Menu

Premium

41. Wijsheid

Wijsheid bestaat zolang er mensen bestaan. Een inzicht wordt in een spreuk, een spreekwoord uitgedrukt en onthouden, want het kan in de toekomst nog van pas komen. Al meer dan duizend jaar voordat er in Israël wijzen optreden, vinden we ze in de buurlanden, met name in Egypte en Babylonië. Uniek is de wijsheidsliteratuur van Israël dan ook niet en soms is de lijn duidelijk aan te wijzen: Spreuken 22:7-23:14 is verwant met en waarschijnlijk afhankelijk van de Leer van Amenope uitEgypte.

Dit ‘algemene karakter’ van de bijbelse wijsheidsliteratuur, zeker in zijn vroege voorbeelden, blijkt ook hieruit, dat we daarin geen verwijzingen vinden naar het specifieke van het volk Israël, naar de geschiedenis met zijn God. Abraham en Mozes, uittocht en intocht komen we er niet in tegen. Salomo wel, maar dan als wijsheidsleraar, niet als drager van de heilsgeschiedenis.

De grondvorm van de wijsheid komen we in Spreuken tegen. In de vorm van de losse spreuken, die wel in een bepaald gelid gezet zijn, ook al strijden de bijbelgeleer-den er nog over in welk. Inhoudelijk gezien vinden we in Spreuken een levenshouding die erop vertrouwt, dat het kwaad gestraft wordt en het goede beloond. Dat klopt niet altijd met het werkelijke leven. We kunnen dankbaar zijn als mensen deze ervaringen hebben, maar moeten op onze hoede zijn als ze tot levensleer en dogma verheven worden. In dezelfde Bijbel vinden we dan ook proteststemmen tegen deze levensvisie: Prediker en Job.

In deze bijdrage over de bijbelse wijsheidsliteratuur nemen we dan ook ons uitgangspunt in Spreuken en trekken de lijn door naar het deuterocanonieke boek Jezus Sirach, omdat dat in dezelfde geest verder gaat, zij het ook niet zonder variaties. Dan komen de tegenstemmen Prediker en Job aan de orde en vervolgens kijken we naar het deuterocanonieke boek De Wijsheid van Salomo, dat weer een andere uitweg biedt uit het probleem van de mens die wel goed doet, maar geen goed ontmoet. Uiteindelijk betrekken we ook het Nieuwe Testament erbij, want ook daar vinden we wijsheid, zij het niet in de vorm van aparte wijsheidsboeken.

Spreuken

Bij de oudtestamentische wijsheid moeten we niet denken aan de wijsbegeerte die onze westerse wereld in het spoor van Griekenland heeft geleerd. Die is beschouwend, speculatief, systematisch en zoekt naar een alles omvattende en verklarende visie. Israëls wijsheid is, net als die van zijn buurvolkeren, praktisch, op het feitelijke leven gericht en heeft altijd met de ethiek te maken. Zowel met de grote ethiek van de Tien Woorden als met de kleine ethiek van de omgangsvormen.

Spreuken staat op naam van Salomo, net als een aantal andere wijsheidsboeken. Dat klopt historisch niet in die zin dat Salomo daar de schrijver van zou zijn. Omdat de beoefening van de wijsheid in het oude Oosten vooral aan de hoven werd bedreven, is het niet onlogisch dat in Israël Salomo’s naam en faam ermee werden verbonden. Het Spreukenboek wil onderwijzen, met name een nieuwe generatie: ‘Mijn zoon, luister naar de lessen van je vader…’ (1:8). Hier worden levenslessen gegeven. ‘Wie woekerwinst najaagt, richt zijn huis te gronde, wie steekpenningen haat, zal leven’ (15:27). ‘Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in, wie een steen op iemand afrolt, komt er zelf onder’ (26:27). Enzovoort.

Volgens de wijzen is dwaasheid niet alleen slecht, maar ook dom, want uiteindelijk trekt de dwaas aan het kortste eind. Hier vinden we het fundamentele vertrouwen van de wijsheid, dat het goede beloond en het kwade bestraft wordt. Soms lijkt het alsof het om een automatisch lopende verrekening ten kwade of ten goede gaat. Straft het kwaad zichzelf en beloont het goede zichzelf volgens Spreuken? Met andere woorden: heeft God daar nog omkijken naar, of komt goed en kwaad als een boemerang terug op het hoofd van de dader?

De Spreukendichter schakelt God bij dit proces toch niet uit: ‘De heerverwoest het huis van de hoogmoedigen, het bezit van weduwen beschermt hij'(15:25). Logisch, want God is de garant van het goede leven. Het Spreukenboek kent dan wel geen verwijzingen naar Israëls heilsgeschiedenis, het verwijst wel keer op keer naar ‘de vreze des heren,of eigentijdser gezegd: ‘het ontzag voor de heer’.Dat is volgens Spreuken het begin(sel) van alle kennis en wijsheid (1:7).

Jezus Sirach

Dit boek is van de canonieke en deuterocanonieke wijsheidsgeschriften het enige dat niet op naam van Salomo gezet is, maar duidelijk de naam van de schrijver biedt (proloog; 50:27). Het heeft veel weg van Spreuken omdat het, zeker in hoofdstuk i-43, veelal in de vorm van losse spreuken is geschreven. En net als in Spreuken komen we de gedachte tegen dat het kwaad zichzelf bestraft: ‘Wie met pek omgaat, wordt er mee besmet…’ (13:1). Maar ook wordt God als de garant van de zedelijke orde benadrukt: ‘Vecht tot de dood voor de waarheid, dan zal God, de heer,voor jou strijd voeren’ (4:28).

Het nieuwe van dit boek, en daarin stemt het overeen met het geschrift De Wijsheid van Salomo, is dat spreekwoordelijke wijsheid verbonden wordt met Israëls heilsgeschiedenis. Vanaf Sirach 44 wordt een overzicht gegeven van de geloofshelden wier inspirerende voorbeeld de gelovigen in de tijd van de schrijver (ong. 200 v.C., nog net vóór de tijd van de Makkabeeën) moeten navolgen.

De schrijver behandelt een groot aantal praktische thema’s uit het dagelijks leven: wijsheid, naastenliefde, vergeving, vrouwen, handel en rijkdom, wellevendheid, ziekte en gezondheid. Hoe praktisch zijn boek is, blijkt uit Sirach 31:21 waar hij over tafelmanieren spreekt en de raad geeft dat je, als je te veel hebt gegeten, het beter eerst kunt uitspugen.

Dieper gaat wat Sirach zegt over naastenliefde: als je schatten wilt verzamelen in je schatkamer, stapel daar dan aalmoezen op (29:12). Jezus zal iets dergelijks zeggen over een schat in de hemel (Marc.10:21). Ook inzake vergeving vraagt Sirach ruimhartigheid:

Vergeef je naaste een ongerechtigheid,
en dan zullen, als jij bidt, jouw zonden losgelaten worden.
Kan een mens tegen een mens toorn bewaren
en bij de Heer genezing zoeken?

(Sir. 28:2-3)

De joodse ethiek mikt altijd wel op het haalbare: ‘Help je naaste naar vermogen, maar pas op: stort je niet in het ongeluk’ (29:20). Een mens hoeft zichzelf niet te vergeten. Immers: ‘Wie slecht is voor zichzelf, voor wie zal hij goed zijn? Hij verheugt zich niet eens over zijn eigen bezit’ (14:5).

Zoals gezegd, geeft Sirach vanaf hoofdstuk 44 een overzicht van Israëls heilsgeschiedenis met vele inspirerende voorbeelden. Het valt daarbij op hoeveel aandacht hij geeft aan de hogepriester Aäron en diens kleinzoon Pinechas. Het is ook niet toevallig dat de reeks uitmondt in een lofzang op Simon, die in Sirachs tijd, of kort daarvoor, hogepriester was. In deze tijd hebben hogepriesters in Israël de plaats van koningen ingenomen.

Prediker

In Prediker is de gedachte dat het eerlijk toegaat in het leven radicaal losgelaten. De tijd waarin de schrijver leefde zal hem wel tot dit inzicht hebben gebracht. Het is betreurenswaardig, maar het is niet anders: ‘.de mens weet niets van wat voor hem ligt. Alles is gelijk voor allen, een zelfde lot treft de rechtvaardige en de goddeloze, de goede en de reine, alsook de onreine; hem die offert, en hem die niet offert; het gaat de goede evenals de zondaar, hem die zweert, als hem die de eed schuwt.’ (9:1c-2). Een pessimisme dat aan scepsis grenst, doortrekt het boek. Zo zet het in met het bestaan te verklaren tot ‘ijdelheid der ijdelheden’, ‘lucht en leegte’ (1:2). Hier wordt het woord hèvèl (ook: ‘zuchtje wind’; vgl. ‘Abel’) gebruikt, een woord dat het hele boek doortrekt. Een reeks voorbeelden wordt gegeven uit het menselijk leven, de samenleving en de schepselmatige werkelijkheid. Zon, wind en rivieren gaan eindeloos door (1:5-7). Wijsheid najagen blijkt zinloos te zijn (1:12-18). Het zoeken van genot eveneens (2:1-26). De schrijver krijgt zodoende een afkeer van het leven (2:7).

Toch is hij niet echt een scepticus. Daarvoor staan er te veel andere woorden in het boek. Bijvoorbeeld: ‘Welaan dan, eet uw brood met vreugde en drink uw wijn met een vrolijk hart, want als gij dit doet, dan heeft God dit reeds lang zo gewild. Laten uw klederen te allen tijde wit zijn en olie ontbreke niet op uw hoofd. Geniet het leven met de vrouw die gij liefhebt, al de dagen des ijdelen levens, die hij u geeft onder de zon, al uw ijdele dagen, want dat is uw deel onder de levenden en bij het zwoegen, waarmee gij u aftobt onder de zon’ (9:7-9).

Wie de verbinding tussen deze twee reeksen uitspraken kan leggen, heeft iets van Prediker begrepen. We kunnen daarbij verder komen, als we inventariseren wat het boek zegt over het ‘deel’ dat de mens in het leven krijgt. In Prediker 2:10,21 is de uitkomst van een moeitevol leven waarin een mens de vreugde zoekt, dat hij uiteindelijk moet erkennen dat zijn deel niet meer is dan de leegte, waarover Prediker al veel gezegd heeft. Verderop in het boek is het echter het deel dat God een mens geeft in zijn moeitevol bestaan: ‘Ook ieder mens, aan wie God rijkdom en schatten geeft, en die hij in staat stelt daarvan te eten en zijn deel te krijgen en zich bij zijn zwoegen te verheugen – dat is een gave Gods’ (5:18).

Alleen zo is het te begrijpen dat Prediker enerzijds het boek is van de teleurstelling, de zinloosheid, anderzijds het boek van de vreugde om het bestaan. Wel acht keer spreekt Prediker over de vreugde om het goede leven. De eerste keer gaat het over de levensvreugde die de mens zelf probeert te bereiken, maar dat blijkt zinloos te zijn. In de rest van het boek gaat het steeds over de vreugde die van God komt. In 2:24 staat het duidelijk: ‘Er is geen groter goed voor de mens dan dat hij eten zal en drinken, en zijn ziel het goede zal doen zien met zijn gezwoeg; ook daarvan heb ik ingezien, ik, dat dat uit de hand van God is.’. God geeft deze vreugde (2:26).

Zo wordt Prediker uiteindelijk niet het boek van de ascese of de scepsis, maar van de levenskunst en de levensvreugde. We zouden dit het realisme van Prediker kunnen noemen. Het boek ontkent de schaduwzijden van het leven niet, het erkent de zinloosheid van veel menselijk getob, maar weet van Gods mogelijkheden, die mensen alleen ontvangen kunnen.

Job

In het boek Job vinden we een andere proteststem tegen de gangbare wijsheid dat wie goed doet, ook goed ontmoet. De pijnlijke ervaring van (de schrijver van) Job is dat de werkelijkheid niet altijd strookt met deze theorie, die we ook bij de drie vrienden van Job vinden. Hun conclusie: als Job het goede niet ontmoet, heeft hij dus geen goed gedaan. Met andere woorden: zijn droevig lot is een straf die hem van Godswege overkomt om zijn zonden. Job vecht het verband tussen schuld en lot niet aan, maar legt het probleem aan de andere kant: gezien mijn leven en mijn gedrag is het ondenkbaar en ontoelaatbaar dat God mij zo behandelt. Job protesteert bij God. We hebben in de bijbeluitleg ontdekt, dat de boodschap direct samenhangt met de literaire structuur. Job bestaat uit een raamvertelling in proza (i-2 en 42:7-7) en drie gespreksronden in dichtvorm: twee ronden tussen Job en zijn drie vrienden (4-14 en 15-27) en een derde ronde tussen Job en God (38:042:6). De raamvertelling wordt door vele exegeten beschouwd als een oude vertelling, die door de dichter van Job herverteld en hergebruikt wordt. De hoofdstukken 28-31 vormen een soort overgang van de tweede naar de derde cyclus, terwijl 32-37 bestaan uit de woorden van een vierde vriend, Elihu, die algemeen als een latere invoeging worden gezien. Het zijn gewaagde woorden die Job in de drie cycli spreekt. In feite beschuldigt hij God van oneerlijke rechtspraak: ‘Ik zal veroordeeld worden; waarom zou ik nog vruchteloos verder zwoegen?’ (9:29). Als er een onpartijdige instantie was die tussen God en hem rechtsprak, dan zou zijn gelijk blijken (9:33-35). Maar dat is het probleem juist: God zelf is de hoogste rechterlijke instantie en Job kan in zijn hoger beroep niet verder komen dan bij deze God zelf.

Het thema van het grote poëtische middendeel is dat van de theodicee: bestuurt God deze wereld wel rechtvaardig? Maar hoe verhoudt zich deze vraag tot de vraag die Satan in 1:9 aan God stelt, of er wel een mens is die God belangeloos dient? De schrijver van Job geeft in het poëtische middendeel een gedurfd antwoord op de vraag van de raamvertelling: inderdaad, er zijn integere mensen die God belangeloos dienen, maar hoe staat het met God en diens gerechtigheid?

Ook de derde gespreksronde stelt uitlegger en prediker voor een grote vraag: hoe verhoudt de klacht van Job zich tot het antwoord van God? In deze cyclus antwoordt God Job in twee grote gedichten: 38:1; 39:30 en 40:6-406. Daarin presenteert God zich als de Heer van de schepping. Job wordt geconfronteerd met Gods macht: ‘Waar was jij toen ik de aarde grondvestte? Vertel het me als je zoveel weet’ (38:4). Het antwoord is: ‘Nergens’. Job reageert in 40:3-5 en 42:1-6 met een capitulatie: ‘Ik leg mijn hand op mijn mond’ (40:4).

De moderne lezer kan hier onbehagen ervaren: kan het probleem van de theodicee wel zo worden opgelost? Kan de klacht van de lijdende mens worden beantwoord met een verwijzing naar Gods overmacht? Gaat God zo te werk? Weliswaar wordt Job in 42:7 gerehabiliteerd tegenover zijn vrienden, maar de lezer is toch geneigd te denken: graag wat meer begrip voor Job!

Drie kanttekeningen kunnen hier misschien verder helpen. Allereerst wordt het beeld van Gods verpletterende overmacht dat hier opgeroepen wordt, gerelativeerd door Gods zorg voor de dieren, voor de leeuw en de raaf (38:39-41). In de tweede plaats wordt Gods heerschappij over de wereld geponeerd. Het lijkt God uit de hand te vallen, maar ook het nijlpaard en de krokodil (40) staan als representanten van de enorme natuurkrachten onder zijn heerschappij.

De derde kanttekening wil nog een stap verder leiden. Het gevaar van de uitleg van een existentieel boek als Job is, dat we de verschillende uitspraken op conceptueel niveau willen verzoenen of minimaal verbinden. Maar de grote ontknoping van het boek vindt plaats in een ontmoeting, ‘vanuit een storm’ (38a).’Eerder had ik slechts over u gehoord’, zegt Job, ‘maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd’ (42:5). Is dit de kern van de boodschap, dat Job zich in de ontmoeting met deze God geoordeeld én gedragen weet, ook al heeft hij op zijn vragen geen antwoord gekregen?

De Wijsheid van Salomo

Sterker dan de bovengenoemde wijsheidsboeken moet De Wijsheid van Salomo zijn positie bepalen tegenover allerlei stromingen die in de ontstaanstijd ervan opgeld doen. Waarschijnlijk is het in Egypte geschreven, in de hoofdstad Alexandrië, een cultuurcentrum in de eeuwen rond het begin van onze jaartelling, waar de oorspronkelijke Egyptische cultuur diepgaand door Griekse ideeën was beïnvloed. Daarin moesten ook de vele joden die er woonden, hun weg zoeken.

Aan de ene kant is het boek duidelijk beïnvloed door filosofische voorstellingen van buiten. Het geloof in de onsterfelijkheid (2:23; 3:4 enz.) is daarvan een voorbeeld. De vroeg-oudtestamentische literatuur kent dit geloofsinzicht niet, maar de schrijver integreert het in zijn boodschap en lost daarmee een oud probleem van de wijsheid op. Als, anders dan de oude wijsheidsleraren dachten, de verrekening van goed en kwaad niet altijd in dit leven te zien is, terwijl God toch rechtvaardig is, kan het geloof in het laatste oordeel en de eeuwige beloning en straf de gelovige verder helpen.

Maar de schrijver neemt niet alleen maar ideeën van zijn omgeving over, hij verzet zich ook tegen gangbare religieuze opvattingen. Hij wijst de verering van het schepsel in plaats van de Schepper pertinent af. Omdat hij daarbij ook op dierverering wijst (15:18-19), denken we aan Egypte als plaats van ontstaan. Uitgebreid behandelt hij de plagen van Egypte en trekt lijnen door naar de actualiteit. Hiermee staat hij in een brede joodse traditie die we ook nog bij Paulus terugvinden. Wie bepaalde teksten van Wijsheid (zoals de hoofdstukken ii en 13) naast Romeinen i legt, ziet de overeenkomst.

Salomo wordt in dit geschrift niet expliciet de schrijver ervan genoemd, maar de ikfiguur die vanaf Wijsheid 6:22 aan het woord is, is duidelijk de beroemde koning uit Jeruzalem. Deze vorst heeft een verhouding met Sofia, vrouwe Wijsheid, die hij boven alles acht en die hij als een geliefde bemint. Hiermee wordt een oude lijn in de wijsheidsliteratuur doorgetrokken (vgl. Spr. 8:1vv): de gepersonifieerde wijsheid was al bij de schepping aanwezig en nodigt nu mensen uit om met haar te leven.

Naast Salomo komen vele andere oudtestamentische figuren naar voren, steeds zonder naam, maar wel herkenbaar. Net als in Sirach en anders dan in de canonieke wijsheidsboeken, wordt hier een verbinding gelegd tussen de wijsheid en de heilsgeschiedenis. Een verschil met Sirach, althans met Sirach i-43, is dat meer het doorgaande betoog dan de losse spreuk wordt gehanteerd.

De Wijsheid in eigen persoon

Een opvallend gegeven in de wijsheidsliteratuur is dat de wijsheid soms als een persoon kan worden beschreven. In Spreuken 8 richt de Wijsheid zich tot de mensen. Ze zegt dat ze er al was vóór de schepping: ‘Toen er nog geen oceanen waren, werd ik voortgebracht…’ (v. 24). De Wijsheid is het ordenend principe in deze wereld: ‘Door mij regeren koningen, bepalen heersers wat rechtvaardig is’ (v. 15). In Job 28:20-28; Sirach 24; Wijsheid 8-9 vinden we soortgelijke uitspraken.

Het lijkt alsof de Wijsheid hier de plaats van God zelf inneemt en in zekere zin is dat ook zo. Ze spreekt met een gezag dat alleen God toekomt. Het is moeilijk om de categorie waarin de Wijsheid thuishoort, te omschrijven. Ze is in elk geval geen persoon of wezen naast en los van God. Ook geen tussenpersoon, geen bemiddelaar tussen de wereld van God en die van de mensen. Het is God-zelf-in-zijn-gerichtheid-op-de-mensen. Schrijvers van bijbelse en buiten-bijbelse literatuur konden over de verhevenheid en hoogheid van God spreken, maar ook over God die zich naar de mensen toewendt. God is in de hemel en we kunnen volgens I Koningen 8:27 niet zonder meer zeggen dat hij op de aarde woont, in een tempel bijvoorbeeld. Dan zouden mensen, door zijn tempel te verplaatsen, God kunnen manipuleren. Daarom zegt I Koningen 8:29 dat hij zijn Naam op aarde doet wonen. Ook dat is niet een goddelijk wezen naast God, maar eveneens God in zijn nabijheid, God-onder-de-mensen. Tegelijk moet Israël weten, dat God de vrijheid houdt om zich uit het midden van zijn volk terug te trekken, zoals in de ballingschap gebeurde.

Op soortgelijke wijze wordt in de wijsheidsliteratuur over de Wijsheid gesproken. De wijsheid is ten diepste God die onder de mensen woont en hen de richting van het goede leven wijst. Het Nieuwe Testament trekt, zo zal nog blijken, dit spoor door als het over Jezus spreekt.

Jezus en de wijsheid

Het genre van de wijsheid is in het Nieuwe Testament minder opvallend aanwezig dan in het Oude Testament. Er zijn geen nieuwtestamentische boeken die in hun geheel tot de wijsheidsliteratuur behoren. Toch is dit genre hier niet afwezig. Wijsheidsspreuken vinden we in de mond van Jezus, bijvoorbeeld in de spreuk: ‘Wanneer een boom goed is, dan zijn ook zijn vruchten goed. Is een boom daarentegen slecht, dan zijn ook zijn vruchten slecht. Want aan de vruchten herkent men de boom’ (Mat. 11:33). Zo’n uitspraak zou in het boek Spreuken of in een buiten-bijbels wijsheidsboek niet misstaan.

Paulus bedient zich eveneens van dit soort spreuken: ‘Al een beetje desem maakt het hele deeg zuur’ (Gal. 5:9b), en: ‘…wat een mens zaait, zal hij ook oogsten’ (Gal. 6:7b). Typisch nieuwtestamentisch zijn deze woorden niet; ook in een andere context zouden dergelijke spreekwoorden passen.

Het eigene van het Nieuwe Testament ligt dan ook meer in de reflectie op en de doordenking van de wijsheid. Ook hier wordt trouwens een oudtestamentische lijn doorgetrokken. We zagen al dat in het boek Spreuken de wijsheid gepersonifieerd wordt: Vrouwe Wijsheid spreekt de mensen toe. Deze manier van spreken en denken kan ons helpen om de nieuwtestamentische boodschap over Jezus te verstaan. Het Nieuwe Testament zegt immers niet alleen dat Jezus de wijsheid leert, het gaat een stap verder: Jezus is ook de Wijsheid. De woorden die volgens Matteüs 23:34 door Jezus worden gesproken, worden in Lucas 049 aan de sprekende Wijsheid toegeschreven: ‘Daarom zegt ook de wijsheid van God:…’ Zoals in Spreuken Vrouwe Wijsheid als representatie van God zelf optreedt, doet Jezus dat in het Nieuwe Testament. In het jodendom van die tijd sprak men zo niet alleen over Sofia, de Wijsheid, maar ook over Logos, het Woord, en over Thora/Nomos, de Wet. Het latere jodendom zal zo over de Sjechina, de Inwoning, spreken.

Deze manier van spreken en denken kan ons helpen om de verhouding tussen God en Jezus te doordenken. Als Salomo de wijsheid leert en Jezus de Wijsheid is, is het niet vreemd dat we in Lucas 11:31 horen dat Jezus meer is dan Salomo. Als in Spreuken 8:24 gezegd wordt dat de Wijsheid er was vóór alle dingen en dat God juist door deze Wijsheid de wereld heeft gemaakt, is het niet vreemd dat de eerste christenen, nadenkend over de betekenis van Jezus, hetzelfde van de opgestane Heer hebben gezegd: zou dat ook niet van hem gelden, dat hij er vóór alle dingen was? Met andere woorden: is hij niet de Pre-existente die van eeuwigheid bij de Vader was?

Wanneer we de wijsheid in het Oude en Nieuwe Testament met elkaar vergelijken, kunnen we zeggen dat er in het Nieuwe Testament een zekere versmalling optreedt (het gaat minder over het gewone, alledaagse leven), en tegelijk een verdieping (Jezus Christus is de Wijsheid). Het Nieuwe Testament wil met het gebruik van wijsheids spreuken het heil uitdrukken, dat God in Jezus Christus aan zijn mensen geeft. Wijsheid is dan ook geopenbaarde wijsheid. De echte wijsheid komt van boven, zegt Jakobus, en wordt door God aan de mensen gegeven (1:5; 3:15,17).

Paulus werkt ditzelfde inzicht in I Korintiërs i-4 uit. Wijsheid en dwaasheid staan hier diametraal tegenover elkaar, maar Paulus spreekt er paradoxaal over. Wij zouden de woorden tussen aanhalingstekens zetten: de ‘wijsheid’ van de wereld en het ‘dwaze’ van God. In het kruis van Christus zit, naar toenmalige en huidige maatstaven geoordeeld, iets ongelofelijk dwaas en dat is terug te vinden in de verkondiging en de verkondiger, en in de gemeente die deze boodschap gelooft (I Kor. I:18-2:16). Uiteindelijk blijkt God toch door middel van deze ‘dwaasheid’ zijn heilsplan met mensen te realiseren.

Conclusie

In overeenstemming met veel buiten-bijbelse wijsheid zegt het boek Spreuken dat er een duidelijk verband is tussen de daden die een mens doet en het lot dat hem of haar treft. Deze levensverbanden te doorgronden is wijsheid, weliswaar wijsheid die van God komt, maar die toch voor ieder te verkrijgen is. Jezus Sirach trekt deze lijn door.

In het Oude Testament horen we ook twee tegenstemmen, die zich verheffen als deze levenservaring tot theorie stolt. Prediker wijst er, meer beschouwelijk, op dat ieder mens uiteindelijk hetzelfde lot treft en Job constateert, meer existentieel, dat juist de rechtvaardige lijden moet. Hier wordt de menselijke zoektocht naar wijsheid geproblematiseerd. Meer dan in Spreuken en Sirach wordt ze als een pijnlijke onderneming gezien (Pr. 1:12-18; Job 12:12-13; 28:028) en de volle nadruk valt erop, dat God haar schenken moet (Pr. 2:26; Job 28:23). Het boek De Wijsheid van Salomo wijst een andere uitweg voor het altijd weer terugkerende raadsel van schuld en lot: God zal de rekening na dit leven vereffenen, ten goede of ten kwade (4:16-5:23). In de meeste hier genoemde wijsheidsboeken vinden we een personificatie van de Wijsheid, maar Vrouwe Wijsheid is niemand anders dan God die onder de mensen komt om hen wijsheid te leren. Deze lijn wordt in het Nieuwe Testament doorgetrokken: Jezus is de wijsheid in eigen persoon en ten diepste niemand anders dan Godonder-de-mensen.

Literatuur

  • C.V. Camp, Wise, strange and holy: The strange woman and the making of the Bible (Journal for the Study of the Old Testament Supplment Series 320), Sheffield 2000.

  • J. Fokkelman, Het boek Job in vorm: Een literaire vertaling met toelichtingen, Amsterdam 2009.

  • J.E. Miles, Wise King-Royal Fool: Semiotics, satire and Proverbs 1-9 (Journal for the Study of the Old Testament Supplment Series 399), London 2004.

  • S. Janse, De Apocriefen: Inleiding op de deuterocanonieke boeken, Zoetermeer 2009.

Wellicht ook interessant

Basis

Van crisisjaar tot jubeljaar

Biddag 2021 biedt de gelegenheid om terug te blikken op de coronacrisis die zich aandiende in 2020. Op Biddag is daarbij de invalshoek vooral die van arbeid en economie. Iedereen ondergaat de effecten van deze crisis, maar mensen die zich vóór het uitbreken van de crisis al in onzeker flexibel werk bevonden, zijn onevenredig hard getroffen. Zij verloren vaak als eersten hun werk. Tegelijk is er juist op Biddag ook altijd alle aanleiding om vooruit te blikken. Immers ‘zij die in tranen zaaien, zullen oogsten met gejuich’ (Psalmen 126:5).

Basis

Brood genoeg voor iedereen

In het Evangelie van Johannes heeft Pasen een belangrijke plek. ‘De inzichten van na Pasen zijn leidinggevend in dit Evangelie en hebben hun stempel gedrukt op het verhaal van Jezus vóór Pasen,’ schrijft professor Martin de Boer. Je moet dus niet alleen de gebeurtenissen rond Pasen, maar ook de rest van het Evangelie lezen in dat licht. Het teken van het brood in Johannes 6 kan dan ook gelezen worden als een opmaat naar Pasen. En zo is er in de uitleg ook een verbinding te maken naar het eten van het Pesachmaal in Jozua 5.

Nieuwe boeken