christenen met rust laten. Achter de aansporing onbevreesd te zijn zoals het goede dochters van Sara betaamt, schuilt dat vrouwen het nodige te verduren hadden. Feitelijk worden zij net als de slaven aangemoedigd onrechtvaardig leed te verdragen, omwille van het welzijn van de gemeente.
Dat uiteindelijk alle vrouwen in de gemeente ondergeschikt en zwijgzaam moeten zijn, valt af te uit: het onpersoonlijke ‘de vrouwen’ (3:1) in plaats van hun vrouwen en het kindschap van Sara, dat toch niet uitsluitend voor vrouwen met niet-christelijke mannen gereserveerd zijn. Sara ook niet gelden als het prototype van een vrouw met een man die aan het Woord ongehoorzaam is. Het lijkt niet uitgesloten dat we hier mede stuiten op een intern probleem: het statuut van vrouwen in de gemeenten.
Mannen
Segment IV (3:7). Het woordgebruik in 3:7 biedt houvast voor het vermoeden dat mannen vermaand worden zich te onthouden van seksueel gedrag dat aanstootgevend zijn en de aanleiding zijn tot de stereotiepe beschuldiging van immorele praktijken. Enkele argumenten om dat te staven zijn:
-
De term ‘de omgang met’ (beter vertaald als: samen wonen met) wordt verbonden met het vrouwelijk lichaam (letterlijk: vat/vaatwerk), en niet met ‘vrouw’.
-
Heren des huizes hadden het recht, of in ieder geval de macht, om te beschikken over het lichaam van hun vrouwen en hun slavinnen. Overmatigheid of uitspattingen konden echter de reputatie van een man en zijn familie schaden.
-
Met het doel van de vermaning wordt eenzelfde gedachte uitgedrukt als bijvoorbeeld in I Korintiërs 7:4-5 en het Testament van Naftali 8:8: er is een tijd voor gemeenschap met een vrouw en een tijd voor onthouding met het oog op iemands gebed.
Bij dit alles , zoals dat gold bij de slaven en de vrouwen, ook hier een bredere bedoeling doorklinken, namelijk dat de mannen de vrouwen thuis èn in de gemeente dienen te respecteren.
Opvallend is het ontbreken van de sleuteltermen ‘onderschikking aan’ en ‘goeddoen’, een verwijzing naar de wil van God en een specifiek voorbeeld.
Allen
In segment V (3:8-12) worden belangrijke zaken onderstreept. Na de aanspreking volgt een opsomming die zowel de ‘nieuwe’ levenswijze als de identiteit nog eens accentueert: ‘wees eensgezind, leef met elkaar mee, hebt elkaar als broeders en zusters lief, medelijdend, bescheiden’. De concentrische symmetrie geeft de liefde voor elkaar een centrale plaats (vgl. 1:22; 2:17; 4:8; 5:9.14).
Een extra motivering staat in de verzen 10-12, die voornamelijk bestaan uit een citaat uit Psalm 34 (Ps. 33 LXX), dat zowel naar inhoud als opbouw met 2:21-25 harmonieert. Het citaat levert het theologische fundament voor de antithese van geheel 2:11-3:12: kwaad niet met kwaad vergelden maar zegenen.
Lijden naar het voorbeeld van Christus (3:13-4:11)
Het accent verschuift weer naar het kerygmatische en tegelijkertijd wordt een concretisering geboden van het voorafgaande. De problemen met de buitenstaanders waaronder de christenen lijden, komen meer in beeld. Waarom en hoe zij dat kunnen uithouden, wordt daarnaast gezet. Onderstreept worden nog eens zaken zoals de oproep uit 2:11-12 dat de gelovigen zich niet moeten laten door lichamelijke / menselijke verlangens (4:2.3) maar zich voorbeeldig moeten gedragen en zo getuigen van hun geloof. We kunnen dit gedeelte in vier paragrafen onderverdelen.
Paragraaf 1
In 3:13-17 wordt de antithese van 2:11-3:12 hernomen met de retorische vraag: ‘En wie zal u kwaad doen als u zich inzet voor het goede?’ Binnen de omlijsting kwaad/het goede/lijden -lijden/het goede/kwaad wordt geschetst dat de christenen het niettemin zwaar te verduren hebben (3 U4.16). Maar, zo citeert de schrijver uit Jesaja 8:12-13 (LXX): ‘vrees niet, laat u niet in verwarring brengen, maar heilig waarna hij het citaat actualiseert door er ‘in uw hart Christus als de Heer’ aan toe te voegen (3:14). De centrale aansporing van dit gedeelte is: altijd bereid te zijn om rekenschap af te leggen van de hoop waaruit christenen leven en die eerder op één lijn geplaatst is met geloof (1:3.13.21).
Paragraaf 2 en 3
In 3:18-4:6 volgen twee passages (3:18-22; 4:1-6) met weliswaar verschillende aandachtspunten, maar vooral een grote samenhang. De centrale notie is dat ook Christus eens en voorgoed geleden heeft voor de zonden (vgl. 2:21-24). Zijn voorbeeld volgend, moeten de christenen zich uitsluitend laten door Gods wil (3:14.17.18; 4:1.2; vgl. 2:15.21). De tegenstelling kwaad – goed wordt hier in een andere dimensie geplaatst. Tekenend hiervoor is de aloude tegenstelling die nadruk krijgt binnen de inclusio lichaam/Geest (3:18) -Geest/lichaam (4:6).
In 3:18-22 wordt ook het thema ‘redding’ uitgewerkt (vgl. 1:3-12). Opnieuw werkt de schrijver met tegenstellingen, nu in de vorm van tegengestelde bewegingen. Jezus ging heen en predikte voor de ongehoorzame geesten in de kerker (3:19-20), met als parallel de verkondiging van het evangelie aan de doden (4:6). Overeenkomstig het wereldbeeld van die tijd is dat een neerwaartse beweging. Achter deze merkwaardige tekst schuilt waarschijnlijk de dringende vraag van mensen die in onzekerheid verkeren over het lot van hun dierbaren die het evangelie niet hebben kunnen horen noch gehoorzamen. Hoe dan ook, de tegenovergestelde beweging is Jezus’ opstanding en zijn hemelvaart (3:22), met het leven bij God als parallel (4:6). Tussen die bewegingen in maakt de schrijver bewegingen in de tijd. Zoals hij terugging naar de profeten en de tijd van Abraham en Sara, zo refereert hij nu aan de tijd voor de zondvloed en de tijd van de eerste grote redding van de mensheid. Zoals destijds mensen werden gered te midden van het water, zo worden nu de christenen gered door het doopwater, waarmee de doop in het kader van redding wordt gezet. De gedoopte mens wordt daarbij tegenover de ongehoorzame mens geplaatst, waarmee de ernst van de zonde van de ongehoorzaamheid of de weigering om het evangelie aan te nemen weer in beeld komt (vgl. 2:8; 3:1).
In 4:1-6 wordt plastisch beschreven wat leven naar het lichaam en ‘doen wat de heidenen willen’ inhouden. Dat leven is voor de christenen voorbij. De heidenen begrijpen daar niets van en daar heeft de laster, die nu voor de derde keer naar voren komt (2:1.12), alles mee te maken. Maar zoals de christenen rekenschap moeten afleggen van de hoop die in hen leeft (3:15), zo zullen ook de heidenen rekenschap moeten afleggen.
Paragraaf 4
In de slotparagraaf (4:7-11) verschuift de aandacht naar de onderlinge relaties in de gemeente. De van God ontvangen genadegaven goed beheren, betekent: elkaar liefhebben, gastvrij jegens elkaar zijn, elkaar dienen, Gods woorden spreken en dienen uit Gods kracht.
Een hart onder de riem (4:12-5:15)
Het aandachtspunt blijft nu de gemeente. Voor de tweede keer spreekt de briefschrijver zijn medechristenen uitdrukkelijk aan met ‘geliefden’. Het familiale dat hier uit spreekt komt in dit laatste gedeelte van de brief nog een aantal keren naar voren (4:17 en 5:1).
Voor het reilen en zeilen van de gemeente worden enkele concrete aanwijzingen gegeven. De oudsten moeten als herders en overeenkomstig Gods wil zijn kudden hoeden en zo een voorbeeld voor de kudde zijn. Wat dat betekent wordt met drie antithetische vermaningen verduidelijkt. De jongeren moeten ondergeschikt zijn aan de oudsten. Met veel nadruk worden allen gemaand tot nederigheid. Niet alleen valt deze term drie keer, deze houding wordt ook onderstreept met een citaat uit Spreuken 3:34: ‘God weerstaat de hoog-moedigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade’.
Aanmoedigingen om vol te houden worden als het ware met rode lijnen onderstreept, met name doordat dragende thema’s van de brief, die in het begin werden geïntroduceerd, nu worden afgerond. De christenen worden eraan herinnerd dat moeite en lijden hun geloof beproeft en loutert als vuur (1:6.7 / 4:12). Het perspectief is bovendien dat dit lijden uiteindelijk een bron van toenemende vreugde is (1:6.8 / 4:13), omdat hen het einddoel van hun geloof wacht en geopenbaard zal worden; redding en heerlijkheid zal hun deel zijn (1:5.7.9.10 / 4:13.18; 5:1.10). Bovendien kunnen ze zich in de korte tijden van lijden (1:6 / 5:10) op God verlaten, hij staat hen bij; zij zijn in Gods kracht geborgen (1:5 / 4:19; 5:6.7.10).
Aan deze fundamentele thema’s worden ook andere draden vastgeknoopt. Nog een laatste keer wordt aangegeven dat christenen er voor moeten zorgen niet te lijden als gevolg van slecht gedrag, maar omdat zij overeenkomstig Gods wil het goede doen (o.a. 3:17 / 4:15.19). Daarop zullen zij beoordeeld worden en die tijd van het oordeel is nabij (4:5 / 4:17). Degenen die het woord/evangelie niet willen horen, worden nu geïdentificeerd als goddeloos en zondig (2:8; 3:1 / 4:17-18). Een nieuw element dat daarbij naar voren komt is dat christenen om de naam ‘christen’ werden gehoond. Schaam je niet, prijs je gelukkig als men dat doet, schrijft de auteur, want dat betekent dat de geest van God op je rust. Deze toespeling op Jesaja 11 past, voor degenen die dit kunnen horen en begrijpen, wonderwel in het kader van bemoediging.
De laatste oproep om het hoofd koel te houden (vgl. 1:13; 4:7), waakzaam te blijven, sterk te zijn omdat het kwaad overal op de loer ligt, wordt gevolgd door de moed biedende doxologie en de traditionele briefafsluiting. Alles wat de schrijver wilde overbrengen en waartoe hij wilde aansporen, het is allemaal geschreven, zo besluit hij, vanuit de vaste overtuiging: ‘dat dit de ware genade van God is’.