Menu

Premium

20. De brieven van Jakobus, Petrus en Judas

De brieven van Jakobus, Petrus en Judas behoren traditioneel tot een breder corpus van zeven ‘katholieke brieven’, waaronder ook de drie johanneïsche brieven vallen (waaraan elders in deze bundel aandacht wordt besteed). Onder ‘katholiek’ wordt meestal verstaan dat deze geschriften een universele (katholou) reikwijdte beogen. Een recente suggestie is dat deze zeven documenten door de tijd heen geredigeerd en bij elkaar gevoegd zijn, zodat ze uiteindelijk theologisch gezien een coherent beeld vertonen en in ethisch opzicht een tegenwicht (geen correctie!) van de Paulinische collectie vormen. Met name Jakobus zou daarom in de derde eeuw als laatste aan een dan al gegroeide katholieke collectie zijn toegevoegd. Jakobus en Judas gingen het begin en einde van deze collectie uitmaken. Het boek Handelingen, dat tegelijk met de katholieke brieven aan de canon werd toegevoegd, bood de narratieve context die de collectie van religieuze autoriteit voorzag, evenals de prioriteit van Jakobus daarbinnen. Met aan de ene kant deze collectie, waarin de wortels van het christendom in de geschiedenis en traditie van Israël worden benadrukt, en aan de andere kant de Paulinische collectie als getuigenis voor de heidenen, kwam het geheel van de nieuwtestamentische brieven in balans.

De vier brieven die hier besproken zullen worden, zijn toegeschreven aan de historische figuren Jakobus, Petrus en Judas. Of de twee broers en leerlingen van Jezus, met in hun midden de apostel Petrus, inderdaad de auteurs zijn, is een omstreden zaak. Het belang van inzicht in de achtergronden voor de interpretatie van ook deze geschriften is onmiskenbaar. Het zoeken naar oplossingen voor de verwarrende en ingewikkelde inleidingskwesties en andere technische problemen, heeft echter de geleerden weliswaar gefascineerd, maar de belangstelling van de ‘gewone’ bijbellezers niet gestimuleerd. In deze bundel over Bijbel en theologie neem ik de vrijheid om voor deze kwesties te verwijzen naar de commentaren en andere studies.

Door de geschiedenis heen zijn de meeste katholieke brieven niet altijd gewaardeerd. Ze zijn bestempeld als ‘junkmail’: rommelig, onduidelijk, raadselachtig, misschien soms zelfs niet christelijk (met name Jakobus); of worden naar de marge geschoven, omdat ze niet zouden passen in de ‘grote heldere theologische tradities’: de Evangeliën, Paulus en Johannes. Deze brieven zijn inderdaad geen systematisch theologische werken. Het zijn functionele en pastorale documenten, gericht aan een specifieke groep van mensen die onder bijzondere omstandigheden verkeren, en die door een hun bekende schrijver worden aangesproken in een bepaalde tijd. Ze hebben als doel de ontvangers bij te staan, te bemoedigen en hen te laten floreren in de nieuwe leefwijze en leefomstandigheden, die hun relatie met God door Jezus Christus met zich meebrengt, nu en in de toekomst.

In wat nu volgt, zal ik een indruk bieden van wat in de vier genoemde brieven niettemin aan theologie te ontdekken valt. De aandacht zal onder meer uitgaan naar de verbindende elementen in deze geschriften: het Oude Testament als voedingsbodem; de ethische oriëntatie; en de gerichtheid op het toekomende, de eschatologische dimensie.

Jakobus

De brief van Jakobus is gericht aan ‘de twaalf stammen in de Diaspora’, dat wil zeggen aan christenen die buiten Israël met zijn sociale en culturele wortels leven. Mensen die, juist als christenen, dikwijls zowel politiek, als sociaal en religieus gezien in moeilijke omstandigheden verkeren – in de taal van de brief: ‘beproevingen ondergaan’ (1:2,12). Deze worden in Jakobus, anders dan in de andere drie brieven, vooral gerelateerd aan interne problemen en verhoudingen. Daar ligt ook de aanleiding voor het schrijven van de brief.

Jakobus begint met aanmoedigingen om vol te houden. Hiertoe kan vol vertrouwen aan God om de benodigde wijsheid worden gevraagd. Van God komen de beproevingen niet. God heeft de gelovigen lief en zal de standvastigen uiteindelijk belonen met het leven als lauwerkrans (1:12), dat wil zeggen met een goed en lang leven. God wordt hierbij geduid als ‘Vader van de hemellichten’. Voor de hand ligt hier de associatie met Genesis 1:14-16, waar verhaald wordt over de schepping van de twee grote lichten aan het hemelgewelf (vgl. Ps. 16:7). Daarnaast komt ‘Vader van de lichten’ voor in het Testament van Abraham 7:60, en in Qumran-documenten figureert de ‘Prins der lichten’, die Florentino Garcia Martinez associeert met de hemelse Messias, die als de eschatologische redder Melchisedek verschijnt, en als de ‘zoon van God’, die vrede herstelt na de eindstrijd (4Q242). Hoe dan ook is bij God geen verandering of verduistering waar te nemen. Wie en wat God is, staat in het teken van stabiliteit en absolute helderheid.

Na de inleiding legt Jakobus de vinger op concrete conflicten in de gemeente, misdragingen en problematische visies, die mogelijk te maken hebben met een verkeerde interpretatie van Paulus’ leer over de rechtvaardiging door het geloof, los van de werken van de wet. Jakobus’ reactie op dit alles heeft een ethische boventoon en wordt theologisch onderbouwd met verwijzingen naar het Oude Testament en naar Jezus’ leer (vgl. bijv. Jak. 1:4 // Mat. 5:48; Jak. 2:10 // Mat. 5:18; Jak. 2:8 // Mat. 22:3639; Jak. 3:5-6 // Mat. 15:11vv; Jak. 4:0 // Mat. 7:1). Hij zet in met de drievoudige, op de wijsheid georiënteerde spreuk: ‘ieder mens moet zich haasten om te luisteren, maar traag zijn om te spreken, traag ook in het kwaad worden’ (vgl. o.a. Spr. 15:1; Sir. 5:9v). Daarnaast zet Jakobus nadrukkelijk dat eenieder die het woord hoort, er ook naar zal/moet handelen, dat wil zeggen zich spiegelen in de wet die vrijheid brengt. Dit lijkt een verwijzing naar de nadruk die Jezus legde op wat het zwaarst weegt in de wet: ‘recht, barmhartigheid en trouw’ (Mat. 23:23). Horen en juist spreken, horen en doen, wordt daarna omstandig uitgewerkt.

Jakobus heeft een speciale antenne voor de sociaal en economisch gemarginaliseerden, en zijn oproep tot zuiver geloof, dat persoonlijk en sociaal is, heeft dan ook als kern de praxis van sociale gerechtigheid. Discriminatie en uitbuiting van minderbedeelden stelt hij aan de kaak (Jak. 2:1v; 5:4). Voor weduwen, wezen en armen, mensen die bij uitstek tot een gemarginaliseerd bestaan gedoemd zijn, dient daadwerkelijk te worden gezorgd. Alleen dit is ‘reine, zuivere godsdienst’ (K27), geloof dat zich daadwerkelijk bewijst (2:7) en het volbrengen van het koninklijk gebod: ‘heb uw naaste lief als uzelf’ (2:8). Op de achtergrond resoneren de wijsheidstraditie, de profetische traditie en de bekende joodse traditie van zorg voor armen (zie bijv. Ex. 22:21v; Lev. 25:35v; Deut. 10:16-19; 15:7-ii).

Affiniteit met de profetische traditie komt het duidelijkst naar voren in een felle veroordeling van sociaal onrecht, onderdrukking en uitbuiting, met name in de aanval op rijken, handelaren, kooplieden en grondbezitters (Jak. 1:10-11; 2:6-7; 4:13-17; 5:1-6). Jakobus schetst een genadeloos beeld van de rijken: zij kleden zich uitbundig, pronken met hun status, terwijl de armen in vodden gekleed zijn. Zij onderdrukken mensen en slepen ze voor de rechte15 zij halen de naam van Jezus door het slijk. Met een herhaalde profetische apostrof ‘En nu u die…’ (4:13; 5:1) brandt de kritiek los op zakenlieden en landeigenaren die alleen hun eigen belangen op de agenda hebben staan en hun arbeiders uitbuiten. Dit eindigt met de intrigerende zin: ‘U hebt de rechtvaardige veroordeeld en vermoord, en hij heeft zich niet tegen u verzet’. Deze woorden kunnen ontleend zijn aan het boek Wijsheid en een algemene strekking hebben, of een verwijzing zijn naar de kruisdood van Jezus. Andere mogelijkheden zijn dat het een redactionele toevoeging betreft die verwijst naar de dood van Jakobus de rechtvaardige, of, breder nog, naar zowel de dood van Jezus als de steniging van Stefanus en van Jakobus.

De kritiek op de rijken vult Jakobus aan met het hekelen van degenen die aanzienlijken naar de ogen zien en mensen uit lagere sociale klassen discrimineren. Dit ongeoorloofde onderscheid druist in tegen Gods voorkeur voor de armen. Zoals God zich bekommert om hun belabberde situatie, zo zou ook de gemeente dat moeten doen: geloof bewijst zich in rechtvaardig en barmhartig handelen. Dat wil ook zeggen dat de armen weliswaar de primaire uitverkorenen van God zijn, maar niet de enige. Jakobus schrijft niemand bij voorbaat af. Het punt is dat degenen die heel wat menen te zijn, gewezen worden op hun ‘nederige staat’ en de vergankelijkheid van de mens en vooral van de aardse goederen. Voor hen geldt in het bijzonder de waarschuwing tegen de verleidingen van materialisme, ‘de wereld’, en de oproep tot bekering en nederigheid. Voor hen geldt het koninklijk gebod om de naaste lief te hebben, barmhartig en rechtvaardig te zijn (2:13; 2:24). Rijk kan een mens alleen zijn door geloof (2:5) en geloof is niets zonder daden.

Als voorbeelden van het samengaan van geloof en handelen noemt Jakobus voorvader Abraham en de hoer Rachab. Voor Abrahams geloof citeert hij – zoals ook Paulus in Romeinen 4 en Galaten 5 – Genesis 15:6, ‘Abram vertrouwde op de Heer en deze rekende hem dit toe als een rechtvaardige daad’, maar verbindt dit met het offer van Isaak. Jakobus – anders dan Paulus – benadrukt dus niet het belang van de wet, maar van rechtvaardig handelen. Rachab – vrouw, heidense, hoer, dus drievoudig marginaal – lijkt overigens als voorbeeld van rechtvaardig handelen hier beter te passen dan een vader die zijn zoon wil offeren.

Een ander belangrijk thema, dat eveneens gekoppeld is aan de wet van de vrijheid, is het beteugelen van de tong, ‘dat onberekenbare kwaad, vol dodelijk venijn’ (Jak. 3:8) dat een wereld van onrecht kan aanwakkeren. Het spreken, ook in het kader van leren, oordelen en omgaan met elkaar, moet wel een fundamenteel probleem zijn geweest, gezien de aandacht die er door de hele brief heen aan wordt besteed. Tegenover het onwijs gebruiken van de tong zet Jakobus opnieuw ‘doen’, namelijk een onberispelijk leven leiden door wijze zachtmoedigheid (3:13). Bovendien is kwaadspreken gelijk aan niet naar de wet handelen, maar optreden als rechter, wat alleen God toekomt (4:11).

Jakobus eindigt troostrijk en bemoedigend, waarbij hij belangrijke thema’s nog eens noemt. Hij spoort aan om geduldig te wachten op de komst van de Hee15 standvastig te blijven zoals Job, want de uitkomst zal er naar zijn. Het belang van de ethiek van verantwoord spraakgebruik wordt nogmaals benadrukt met een beroep op de Schrift (5:12; zie Lev.(13; vgl. Mat. 5:33-37).

Ter afsluiting moedigt Jakobus de broeders en zusters pastoraal aan, om elkaar bij te staan en voor elkaar te bidden als men ziek is of het moeilijk heeft, te zingen als men blij is, en zo meer. De meeste nadruk krijgt het gebed, waarbij verwezen wordt naar Elia, ‘een mens als wij’, die met succes volhardde in gebed. Ten slotte volgt een laatste oproep om elkaar te behoeden voor afdwalen van ‘de waarheid’, want ‘wie een zondaar van het dwaalspoor terugbrengt, redt hem van de dood en wist tal van zonden uit’ (Jak. 5:20).

Over Jezus en de Geest heeft Jakobus vrijwel niets te melden. In het theocentrische vertoog wordt God daarentegen op verschillende manieren gekarakteriseerd: God is heer van de hemelse machten, schepper van alle mensen, vader, wetgever en rechter, rechtvaardig, barmhartig en liefdevol – de ultieme standvastigheid en integriteit. God keert zich tegen de hoogmoedigen en schenkt de armen genade. Vanaf 2:19 voert Jakobus een schijndialoog, waarin misschien wel het belangrijkste wordt uitgezegd. ‘U gelooft dat God de enige is? Daar doet u goed aan. Maar de demonen geloven dat ook, en ze sidderen. Dwaas, wilt u het bewijs dat geloof zonder daden nutteloos is? […] zo is ook geloof zonder daden dood’. De theologie van Jakobus is bij uitstek sociaal en praktisch georiënteerd. Het dragende principe en tegelijk ook de consequentie van zijn theologie is de koninklijke wet van de liefde tot de naaste.

1 Petrus

Uit deze brief, gericht aan christenen verspreid over Klein-Azië, blijkt overduidelijk dat de geadresseerden het zowel als groep als individueel zwaar te verduren hebben (zie o.a. 1:6; 2:12,19; 3:6,12; 4:4-12). Hierbij valt niet te denken aan vervolgingen van staatswege, maar eerder aan problemen op het sociale vlak. Als mensen die zich bij een nieuwe religieuze groepering aansloten, zullen zij geconfronteerd zijn met laster, stereotiepe kritiek, zoals beschuldigingen van onzedelijkheid en omkering van traditionele verhoudingen. Gedacht moet ook worden aan problemen met en ook uitsluiting uit eerdere verbanden waaraan zij hun identiteit ontleenden, zoals families en verenigingen. Conflicten met de buitenwereld kunnen bovendien gemakkelijk resulteren in interne conflicten en ook dat zal de gemeenten onder druk gezet hebben. Het is deze situatie die de theologisch onderbouwde reactie van de auteur van i Petrus bepaalt, stuurt en begrenst.

Dat de geadresseerden lijden, wordt bijzonder ernstig genomen en uitdrukkelijk gethematiseerd. Een belangrijk doel van de brief is dan ook een zodanig perspectief te bieden, dat zij alle ellende kunnen doorstaan en hun geloof intact zal blijven. Zowel in het begin als aan het einde van de brief spreekt de auteur de gemeenten met zoveel woorden moed in en verzekert hun nadrukkelijk dat de kracht en de genade van God hen beschermen, krachtig maken en staande zullen houden (1:4; 5:10,12). Want, zo onderstreept de auteur zijn vertoog, de christenen zijn uitgekozen en herboren door Gods raadsbesluit (prognosis), Gods grote barmhartigheid en Gods levende en altijd blijvende woord: het evangelie (1:1,3,12). Omwille van hen koos God Christus al voor de grondvesting van de wereld uit (1:20), om hen vrij te kopen met zijn kostbaar bloed (1:18-19); omwille van hen is Christus verschenen en uit de doden opgewekt tot leven en heerlijkheid. God heeft hen immers geschapen en daarom mogen zij ook op God vertrouwen (4:19), zij zijn Gods kudde (3:25; 5:2).

Uitverkiezing, herboren zijn en vrijgekocht zijn, functioneren overigens niet alleen als theologische concepten die de situatie van lijden van de positieve kant belichten, maar geven ook aan dat de geadresseerden nu tot een nieuwe ‘familie’ van God, hun vader, behoren, waaraan zij een nieuwe identiteit ontlenen, met als climax:

Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht. Eens was u geen volk, nu bent u Gods volk; eens viel Gods ontferming u niet ten deel, nu wordt zijn ontferming u geschonken.

(2:9:10)

Deze passage is een goed voorbeeld van de oriëntatie van i Petrus op het Oude Testament en de joodse traditie in de vorm van zowel citaten als allusies en met uitdrukkelijk gebruik van Jesaja 53 (i Petr. 2:22,24-25) en Psalm 34 (i Petr. 3:10-12). Het citaat hierboven laat zien dat de auteur niet alleen de taal van Israël voor de kerk toe-eigent, maar, zoals Paul Achtemeier beargumenteert, de taal en daarmee de realiteit van Israël zonder meer toepast op de realiteit van de christenen als het nieuwe godsvolk. Daarmee is die taal niet simpelweg illustratief, maar ook constitutief voor de christelijke gemeente. Veel termen en concepten uit de brief zijn van hieruit te verklaren. Zo bevestigen de teksten over Jezus Christus als de kostbare hoeksteen, door God uitgekozen maar door de mensen verworpen (met citaten uit Jes. 28:16; Ps. 07:22 en Jes. 8:14), de funderende aard van de taal van Israël. De opmaat voor deze toe-eigening is te vinden in i Petrus 1:10-12. Deze verzen impliceren dat zowel Israël als uitverkozen volk, alsook de profetische geschriften en feitelijk het hele Oude Testament, door de auteur als christocentrisch worden geïnterpreteerd en beschouwd, waarbij de werkzaamheid van de Geest als het ware de verbinding legt.

Dat brengt mij bij de verwevenheid van de theologie met de christologie, die in i Petrus onmiskenbaar is. De belangrijkste passages waarin het christologische accent naar voren komt, zijn i Petrus 1:3-7,18-21; 2:4-8,21-25; 3:18-22. Ze zijn lyrisch van stijl en vorm en stammen mogelijk uit bestaand liturgisch materiaal. Centraal staat het lijden van Christus, zelf een rechtvaardige, voor de zonden van onrechtvaardigen. Daarnaast wordt in een opvallend scenario Christus’ ‘odyssee’ geschetst (3:19v). Als Henoch die de onderwereld bezocht en het lot aankondigde van alle slechte wezens die met Satan verbonden waren, zo ook daalde Christus af naar de ‘geest-krachten’om het lot van het regime van het kwaad voor eens en altijd te bezegelen. Daarna is hij opgestaan en naar de hemel gegaan, waar hij nu over alle machten en krachten heerst. Deze passages onderstrepen het doel van de brief: bemoediging van hen die lijden. Als sociaal gemarginaliseerde groep krijgen christenen hiermee immers de garantie dat Christus heerst over alle machten en krachten, inclusief degenen die hen bedreigen. Zij mogen zich gesterkt weten door de wetenschap dat al hun ervaringen, hoe bitter ook, niet buiten Christus’ ervaring en Gods zorg liggen.

‘Erken Christus als Heer en eer hem met heel uw hart’ (3:15), daarmee somt de auteur als het ware op waar zijn christologie moet eindigen. Deze omvat Christus’ leven in God vóór zijn komst naar de aarde, zijn menselijke leven op aarde, zijn lijden, dood en afdaling naar beneden de aarde en zijn opstanding en verheerlijking. Die Christus hebben de geadresseerden lief, in hem geloven zij en ervaren zij onuitsprekelijke, hemelse vreugde, gezien het einddoel van hun geloof: hun redding (1:8-9) en de onvergankelijke erfenis die hen wacht. Over dit einddoel, de eschatologische hoop, is de auteur ook aan het slot van de brief en elders duidelijk: God, de bron van alle genade, heeft hen geroepen om in Christus Jezus en door zijn lijden deel te krijgen aan zijn eeuwige luister, die binnenkort zal worden geopenbaard (5:00). De dag van het oordeel waarop God komt rechtspreken (2:12; 4:7), het einde van alles, is nabij.

Op deze basis van geloof, hoop en uitzicht, maar vooral ook op het eerder in de brief geciteerde ‘wees heilig, want ik ben heilig’ (1:16), rusten ook de ethische vermaningen die een belangrijke plaats in i Petrus innemen, het meest specifiek in 2:11-3:12; 5:1-7. Als dienaren van God, in ontzag voor God (2:16-17; 3:2), inderdaad in geloof en hoop op God (1:21; 3:5) en vanuit Gods kracht (4:11), moeten christenen daarnaar wel willen leven. Sleutelwoorden van deze ethiek zijn het goede doen en onderschikking. Algemeen bekende maatschappelijke normen die buitenstaanders zouden kunnen herkennen en waarderen, worden geaccentueerd in de hoop dat dezen op grond daarvan de christenen zullen respecteren. Afname van de druk van buitenaf zal bovendien ook ten goede komen aan de interne stabiliteit. Voor de omgang met elkaar in de gemeente klinkt, als in Jakobus, de aansporing tot nederigheid (5:6).

Kort samengevat is de theologische rationale voor leven en handelen in deze brief gefundeerd op het lijden van Jezus Christus, zijn opstanding en verheerlijking. De christenen zijn vrijgekocht van hun zondige verleden, herboren en kunnen nu leven in de hoop op een onvergankelijke erfenis en ‘redding’. Daarom zullen zij, naar het voorbeeld van Christus, lijden kunnen verdragen, standvastig blijven en het goede doen. God geeft hen daartoe de benodigde kracht.

2 Petrus en Judas

Er zijn goede redenen om de tweede brief van Petrus en de brief Judas gezamenlijk te behandelen. In brede kring neemt men aan dat Judas voor 2 Petrus is gebruikt, getuige de literaire parallellen (iii van de 460 woorden komen overeen; 15 van de 25 verzen vertonen een parallel) en de inhoudelijke verbanden en doelstellingen.

Beide brieven staan in het teken van verontrusting over en polemiek tegen mensen met afwijkende visies. De heftigheid waarmee ‘deze mensen’ (houtoi) – zoals Judas hen bij herhaling noemt – afgeserveerd worden, laat zien hoe groot de problemen zijn. Van een ideale heterogene gemeenschap, waarin mannen en vrouwen in Christus in sociale harmonie met elkaar co-existeren (vgl. Kol. 3:11; Gal. 3:27-28), lijkt geen sprake (meer) te zijn. Dit is een tijd van duisternis, met als enige houvast degenen die spreken vanuit de heilige Geest, totdat de dag weer aanbreekt (2 Petr. 1:19). Tot die sprekers behoren de briefschrijvers die zich uitdrukkelijk positioneren op de profetische (Judas 7; 2 Petr. 1:1,19-21) en de apostolische lijn, inclusief Paulus (2 Petr. 3:15). Dit schept duidelijkheid over hun eigen autoriteit en die van hun brieven. 2 Petrus bevestigt die autoriteit bovendien door erop te wijzen dat ‘wij’ aanwezig waren bij de transfiguratie ‘op de heilige berg’ (1:18), en koppelt hieraan het vertrouwen in de woorden van degenen die spreken door de heilige Geest. Dat precies kan niet gezegd worden van de woorden van valse profeten! De verwijzing naar de transfiguratie bevestigt impliciet ook de canonieke Schrift als basis voor autoriteit: Mozes en Elia, die Jezus op dat moment flankeerden, staan immers voor de wet en de profeten, voor de Schrift, die de andersdenkenden verdraaien (2 Petr. 3:16).

Omdat de huidige lezers uitsluitend het perspectief van de auteurs voorgeschoteld krijgen, blijft onduidelijk wie ‘deze mensen’ zijn, wat zij precies denken en verkondigen. Zij behoren in ieder geval tot de christelijke gemeente(n), nemen aan de gezamenlijke maaltijden deel, waar ze – aldus de auteurs – zich schaamteloos gedragen (2 Petr. 2:13; Judas 12), leren en profeteren, zij het dan dat de inhoud daarvan gekwalificeerd wordt als vals en dwalend, dromen en gebral. En daarmee zijn nog maar enkele van de kritiekpunten genoemd. Het is niet zinvol noch verheffend om in detail in te gaan op alle, vaak ook stereotiepe, beschuldigingen. Het komt erop neer dat zij in de ogen van de briefschrijvers moreel verdorven zijn en lasterlijke ideeën verkondigen, waaronder de ontkenning van apocalyptische scenario’s (oordeel en wederkomst), en dus Jezus Christus verloochenen.

Het antwoord van 2 Petrus en Judas hierop is de herinnering aan de ‘orthodoxe’ christelijke eschatologie, inclusief het komende oordeel over de goddeloze mensen. Dat oordeel is zelfs al lang geleden geveld en schriftelijk vastgelegd (2 Petr. 2:3; Judas 4). Feitelijk wordt dit geïllustreerd aan de hand van afschrikwekkende voorbeelden uit het verleden, die Gods oordeel over het kwaad aanschouwelijk maken. Deze voorbeelden verlenen het betoog gezag en functioneren als sleutels om het heden te begrijpen. Waar de briefschrijvers aan herinneren, zijn:

  • Kaïn, het type van de trotse, cynische geest die God uitdaagt (Judas ii);

  • de wereld uit de voortijd die met de zondvloed niet gespaard werd;

  • de engelen die hun oorspronkelijke positie ontrouw waren, de gestelde grenzen overschreden, de hun toegewezen plaats verlieten en in de Tartarus geworpen zijn (resp. Judas 6; 2 Petr. 2:4);

  • Sodom en Gomorra, die hetzelfde deden en in de as gelegd werden (Judas 7; 2 Petr.2:6);

  • Bileam, het type van de hebzuchtige mens die bereid is tot verraad in ruil voor geld (Judas ii);

  • Korach, het type van iemand die zich uit trots verzet (Judas ii).

Voor ‘nu’ valt daaruit te leren dat het ‘deze mensen’ en hun volgelingen slecht zal vergaan, getuige het ellendige lot in de wereld van ontrouwe engelen uit de bovenwereld en de goddelozen van de aardse wereld; ook de goddelozen nu ontkomen niet aan Gods oordeel. Maar Gods oordeel heeft ook een lichtzijde. Hiernaar verwijzen de positieve voorbeelden van redding van degenen die rechtvaardig zijn en handelen: Noach en Lot (2 Petr. 2:7). En, de aarde, die Gods woord uit en door water schiep, zal weliswaar in vuur opgaan, maar daartegenover staat de belofte van een nieuwe schepping, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont (vgl.Jes. 65:17).

Deze hoopvolle noties gaan gepaard met een ethisch appel om smetteloos, onberispelijk en in vrede te leven (2 Petr. 3-14; Judas 24; vgl. 2 Petr. 1:3-ii). Dat verleent toegang tot het eeuwige koninkrijk van Jezus Christus, heer en redder, waarmee tegelijk het belangrijkste christologische accent gegeven is.

In 2 Petrus is het uitblijven van de parousie overigens een probleem, waarover blijkbaar grote onrust bestaat. Het krijgt daarom specifieke aandacht. Benadrukt wordt dat de dag van het oordeel zeker zal komen, op Gods tijd (vgl. Ps. 90:4). God heeft geduld omwille van universeel heil: God ‘wil dat iedereen tot inkeer komt en niemand verloren gaat’ (2 Petr. 3:9). De gelovigen kunnen vol vertrouwen naar de vervulling van Gods belofte blijven uitzien.

Judas doet specifiek een sterk beroep op het voor eens en altijd overgeleverde geloof (Judas 3,20) als het fundament waarop actief gebouwd moet worden (fides quae creditur). De dynamiek van dit geloof is gebed, liefde en ontferming. Bij dit alles laten christenen zich leiden door de heilige Geest, Gods liefde en de barmhartigheid van Jezus Christus. En: de standvastige gelovige mag uitzien naar het eeuwige leven (21,24).

De twee leiders die in deze brieven aan het woord zijn, verdedigen de eenheid van en binnen christelijke gemeenten, die grondig verdeeld zijn. Zij baseren zich daarvoor op joodse en apostolische fundamenten. De negatieve be- en veroordeling van andersdenkenden die de eenheid bedreigen, gaat hand in hand met de positieve invulling van de betekenis van het christelijke geloof in de praktijk en ook voor de toekomst. De doxologie waarmee Judas afsluit, geeft weer waaruit de kracht geput kan worden om aan dit geloof vast te houden:

De enige God, die de macht heeft u voor struikelen te behoeden

en u onberispelijk en juichend van vreugde voor zijn heerlijkheid te laten verschijnen,

aan de enige God, die ons redt door Jezus Christus onze Heer,

zij heerlijkheid, majesteit kracht en macht,

vóór alle eeuwigheid, nu en in alle eeuwigheid!

(Judas 24-25)

Literatuur

  • P.J. Achtemeier, 1Peter (Hermeneia), Minneapolis 1996.

  • M. Misset-van de Weg, ‘Een vrouwenspiegel: i Petrus 3,i-6’, in: A.-M. Korte e.a. (eds.), Proeven van vrouwenstudies theologie IV, Zoetermeer 1996, pag. 145-182.

  • A. Chester / R.P. Martin, The Theology of the Letters ofJames, Peter, and Jude (New Testament Theology), Cambridge 1994.

  • R.J. Peeters, ‘”Imitatio Christi”: Samenhang en theologie in i Petr 3,13-4,6’, in: W. Weren e.a. (eds.), Bij de put van Jakob: Exegetische opstellen, Tilburg 1986, pag.130-154.

  • H. van de Sandt, De herkomst van de radicale ethiek in de brief van Jakobus en de bergrede, Schrift 221 (2005) pag. 154-159.

Wellicht ook interessant

Zoek functie
Zoek functie
Basis

Het Oude Testament en het internet

Voor een (nog steeds te downloaden via het NINO) speciaal nummer van het vaktijdschrift Bibliotheca Orientalis schreef ik twaalf jaar geleden een overzicht van hulpmiddelen bij de bestudering van het Oude Testament (nummer 71 [2014], 361-370). Voor het internet is dat een lange tijd geleden. Voor mijn weblog gaf ik acht jaar later een update. Ik vroeg me af wat over is van de indertijd zinvol geachte digitale bronnen. Het resultaat daarvan geef ik hierbij door, waarbij ik de lezer niet zal vermoeien met wat er allemaal inmiddels achterhaald is of verdwenen.

Eep Talstra
Eep Talstra
Basis

Een zoektocht naar patronen

Sinds de oprichting in 1977, in een tijd waarin computers nog kamers vulden en gegevens op grote ponskaarten stonden, werd er in de Werkgroep Informatica Vrije Universiteit (WIVU) in Amsterdam gewerkt aan het mogelijk maken om de Bijbel met de computer te onderzoeken. Oorspronkelijk was het doel alleen een digitale concordantie en zoekprogramma’s te maken voor Bijbelonderzoek, maar de focus verschoof snel naar het bouwen van een database waarin de tekst van het Oude Testament van woord- tot tekstniveau geanalyseerd is met behulp van de computer.

Nieuwe boeken