Menu

Premium

8.1.Door Zijn Naam behouden

Zie ook

Heidelbergse Catechismus

Vraag 29: Waarom wordt de Zoon van God Jezus, dat is Zaligmaker genoemd?

Antwoord: Omdat Hij ons zalig maakt en van al onze zonden verlost, en omdat bij niemand anders enige zaligheid te zoeken of te vinden is.

Vraag 30: Geloven dan ook zij in de enige Zaligmaker Jezus, die hun zaligheid en heil bij de heiligen, bij zichzelf of ergens anders zoeken?

Antwoord: Nee. Door dat te doen verloochenen zij de enige Zaligmaker Jezus, hoewel zij Hem met de mond roemen. Want één van tweeën: óf Jezus is geen volkomen Zaligmaker, óf zij die deze Zaligmaker met een oprecht geloof aannemen moeten alles in Hem bezitten, wat tot hun zaligheid noodzakelijk is.

Relatie van het thema tot het hoofdthema

Wanneer het gaat over de Zoon van God en de redding die in en door Hem wordt geschonken, kan het niet anders of er zal over de Zoon van God en Zijn Naam Jezus, waarnaar al Zijn namen verwijzen, gesproken worden. Wie denkt niet aan de bekende tekst uit Handelingen 4:12: ‘En de zaligheid is in geen ander, want er is onder de hemel geen andere Naam onder de mensen gegeven waardoor wij zalig moeten worden.’ Juist de naam van Jezus maakt duidelijk wie Hij is en wat Hij doet. ‘Zoals Hij heet, zo is Hij’ (KV, p. 89).

De leefwereld van de hoorder

In de leefwereld van de moderne mens (de West-Europese cultuur) is men over het algemeen vervreemd van zoiets als behoud, in de betekenis van redding door Jezus. Men kan nog weleens spreken over de hemel, maar dan slechts als een algemene aanduiding of als een bijvoeglijk naamwoord bij iets wat men fijn vindt. Dat een mens gered moet worden, of behouden moet worden, staat heel ver van de meeste mensen af. De naam ‘Zaligmaker’ en de woorden ‘zalig maken’ hebben voor hen nauwelijks betekenis; en als er nog reminiscenties zijn, heeft dat alleen betrekking op het innerlijk.

Kerkmensen kunnen zich er meer bij voorstellen, en trouwe gelovigen weten waar het hier over gaat en verlangen vaak naar geloofsverdieping. De dringende noodzaak van eeuwige redding en eeuwig behoud is bij de gemiddelde christen wel aan slijtage onderhevig geraakt. Ook voor hen is het woord ‘zalig’ al onduidelijk. Het duidt voor velen meer op een innerlijk gevoel dan op een werkelijkheid waarvan het fundament buiten hen gelegen is.

Dat de redding en het behoud alleen gelegen zijn in Christus en Zijn Naam, roept in de huidige cultuur buiten de kerk groot verzet op. Hoe durven de christelijke kerk en de christenen te zeggen dat alleen het christelijk geloof de waarheid is en alleen Christus redding brengt – áls er al sprake is van redding, wat dat dan ook moge zijn? Hoe waagt men het alleenrecht op de waarheid te claimen? Dat is een intolerantie die niet geapprecieerd wordt. Er zijn zo veel andere godsdiensten en levensbeschouwingen; waarom zouden die geen recht van spreken hebben?

Die vraag gaat niet langs gelovige christenen heen. Ze worden dagelijks geconfronteerd met zo’n andere godsdienst: de islam. Op sommige christenen oefent de islam zelfs een zekere aantrekkingskracht uit. En er zijn al eeuwenlang synagogen in ons land. De relatie Kerk-Israël is een onderwerp apart, dat niet iedereen even sterk zal bezighouden, maar ook vanuit de synagoge klinkt de vraag: Waarom Jezus Christus, en waarom Hij alleen? Ook het jodendom is voor christenen aantrekkelijk. Te midden van de waaier van godsdiensten waarmee de christen telkens weer geconfronteerd wordt, komt bij hem steeds sterker de vraag op: Waarom is alleen het christelijk geloof de weg naar waarheid, redding en behoud? Men denke daar niet gering over. ‘Het is allereerst een levensvraag voor vele jongeren en ouderen die, al of niet gelovig opgevoed, hun weg zoeken in de multireligieuze wereld die onze westerse samenleving is geworden’ (CD, p. 181; de hele paragraaf is belangrijk met betrekking tot de vragen die hier aan de orde zijn). Christenen die zich voor theologie interesseren, komen in bepaalde hoeken van de theologie het standpunt tegen dat de Geest in alle religies aan het werk is; de Geest waait immers waarheen Hij wil?

Met het oog op de tieners

‘Behoud’, ‘zalig maken’, ‘Zaligmaker’, ‘redden’: voor veel jongeren hebben deze termen over het algemeen nauwelijks betekenis. In ieder geval zijn ze in hun leefwereld niet relevant. Dat mensen fouten maken en zonden doen, dat is voor hen nog wel enigszins te plaatsen. Dat dan redding noodzakelijk is, is bij hen doorgaans geen algemeen besef meer. Al is er op dit punt wel verschil tussen kerkelijke en niet-kerkelijke jongeren, ook voor kerkelijke jongeren is er onderwijs nodig om hun te doen beseffen waar het hier om gaat. Daarnaast worden jongeren, vaker dan voorheen, heel concreet geconfronteerd met andere godsdiensten door medescholieren die moslim zijn en hun godsdienst vaak met hart en ziel verdedigen, en daarbij diverse argumenten pro islam en contra het christendom goed op een rijtje hebben. In het onderwijs wordt royaal lesgegeven over wereldgodsdiensten. Op middelbare scholen krijgt men soms ook het nodige te horen over de voormalige Griekse en Romeinse godsdiensten. Dat alles zet jongeren behoorlijk aan het denken en twijfelen. De verkondiging dat alleen Christus de Weg, de Waarheid en het Leven is, zal bij hen de nodige vragen oproepen. Dat komt ook omdat ze om zich heen zien dat er veel mensen zijn die helemaal niet geloven en geen redding of behoud nodig lijken te hebben.

Met het oog op de kinderen

Voor kinderen in de kerk is het geloof in Jezus Christus vanuit hun (christelijke) opvoeding vaak vanzelfsprekend, al komen ook zij op school andere kinderen tegen die helemaal niet geloven, of een ander geloof aanhangen. Ze zijn minder vatbaar voor allerlei geloven die zich aandienen; toch zal het niet helemaal langs hen heen gaan.

Maar ook als het geloof in Jezus Christus voor hen vanzelfsprekend is, is daarmee nog niet gezegd dat ze de Naam van Jezus ook vanzelfsprekend verbinden met (de noodzaak van) behoud en redding. In sommige opvoedingssituaties (thuis of op school) is Jezus vooral of alleen degene voor wie je een ‘pareltje’ bent, die altijd bij je is, die van je houdt, enzovoort. Veel ouders vinden het erg moeilijk om het met hun kinderen over zonden te hebben.

Uitleg

De catechismus begint deze Zondag 11 (als uitleg van artikel 2 van het Apostolicum) heel eenvoudig, maar de betekenis van wat geleerd wordt, is immens. Er wordt eenvoudig begonnen met het uitleggen van de betekenis van de naam Jezus. Dat was overigens een Joodse jongensnaam die in Israël vaker voorkwam. Jezus betekent ‘Zaligmaker’ (Mat. 1:21). De naam is de Griekse weergave van het Hebreeuwse Jehosjua, bij ons bekend als de naam Jozua. Jozua betekent letterlijk: ‘jhwh redt, verlost’. En dat is dus de inhoud van de naam ‘Zaligmaker’ (Heiland) en de aanduiding ‘zalig maken’. Om deze begrippen goed uit te leggen aan de gemeente, moeten we dus gebruikmaken van de Hebreeuwse en Griekse woorden voor ‘redden’ (respectievelijk jasja en soidzein): ‘zalig maken’ is ‘redden, verlossen, bevrijden’.

Hoe redt, verlost, bevrijdt Jezus? In de eerste plaats: Hij redt ons van onze zonden. ‘En u zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden,’ leert Mattheüs 1:21. Daar denkt men niet altijd als eerste aan bij de naam Jezus, maar het ís wel het eerste. Op de bodem aller vragen (en aller noden) ligt der wereld zondeschuld, ook al zijn daarmee niet alle vragen beantwoord. Het is Jezus die ons verlost en bevrijdt van de doem van de zonden, de zondigheid en de schuld der zonden. Want als Hij nog maar net geboren is, wordt de weg naar de Via Dolorosa al ingeslagen. Het is een weg die eindigt in de bittere dood aan het kruis. Zo is Hij het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegdraagt. De verzoening als plaatsvervanging staat bij sommigen ter discussie, maar de Schriften spreken erover en de catechismus spreekt hierin de Schriften na. Het Evangelie gebruikt overigens ook andere beelden: verzoening door loskopen, door overwinning, door omvorming (CD, p. 395-428).

Ten tweede: aan onze zonden zitten onze wonden vast. Als geleerd wordt dat Jezus redt, bevrijdt en verlost van onze zonden, heeft dat ook direct betekenis voor onze wonden. Niet voor niets zegt de catechismus dat gelovigen ‘alles in Hem bezitten wat tot hun zaligheid noodzakelijk is’. De redding is totaal: zij betreft ziel en lichaam, het geestelijke en het stoffelijke, hemel en aarde, mens en schepping. ‘Het raakt de mens in zijn totale bestaan. Zondenvergeving is (…) in de Bijbel het woord waarin het gehele heil van God is samengevat’ (KV, p. 89). Dat laat Jezus zien in de tekenen en wonderen die Hij doet. Ze zijn vensters op het Rijk dat in Hem begonnen is en dankzij Hem voltooid zal worden.

De catechismus zegt er helder en stellig bij dat bij niemand anders enige zaligheid te zoeken en te vinden is. De polemiek tegen de Rooms-Katholieke Kerk mag ons niet ontgaan en wordt in antwoord 30 verder uitgewerkt. Gedoeld wordt op de verering en hulp van Maria en de heiligen, en het aandeel van de goede werken in de rooms-katholieke soteriologie. Ook al zijn er de nodige veranderingen gaande in de Rooms-Katholieke Kerk en wordt nu in de praktijk van het kerk-zijn genuanceerder gesproken dan toen de HC ontstond, afwezig zijn de genoemde dingen niet. Overigens lagen het jodendom en de islam niet buiten het gezichtsveld van de Reformatoren. .Het zal dus zeker de bedoeling van de HC zijn dat we antwoord 30 ook op die godsdiensten betrekken. Dat dit meer dan actueel is behoeft geen nader betoog. Hoe men ook tegen een en ander aankijkt, en hoezeer men moet oppassen voor het schetsen van karikaturen van andere kerken en andere godsdiensten, aan de betekenis van de HC mag geen afbreuk worden gedaan. Het was, is en blijft: Christus alleen! Hij is ‘de Weg, de Waarheid en het Leven’ (Joh. 14:6).

Relevantie van het thema

Ook in de huidige tijd hebben mensen het nodig om verlost en bevrijd te worden van zonde en schuld, van zonden en wonden. Jezus Christus biedt redding daarvan, en die redding is een totale redding, hier en nu als een begin en belofte, straks volkomen en volmaakt. Heil bij zichzelf zoeken (in individuele bijzondere ervaringen), bij anderen (heiligen), bij andere godsdiensten of bij wat voor religieuze verschijnselen en rituelen dan ook, is een heilloze weg. Andere wegen tot het heil en de zaligheid worden met grote nadruk afgewezen. Het polemische karakter van de HC op dit punt is nog volop actueel, ook al zijn de fronten verschoven. In de Rooms-Katholieke Kerk is er wel het nodige veranderd (zoals bijvoorbeeld blijkt uit de Jezus-boeken van de vorige paus, Benedictus XVI, Jozef Ratzinger); er wordt terecht gewezen op de goede werken (ze zijn in de reformatorische theologie onlosmakelijk verbonden aan het heil); en de voorbeelden van voorbeeldige christenen kunnen stellig het nodige voor ons betekenen: ‘Volgt hun geloof na’ (Hebr. 13:7). Toch zal aan de soteriologie, het verband waarin een en ander staat, niet voorbij gegaan kunnen worden. Ook zal niemand ontkennen dat er in andere godsdiensten goede elementen aanwezig zijn. De apostel citeert dichters uit de heidenwereld in zijn rede op de Areopagus (Hand. 17). Ook de islam leert barmhartigheid, het boeddhisme wijst hebzucht en alle andere ‘zuchten’ terecht af, en ook andere godsdiensten kunnen opkomen voor bepaalde waarden en normen. Maar ook hier geldt weer: de context waarin een en ander staat, is wel van belang.

Met het oog op de tieners

Wat de antwoorden 29 en 30 aanreiken, is ook voor de jongeren van grote betekenis. Er moet hierbij wel goed bedacht worden over welke jongeren we het hebben. Voor jongeren die zich bewust zijn van hun zonden en verlorenheid, is deze Zondag het verlossende antwoord op bange vragen. Bij veel andere jongeren ontbreekt ieder besef van de noodzaak van redding, óók bij kerkelijke jongeren. De ernst van de zonde wordt nauwelijks beseft. Jezus is hun ‘beste Vriend’, niet per se hun Verlosser. Of: als ze geloven dat Jezus hun Verlosser is, wil dat niet per se zeggen dat Hij – in hun visie – ook voor anderen de enige weg tot behoud is. Voor deze jongeren is het antwoord op vraag 29 een moeilijk te verteren zaak. Het kan daarom nodig zijn om eerst de ernst van de zonden en de wonden te benoemen en van daaruit het verlangen naar heling en redding op te roepen.

Met het oog op de kinderen

Kinderen kunnen in alle eenvoud merken dat ze dingen doen die niet goed zijn. Dat Jezus vergeving wil geven, zal vaak voor kinderen belangrijk zijn; gelukkig ontvangen ze dat op een zeer eenvoudige wijze. Het zal hen helpen te weten dat er Iemand is die alle moeilijkheden aankan en overwint. Wanneer wij hun met diezelfde eenvoud leren dat alleen Jezus redding biedt, zal dat hen voorbereiden op een wereld waarin ook andere wegen gewezen worden. Die eenvoud neemt overigens niet weg dat kinderen soms complexe vragen kunnen stellen, ook met betrekking tot deze thematiek!

Relevante bijbelgedeelten

In Mattheüs 1:21 vv., het gedeelte dat handelt over de aankondiging van Jezus’ geboorte, wordt de betekenis van de naam Jezus kort maar sterk aangereikt. Handelingen 17 (over Paulus te Athene) mag niet gemist worden als het gaat over andere godsdiensten en wereldbeschouwingen. Johannes 14 geeft de woorden van Jezus door: ‘Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.’ In 1 Korinthe 1 laat Paulus zien dat Jezus Christus alles is geworden voor allen die Zijn verschijning hebben liefgehad. Openbaring 21 laat zien waar het zalig maken en redden van Jezus uiteindelijk op uitloopt: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont.

Aanwijzingen voor de leerdienst

Doelstelling

De gemeente heeft na deze dienst geleerd dat Jezus zalig maakt, dat wil zeggen: redt en bevrijdt van de doem van de zonden, en zo van de verschrikking van de wonden. Een belangrijk aspect daarvan is ‘zien’ wat het Woord zegt. Het is: Jezus alleen.

Homiletische en pastorale aanwijzingen

Het kan goed zijn om te beginnen met het gegeven dat de naam ‘Jezus’ bij zo veel mensen geen gewone naam is. Mensen in de moeilijkste omstandigheden werden meer dan eens bemoedigd doordat ze de naam Jezus hoorden. Een predikant vertelde dat hij eens bij een stervende soldaat geroepen werd, en dat de man rustig werd toen de predikant de naam ‘Jezus’ noemde. Daarbij kan Gezang 446 (LvdK) geciteerd worden: ‘O Jezus, hoe vertrouwd en goed klinkt mij uw naam in ’t oor, die naam die mij geloven doet: Gij gaat mij reddend voor.’ Maar die naam wordt ook vaak gebruikt als een vloek, een uitroep van schrik of vertwijfeling, en heel vaak zonder de betekenis van die naam te beseffen.

Vraag en antwoord 29 kunnen dan uitgelegd worden. Van daar uit kan Mattheüs 1 ter sprake worden gebracht, waar de betekenis van de naam wordt uitgelegd. Het is belangrijk om erop te wijzen dat men moet oppassen met het vergeestelijken van de betekenis van de naam Jezus. Het gaat inderdaad om onze ziel en zaligheid, maar ook en niet minder om ons lichaam en de schepping – uiteindelijk om een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, zoals dat in de eschatologische bijbelgedeelten aan de orde komt. Deze lijn mag in de verkondiging niet ontbreken. Aan de zonden en zondigheid kan niet voorbijgegaan worden, en evenmin aan de relatie tussen zonden en wonden. Omdat we in onze huidige leefwereld de werkelijkheden achter die woorden en de relatie ertussen uit het oog dreigen te verliezen, is het goed om dat kort en diepgaand te accentueren. Dat kan met voorbeelden, zoals ‘Drank maakt meer kapot dan je lief is’. Dat geldt ook voor alle verslavingen, ook die aan de zonde! Het stralende van de redding in Christus moet boven alles wel blijven schitteren: het is Evangelieverkondiging.

In het tweede deel kan ingegaan worden op wat antwoord 30 aanreikt en het getuigenis van de Schriften: het is Jezus Christus alleen. Natuurlijk zal de huidige leefwereld aan de orde komen, waarin mensen vaak zoekende zijn, maar het meer dan eens buiten het christelijk geloof zoeken. Op de islamitische buurman of collega zal gewezen worden, alsook op andere godsdiensten die in onze wereld via de media heel dichtbij komen. Het kan nodig zijn om een paar belangrijke religies kort te typeren, maar men moet oppassen voor karikaturen. Het is zaak om strijdlustigheid en geredetwist te voorkomen. Agressie (ook verbale) naar andere geloven toe mag geen plaats hebben, niet in de kerk noch daarbuiten. ‘Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden’ (Zach. 4:6). In de ontmoeting met andere godsdiensten is de levenswandel van de christen van wezenlijk belang, en het hoeft niet verbloemd te worden dat het de christelijke kerk juist daaraan te vaak ontbroken heeft. ‘Belijders van de Naam hebben door hun handelwijze het gelaat van Jezus onder de volken nogal eens verduisterd’ (KV, p. 93).

Met het oog op de tieners

Een verhaal dat jongeren in het kort veel duidelijk kan maken, is het verhaal van de man in de put. Mohammed komt voorbij en zegt: ‘Het is de wil van Allah.’ Boeddha komt voorbij en zegt: ‘Laat al je verlangens naar een beter leven los en je zult gelukkig zijn.’ Norman Vincent Peale (of bijvoorbeeld een hippe psycholoog) komt voorbij en zegt: ‘Positief denken en je komt er uit.’ Jezus komt voorbij, daalt af in de put en draagt de man op Zijn schouders naar boven.

Een andere introductie kan een verhaal uit een zendingsblad zijn. Of vertel in het kort iets over bijvoorbeeld William Carey. Waarom willen mensen zo graag anderen vertellen over Jezus, en waarom hebben ze daar zo veel voor over? Is dat omdat Jezus hun een goed gevoel geeft, en ze dat anderen ook gunnen? Is het omdat Jezus armen rijk maakt, zieken geneest? Ja, dat zal allemaal meespelen, maar zou dat alles zijn?

In pastorale zin kan het relevant zijn (ook voor ouderen trouwens) om in te gaan op de vraag hoe het dan zit met mensen die nooit van de Naam van Jezus gehoord hebben. Eventueel kan hier iets aangereikt worden uit Mijn God is uniek van Jaap Haasnoot (Zoetermeer, 2009, p. 12-14).

Met het oog op de kinderen

Naar kinderen toe is eenvoud kenmerk van het ware. Een korte geschiedenis uit de Bijbel kan de boodschap voor hen duidelijk maken, bijvoorbeeld de genezing van de man die door het dak vlak voor de voeten van Jezus gelegd wordt. Op kinderlijke wijze kan ook iets over een zendingssituatie verteld worden. Waarom collecteren wij eigenlijk voor de zending? Omdat we het belangrijk vinden dat iedereen over Jezus hoort. Want je kunt alleen behouden worden als je in Hem gelooft.

Liturgische aanwijzingen

Als Mattheüs 1 gelezen wordt, kan de (berijmde) lofzang van Maria een goede functie hebben. Psalm 51 bezingt de relatie tussen wonden en zonden en de belangrijke plaats van de vergeving van zonden daarin. Datzelfde geldt voor Psalm 32. Gezang 446 (LvdK) mag niet ontbreken als het gaat over de betekenis van de naam Jezus. Het kan als tussenzang gezongen worden. Overigens kan dit lied ook heel goed in de preek gebruikt worden om aan te geven dat redding door Christus volkomen en totaal is; juist in dit lied komen alle aspecten daarvan op ongeëvenaarde wijze aan de orde.

Helpende vormen

Het kan zinvol zijn om Zondag 11 eens door te spreken met een bijbelkring, preekvoorbereidingsgroep of gespreksgroep. De predikant kan zo een indruk krijgen van wat er leeft onder de deelnemers, en ook het nodige van hen leren. Daar kan in de verkondiging op ingegaan worden. Daarnaast kan een degelijke cursus over andere godsdiensten de mensen helpen bij de vragen die velen van hen hebben.

Met het oog op de tieners

Vanwege het thema zou een ‘blokje’ lofprijzing op de Naam van Jezus door een groepje jongeren of een jongerenkoor heel mooi zijn, bijvoorbeeld rond de geloofsbelijdenis of na de preek. Denk aan: ‘Jezus, Jezus, Overwinnaar’ (Evangelische Liedbundel 248); ‘Naam van Jezus, erewoord’ (Evangelische Liedbundel 277); ‘Jezus, wat een heerlijke naam’ (Opwekking 493); ‘Geen and’re naam’ (Opwekking 420); ‘Heer, ik prijs uw grote naam’ (Opwekking 430); ‘Jezus, hoop van de volken’ (Opwekking 618).

Voor zowel ouderen als jongeren en kinderen kan het helpen om bovenstaand plaatje te laten zien (via beamer of liturgie). Stel daarbij de vraag: ‘Wat heeft dit te maken met u/jou en de Heere Jezus?’ Voor sommige kerkgangers zal het een ‘open deur’ zijn, voor andere kan het een schokkende waarheid laten zien.

Met het oog op de kinderen

Voorafgaande aan de dienst kan aan de kinderen gevraagd worden hun naam op een flip-over te schrijven. Vraag vervolgens in de dienst aan hen: ‘Wie weet de betekenis van zijn of haar naam?’

Literatuur

  • J.H. van de Bank e.a. (red.), Kennen en vertrouwen. Handreiking bij de prediking van de Heidelbergse Catechismus. Zoetermeer, 1993, p. 88-94. (KV)

  • G. van den Brink en C. van der Kooi, Christelijke dogmatiek. Een inleiding. Zoetermeer, 2012, p. 409-425. (CD)

  • Jaap Haasnoot, Mijn God is uniek. Over het hoe en waarom van zending. Zoetermeer, 2009 (voor jongeren).

  • Noordegraaf e.a. (red.) Woordenboek voor bijbellezers. Zoetermeer, 2005, p. 731-733 (dit boek staat integraal op PreekWijzer.nl, klik bovenaan op bron > Woordenboek voor bijbellezers).

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken