Menu

Premium

16.2. Samen bij Eén (en bijeen)

Zie ook

Heidelbergse Catechismus

Vraag 76: Wat wil dit zeggen: het gekruisigde lichaam van Christus eten en Zijn vergoten bloed drinken?

Antwoord: Het betekent niet alleen met een gelovig hart heel het lijden en sterven van Christus aannemen en daardoor vergeving van de zonden en het eeuwige leven verkrijgen, maar bovendien door de Heilige Geest, die zowel in Christus als in ons woont, zo met Zijn heilig lichaam hoe langer hoe meer verenigd worden, dat wij – hoewel Christus in de hemel is en wij op de aarde zijn – toch vlees van Zijn vlees en been van Zijn gebeente zijn, en dat wij door één Geest – zoals leden van een lichaam door één ziel – eeuwig leven en geregeerd worden.

Relatie van het thema tot het hoofdthema

Het hoofdthema gaat over het heilig Avondmaal. De zegswijze dat Christus voedt en laaft met Zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed (antwoord 75) wordt hier nader geëxpliceerd, ditmaal vanuit de optiek van eten en drinken door de gelovigen. Niet alleen komen de instellingswoorden in beeld, ook het eucharistisch gedachtencomplex uit 1 Korinthe 10 en 11, alsmede Christus’ woorden in Johannes 6:53-56. Deze woorden golden in de rooms-katholieke traditie als belangrijk bewijs voor de leer dat het brood verandert in Christus’ lichaam. De catechismus is er kennelijk op uit de gangbare eucharistische zegswijze in bijbels licht te plaatsen.

De leefwereld van de hoorder

De hoorder maakt deel uit van een samenleving waarin enerzijds vaak niets te bespeuren valt van enig verlangen naar contact met ‘een hogere werkelijkheid’, maar waarin anderzijds (vooral sinds de laatste decennia van de vorige eeuw) bij menigeen juist ook sterke interesse is gegroeid in religieuze ervaring. Binnen de kerken komt onverschilligheid inzake het wandelen met God voor, maar ook ‘verstandsgodsdienst’ die weinig opheeft met mystiek, naast een sterk verlangen naar beleving van contact met God.

Wat betreft het samenleven van mensen is in bovengenoemde periode ook een steeds sterker uiteenvallen van oude maatschappelijke verbanden waarneembaar, en een proces van toenemende individualisering. Velen verlangen daarentegen naar meer cohesie. De kerk kent de gemeenschap der heiligen, maar deze wordt niet altijd als voldoende beleefd.

Met het oog op de tieners

Voor zover de kerk hen (nog) boeit, hopen tieners op echt contact met God en Jezus en met elkaar. Wat hun van jongs af aan geleerd is, moet ‘werken’ ofwel ‘zin hebben’. Ze kunnen zich afvragen: Wat is de meerwaarde van het avondmaal? Wat ervaar je dan wel of niet? Verder is er behoefte aan het ‘erbij betrokken worden’. Wanneer in een gemeente of kerkverband veel onenigheid is, zal zeker voor jongeren het aspect ‘samen bijeen zijn’ van het avondmaal als een farce worden ervaren. Daarnaast ervaren jongeren tijdens een avondmaalsdienst soms eerder afstand dan betrokkenheid. Jongeren die tijdens de viering in de banken achterblijven, omdat het in hun gemeente gebruikelijk is om pas na het doen van belijdenis deel te nemen aan het avondmaal, kunnen het gevoel krijgen dat ze er niet bij horen.

Met het oog op de kinderen

Kinderen staan vaak open voor de idee van een ervaarbare band met Christus (‘Jezus in je hart’). Ze waarderen de aandacht die de kerk hun geeft in allerlei vormen van kinderwerk en niet in het minst in de kerkdiensten zelf: ze vinden het fijn om te merken dat ze gezien worden. Het avondmaal blijft toch vooral iets van en voor ‘grote mensen’. In sommige kerken zijn de kinderen tijdens het avondmaal in hun eigen kring (kindernevendienst). Zij krijgen dan maar weinig mee van de betekenis van avondmaal vieren. Wel kunnen zij de gereedstaande tafel met alle stoelen zien staan en nieuwsgierig raken naar wat dit te betekenen heeft.

Uitleg

De catechismus geeft in antwoord 76 uitleg van de sacramentele zegswijze ‘eten en drinken van Christus’ lichaam en bloed’, die stoelt op de instellingswoorden uit de Evangeliën, Paulus’ avondmaalsleer in 1 Korinthe 10 en 11 en Jezus’ ‘broodrede’ in Johannes 6.

Het catechismusantwoord zou zelfs gezien kunnen worden als voornamelijk en grotendeels exegese van die woorden, die zo’n sleutelrol vervullen in de traditie. Zo spoort het eerste deel van het antwoord treffend met de hoofdbetekenis van Jezus’ spreken in Johannes 6: wie deel wil krijgen aan het eeuwige leven, moet geloven dat God een mens van vlees en bloed geworden is, en dat dit leven alleen werkelijkheid kan worden door wat Jezus lichamelijk zal overkomen. De indringende, zo niet schokkende manier van zeggen (eten van vlees en drinken van bloed) duidt metaforisch op de noodzaak van intens geloven, er innerlijk niet omheen kunnen. Zo heb je deel aan Christus en deel je in het eeuwige leven.

Het eerste deel van de tweede zin komt overeen met het slot van Jezus’ broodrede (Joh. 6:56). Daar zegt Jezus dat wie van Zijn vlees eet en Zijn bloed drinkt, in Jezus blijft en Hij in hem. Het geloven in Jezus als de mens geworden God die Zijn lichaam overgeeft in de dood, brengt dus een altijddurende connectie met Hemzelf tot stand, met Hem die gekruisigd zal worden en opstaan en die lichamelijk naar de hemel zal opvaren. Soortgelijke uitspraken staan bijvoorbeeld in Johannes 14:23 en Efeze 3:16-17, waar duidelijk gemaakt wordt dat de bedoelde connectie gelegd wordt door de Geest. De catechismus maakt in dit zinsdeel verder ook gebruik van terminologie ontleend aan Efeze 5:29 vv., waar Paulus de hechting aan Christus’ lichaam ter sprake brengt binnen het kader van een huwelijksparaenese.

De catechismus is er alles aan gelegen om in dit tweede onderdeel van het antwoord te voorkomen dat de gereformeerde kerk beticht zou kunnen worden van spiritualisme. De gedachte aan een lichamelijke verbinding met Christus via lichaam-geworden brood mag dan wel pertinent afgewezen zijn, zo beslist niet de gedachte aan de innige connectie van de gelovigen met de lichamelijk ten hemel gevaren Christus. Dat dit door de kracht van de Geest geschiedt, via het geloof, doet geen afbreuk aan de intensiteit van de verbinding met de lichamelijke Jezus. (Het loont de moeite om, tegen de achtergrond van antwoord 76, te lezen wat Calvijn schrijft in Institutie IV.17, met name vanaf §4. Daar wordt duidelijk welke misverstanden antwoord 76 uit de weg probeert te ruimen.)

Het derde deel van het antwoord, ten slotte, herinnert aan uitspraken van Paulus in Romeinen 12:4 vv., 1 Korinthe 12:12-27 en Efeze 4:15 vv. ‘Het lichaam’ is dan de kerk zelf, als deel uitmakend van Christus. (De verwevenheid tussen het lichaam van Christus en de gemeente als lichaam van Christus wordt schitterend zichtbaar gemaakt in 1 Korinthe 10:16 vv. en 1 Korinthe 11:23-29, en daar in een specifiek eucharistische context. Het element van de gemeenschappelijkheid in het avondmaal vindt alleen een aanknopingspunt hier, in antwoord 76.) In genoemde Schriftplaatsen ligt het accent vooral op het ‘geregeerd worden’ door de Geest, maar in Efeze 4:15 komt daarnaast ook het ‘eeuwig leven’ duidelijk in beeld door middel van het spreken over de ten hemel gevaren Christus als het hoofd van het lichaam.

Relevantie van het thema

Antwoord 76 brengt de belevingskant van het geloof in de lijdende, gestorven en opgestane Christus die Zijn Geest uitzendt, sterk onder de aandacht. Deze aandacht vloeit voort uit het centrale begrippenpaar ‘eten’ en ‘drinken’, woorden die metaforisch duiden op een innemen met hart en ziel. De totale Christus met Zijn werk in verleden en heden wordt de gemeente innig op het hart gebonden.

Dat hier zo veel aandacht voor wordt gevraagd, is van onschatbare waarde. In de eerste plaats omdat sommige hoorders van het Evangelie de boodschap onverschillig over zich heen laten komen en zich niet realiseren hoe ontzagwekkend het is dat die Jezus die gekruisigd was, werkelijk leeft. Anderen zien meer, maar zijn nogal rationalistisch ingesteld en missen juist kennis van wat betreft de omgang met de levende Here. Nog weer anderen hunkeren juist naar beleving, in een wereld die steeds meer van God losgeraakt is. Voor al deze categorieën hoorders heeft antwoord 76 veel te bieden.

Ook komt het belang van de gemeenschap aan de orde. De avondmaalstafel demonstreert de mogelijkheid van een wonderbaarlijke, duurzame en hartelijke eenheid van mensen midden in een verscheurde en verkilde wereld, onder de hemelse leiding van Christus.

En dan de samenhang van verleden, heden en toekomst. In dit antwoord wordt Christus niet alleen gezien als Hij die geleden heeft en gestorven is (verleden), maar ook als Degene die opgestaan en ten hemel gevaren is en die met Zijn Geest werkzaam is in de gemeente (heden) en dat blijft doen (toekomst). Het is heilzaam wanneer mensen – die zich vaak verloren voelen in tijd en ruimte – mogen weten opgenomen te zijn in een samenhang van alle tijden en plaatsen.

Met het oog op de tieners

Tieners verkeren in die levensfase waarin het erop aan gaat komen zich het hun overgeleverde geloof bewust eigen te maken. Het vaak ‘vanzelfsprekende’, nog kinderlijke geloof wordt afgelegd. Zoals de hele wereld met nieuwe ogen tegemoet getreden wordt, zo wordt nu ook de geloofsinhoud meer en meer overwogen. Willen zij tot persoonlijke belijdenis van het geloof komen, dan moeten ze tot op zekere hoogte geproefd en gezien hebben dat de heere goed is (Ps. 34:9). Bij dat proeven hoort ook de heerlijke smaak te pakken krijgen van de gemeenschap der heiligen. Hiervoor biedt antwoord 76 een prachtig aanknopingspunt.

In gemeenten waar tieners (en kinderen) in de regel zelf (nog) niet aan het avondmaal deelnemen, kan het goed zijn om expliciet duidelijk te maken dat zij er voor God wel degelijk bij horen. Mogelijk zijn er enkele tieners in de gemeente die vanuit dat geloof zelf ook zouden willen aangaan en dit ook kenbaar maken. Deze behoefte van tieners dient uiterst serieus genomen te worden, en in alle openheid dient, binnen de context van de betreffende gemeente, gezocht te worden naar manieren om tieners (en kinderen) in de gemeenschap der heiligen te betrekken. Meer hierover in preekschets 16.3, ‘Wie zijn de gasten?’.

Met het oog op de kinderen

Kinderen – onderweg van doopvont naar avondmaal − staan doorgaans zeer open voor (de mogelijkheid van) de realiteit van de levende tegenwoordigheid van de Here. Zij begrijpen uitdrukkingen als ‘Ik heb Jezus in mijn hart’ of ‘Leg maar gerust je hand in die van onze Heer’, en worden nog niet gehinderd door rationalistische muizenissen. Een mooie kinderuitspraak in dit verband: ‘Mam, ik heb onderweg naar Jezus gezwaaid.’ ‘Maar kind, je kunt de Here Jezus toch niet zien?’ ‘Nee, maar Hij mij wel.’

Zij hebben het nodig gesterkt te worden door de wetenschap dat de Jezus over Wie zij thuis (of elders) steeds horen vertellen, nog steeds dezelfde is, en ook graag met hen wil omgaan, hoe jong ze ook nog zijn. Ook zal het hun goeddoen te horen dat Jezus ook hen ziet als leden van Zijn gemeente, en hen wil inschakelen als ‘kaarsjes, brandend in de nacht’ – ook al is het maar in een klein hoekje.

Relevante bijbelgedeelten

Naast de instellingswoorden zijn de woorden van Jezus in Zijn ‘broodrede’ in Johannes 6 cruciaal, met name de verzen 51-58. Daarbij komen Efeze 3:16-17 en Johannes 14:23 over het wonen van Christus in de gelovigen.

Efeze 5:30 is van belang vanwege de vérgaand plastische uitdrukking ‘leden van Zijn lichaam, van Zijn vlees en Zijn gebeente’. 1 Korinthe 12 en Efeze 4:15 spreken over de werkzaamheid van Christus door Zijn Geest in de gemeente als Zijn lichaam. De samenhang tussen Christus’ lichaam in eigenlijke zin en het lichaam dat bestaat in de gemeente komt in een eucharistisch verband aan de orde in 1 Korinthe 10:16 vv. en 1 Korinthe 11:24 en 29.

Ook kan Psalm 34:9 (‘Proef en zie dat de heere goed is’) heel goed en zinvol betrokken worden bij de behandeling van antwoord 76.

Aanwijzingen voor de leerdienst

Doelstelling

Na deze dienst is de gemeente zich er (weer) bewust van geworden dat ‘eten en drinken van Christus’ gekruisigd lichaam en bloed’ een metafoor is voor intens geloven dat het lijden en sterven van Christus noodzakelijk is om eeuwig heil te verkrijgen.

Homiletische aanwijzingen

De controversen met de Rooms-Katholieke Kerk zullen voor de meeste leden van de gemeente niet zo relevant meer zijn. Toch kan het hier en daar nog een rol spelen (en dan dient de preek er vanzelfsprekend ook op in te gaan), en overigens moet men zich ook in het algemeen blijven realiseren dat deze controversen de oorspronkelijke achtergrond van vraag en antwoord 76 vormden. Anders is alleen al de vraag niet te plaatsen. De hedendaagse kerkganger beseft doorgaans niets meer van de beladenheid die de uitdrukking ‘het gekruisigde lichaam van Christus eten en Zijn vergoten bloed drinken’ in de zestiende eeuw had.

De preek kan heel natuurlijk verlopen via de drie punten die antwoord 76 aangeeft. Allereerst kan worden benadrukt dat het heil dat het avondmaal betekent en verzegelt, zonder innig geloof niet genoten kan worden. Ons hele wezen moet ermee gemoeid zijn. Het brood eten en de wijn drinken staat voor Christus’ lichaam eten en Zijn bloed drinken, en dat betekent: Zijn lijden en sterven volledig aannemen in al zijn betekenissen. Als het om onze redding gaat, hebben wij niets aan Jezus als Hij voor ons mensen slechts een groot voorbeeld of een wegwijzer of een geestelijk raadsman is. Zijn lijden en sterven is het middelpunt van het Evangelie. Dat het juist de Gekruisigde is die nu voor de deur staat als de Komende in heerlijkheid, moet ieder die – al dan niet argeloos – de betekenis van Golgotha nog niet kent, op het hart gebonden worden.

Het tweede deel van antwoord 76 biedt alle gelegenheid om uit te weiden over de heerlijkheid van de reële en blijvende verbondenheid met de levende Here in de hemel. Het is een prachtige uitdaging voor elke prediker deze ontzagwekkende mogelijkheid (die realiteit wordt door het geloof) aan te prijzen. Daarbij kan betrokken worden dat in de verbondenheid met Christus alle tijden en plaatsen samenvallen. Er is een verbondenheid met hen die bij het kruis stonden en, daarvoor, allen die Hem tot hun heil verwacht hebben. En er is een verbondenheid wereldwijd met allen die ons zijn voorgegaan naar de bruiloft van het Lam, met hen die Hem in onze tijd aanroepen en ten slotte met de gelovigen die nog na ons zullen komen.

Daarmee komt eigenlijk al de gemeenschap der heiligen in beeld, het derde deel van antwoord 76. Dit aspect kan in verband met de vraagstelling eigenlijk alleen via 1 Korinthe 10 en 11 belicht worden. Eten en drinken betekent ook ‘het lichaam onderscheiden’, dat wil zeggen beseffen dat de gemeente deel van Christus is. Bij dit onderdeel is er alle gelegenheid om de luister van de aan tafel gedemonstreerde eensgezindheid breed uit te meten. Er kan in dat verband ook worden verwezen naar rituelen als ‘de heilige kus’ of het elkaar de vrede van Christus toewensen met een handdruk.

Met het oog op de tieners

Wijs de tieners erop dat Jezus ook afgezien van het avondmaal al sprak over eten van Zijn vlees en drinken van Zijn bloed. Omdat zij veelal nog niet deelnemen aan het sacrament, kan zo toch ook op hen een appèl gedaan worden. Uiteraard moet het heerlijke van avondmaal vieren hun worden voorgehouden. Wat een winst als er bij hen een verlangen tot deelname gewekt mag worden! Dat verlangen kan versterkt worden door hen in prediking en gemeentewerk telkens weer te laten proeven dat het ‘samen bijeen zijn’ ook hun geldt. De onderlinge gemeenschap in de naam van Christus kan de weg effenen naar het ervaren van Zijn gemeenschap rond de tafel van het avondmaal.

Het dubbele van het thema van deze dienst kan verduidelijkt worden met het beeld van een fietswiel. Hoe dichter kralen langs de spaken van een wiel naar de naaf schuiven, hoe dichter ze bij elkaar komen. Hoe dichter wij naar Christus ‘schuiven’, hoe dichter we bij elkaar komen. Het avondmaal laat zien dat we Christus zelfs ‘binnen schuiven’: één met Hem worden.

Met het oog op de kinderen

Voor kinderen is het alleen al erg lastig de harde woorden van ‘een lichaam eten en bloed drinken’ ter sprake te brengen. Zij kunnen wellicht geholpen worden met analoog taalgebruik als ‘een boek verslinden’. Ook zal een kind het begrijpen als iemand zegt: ‘Je bent om op te eten.’ Via zo’n invalshoek kan de concrete zegswijze uit vraag 76 worden aangekaart.

Pastorale aanwijzingen

Het aannemen van het lijden en sterven van Christus is vanouds het struikelblok bij uitstek, dat waarachtig geloven in Hem in de weg ligt. Ook binnen de gemeente kan zulke weerstand voorkomen: ‘Ben ik er echt zó slecht aan toe, dat Jezus zo vreselijk moest lijden en zo’n gruwelijk sterven moest doormaken?’ Fatsoensbesef kan mensen echt in de weg staan om Jezus te kunnen of willen begrijpen in Zijn aansporing Zijn vlees te eten en Zijn bloed te drinken.

Verder is het belangrijk een goed onderscheid te maken tussen ‘met een gelovig hart heel het lijden en sterven aannemen’ en ‘met een heel gelovig hart het lijden en sterven aannemen’. Het geloof is vaak zwak. Maar ook met een zwak geloof kan iemand heel het lijden en sterven aannemen, dat wil zeggen dat hij zich realiseert dat de lijdensweg van Christus tot en met het bitterste einde noodzakelijk is voor ons heil.

Een preek over dit thema biedt vervolgens prachtige kansen om de gemeente indringend te bepalen bij de heerlijke werkelijkheid van de mystieke unie met Christus. Sommigen hebben nooit oog gekregen voor de mogelijkheid hiervan. Anderen hebben verstandelijke barrières. Zij zijn bang om te gaan ‘zweven’. Ook kunnen mensen menen: ‘Dit is te groots en voor mij niet weggelegd.’ Daarom moet er aanlokkelijk en nodigend over gepreekt worden.

Het derde deel van het antwoord biedt de gelegenheid om de onderlinge gemeenschappelijkheid in verband met het avondmaal ter sprake te brengen. Op dit vlak kunnen er in de gemeente vragen en problemen liggen. Daar dan niet op ingaan zou een gemiste kans zijn.

Met het oog op de tieners

‘Heel het lijden en sterven van Christus aannemen’ kan voor jongeren nog moeilijker zijn dan voor ouderen. Er is vaak zo veel onbedachtzaamheid en argeloosheid in het zondigen. Anderen vinden het moeilijk om de verantwoordelijkheid voor hun eigen gedrag al serieus onder ogen te zien, en beschouwen hun jeugdigheid als een vrijbrief om zich nog niet al te veel te bekommeren om de betekenis van Jezus’ lijden en sterven. Er zijn echter ook jongeren die juist last hebben van schuldgevoelens. Van de prediker mag verwacht worden dat hij oog heeft voor al die diversiteit. Wie nog te onbedachtzaam is, mag geprikkeld worden ‘tot een heilzame schrik’; wie tobt met (jeugd)zonden, mag horen dat ‘het lichaam van onze Here Jezus Christus gegeven is tot een volkomen verzoening van al onze zonden’.

Het is een geweldige uitdaging om voor jongeren aannemelijk te maken dat een echte band met Christus binnen handbereik ligt voor ieder die gelooft. Zij hunkeren vaak naar echtheid en beleving. Het christelijk geloof kan aan dat verlangen tegemoet komen.

Daarnaast is het ook een uitdaging om te proberen hen te fascineren voor de wondere werkelijkheid van de kerk als het lichaam van Christus, zo totaal verschillend van welke vereniging of club dan ook. Deel te mogen uitmaken van een wereldomvattend en zelfs bovenaards verband: hoe troostend kan dit besef zijn voor jongeren die vaak te kampen hebben met eenzaamheid, onzekerheid en het gevoel nergens bij te horen.

Met het oog op de kinderen

De preek zal kinderen bemoedigen als zij horen dat Hij die ooit zei: ‘Laat de kinderen tot Mij komen’, hen ook nu nog heel graag vlak bij Zich wil hebben. Ook mogen ze horen dat ze graag gezien worden in het geheel van de gemeente, en dat een kerk zonder kinderen incompleet is. Evenals voor sommige tieners (zie de aanwijzingen voor tieners onder ‘Relevantie’) geldt ook voor kinderen dat zij vanuit een puur en oprecht kinderlijk geloof in de Here Jezus de behoefte kunnen hebben om, net als hun ouders, deel te nemen aan het avondmaal. Hoe sterker benadrukt wordt dat kinderen er helemaal bij horen, des te meer kunnen deze kinderen zich afvragen waarom ze dan toch niet aan het avondmaal mogen. Hier dient pastoraal en invoelend mee omgegaan te worden, binnen de context van de eigen specifieke gemeente.

Liturgische aanwijzingen

‘Heel het lijden sterven van Christus aannemen’ kan praktisch worden in het zingen van de klassieke boetpsalmen. Ook valt te denken aan allerlei lijdensliederen, die moeten dienen om Christus’ lijden ‘recht te betrachten’ (Gez. 177, LvdK).

De innige band met Christus wordt nergens mooier bezongen dan in Gezang 157 (LvdK), waarin met name het tweede en vierde couplet woordelijk refereren aan termen uit vraag en antwoord 76.

Een zeer passende psalm is Psalm 23. Psalm 133 gaat over de geloofsband binnen het ene lichaam. Bruikbaar zijn ook Gezangen 303; 319; 356; 242:2, 3, 4, 5 (LvdK)

Helpende vormen

De tekenen van brood en wijn spreken voor zich. De predikant kan de handeling van ‘iets innemen’ demonstreren. Wat gebeurt er met degene die eet en drinkt? Hij krijgt iets te proeven (dat is meer dan alleen zien of ruiken); er komt van buitenaf iets binnen in hem, het wordt ‘eigen’; het heeft een werkingskracht. Ook kan getoond worden dat velen tegelijkertijd van eenzelfde voeding kunnen genieten. Dat dit ‘iets’ nu over Christus Zelf gaat, is eigenlijk onvoorstelbaar: het avondmaal wil iets onvoorstelbaars − want geestelijks − toch in een teken zichtbaar maken.

Dit wat betreft het ‘Christus in ons’. Maar het ‘wij in Christus’? Ook dat is een ‘innemen’, van Zijn kant, ofwel een opnemen in Zijn lichaam. Maar dat lichaam is onvoorstelbaar, een geheel van Zijn persoon en onze personen gevat binnen de werkingssfeer van de Geest. Ter toelichting kan een schematische afbeelding van een (menselijk) lichaam worden gebruikt. Dan kan ook verwezen worden naar Paulus’ spreken over hoofd en ledematen (wat de catechismus zelf niet uitdrukkelijk doet).

Deze vormen kunnen evengoed volwassenen als tieners en kinderen helpen.

Met het oog op de tieners

Een hulpmiddel om beter te begrijpen dat een ritueel waarbij iets ingenomen wordt, een totale verbondenheid tussen personen kan betekenen en bezegelen, is de verwijzing naar het fenomeen bloedbroederschap. Tieners weten wellicht (ook via ‘indianenverhalen’) dat bij oude volken in het verleden, en nog wel bij primitieve stammen, bloed van twee personen werd vermengd (soms in combinatie met wijn) én geconsumeerd, om zo een onverbrekelijke verbondenheid tot uitdrukking te brengen (zie Frans Matthieu, Biografie van het bloed). Hierop doormediterend: het teken van brood en wijn is qua handeling minder schokkend (want geen werkelijk bloed), én onnoemelijk veel rijker: het verwijst naar bloed dat van één kant komt, en wel van een volmaakt heilig offerlam, het Lam Gods.

Met het oog op de kinderen

Jezus’ woorden over het eten van Zijn vlees en het drinken van Zijn bloed staan binnen het kader van Zijn ‘broodrede’, waarin Hij Zichzelf eerder (Joh. 6:49) ‘het brood des levens’ noemde. De predikant kan een brood tonen en daarbij uitleggen dat zonder brood niet te leven valt; en dat zonder de Here Jezus geen eeuwig leven mogelijk is. Bovendien: zoals door te eten het brood helemaal één geheel wordt met ons, zo wil de Here Jezus helemaal ‘een geheel’ worden met ons.

Literatuur

  • J.H. van de Bank e.a. (red.), Kennen en vertrouwen. Handreiking bij de prediking van de Heidelbergse Catechismus. Zoetermeer, 1993, p. 253.

  • J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek. Kampen, 1992, p. 731, 735.

  • Johannes Calvijn, Institutie IV.

  • Frans Matthieu, Biografie van het bloed. Leuven, 2003.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken