Menu

Premium

Als de dogmatiek niet bestond, moesten we haar uitvinden

Discussies over de dogmatiek, in elk geval die buiten de rust van de academie, hebben altijd iets van een partijtje kickboksen. Het woord ‘dogmatiek’ wordt in een eerste impuls immers meestal meteen verbonden met de ‘onredelijkheid’ van religieus gezag.

Theoloog Hitjo Hummelen vraagt zich in het VU-blad Ad Valvas (24 april 2013) ten aanzien van de Christelijke dogmatiek van Van den Brink en Van der Kooi af of wetenschap en geloof daarin wel voldoende gescheiden zijn. ‘Deze christelijke dogmatiek (…) zou acceptabel zijn als het (sic) geschreven zou zijn door twee behoudende dorpsdominees. Maar het wordt gepresenteerd als dé christelijke dogmatiek aan de VU anno Dat is niet aardig jegens dorpsdominees. Ik ken er ook een aantal heel geleerde… Maar deze uithaal laat wel iets zien. Dogmatiek wordt ervaren als een poging om namens de kerk met gezag te spreken, terwijl je toch hoort te weten dat de meeste mensen dat beu zijn en dat het wetenschappelijk zo niet . De opvattingen daarachter zijn, in een iets ander verband, ooit helder neergezet door Teade Smedes op de website Protestant.nl, 25 februari 2011, onder de titel: ‘Theologen lijken de grootste vijanden van het geloof’. Hij schrijft:

… Geloof dat met geen enkel menselijk antwoord genoegen neemt, omdat menselijke godsbeelden slechts constructies zijn van iets dat het menselijk voorstellingsvermogen overstijgt. Zo’n constructie verabsoluteren staat dan gelijk aan godslastering. Theologie is het gebruik van het menselijk kritisch vermogen, een godsgeschenk, waarmee de menselijk geconstrueerde godsbeelden worden ontluisterd. Hun betovering wordt verbroken.

Dat blijft de vraag: kun je alleen maar wetenschappelijk over geloof spreken als je die godsbeelden eerst afbreekt? Daar hebben we dogmatiek voor nodig, om ook die vanzelfsprekendheid te bekritiseren.

Maar laat ik beginnen met vast te stellen dat het goed is dat dit leerboek er is. Het boek ademt een onbekommerd soort orthodoxie, experimenterend met een nieuwe stijl van argumenteren. Daar is in de theologie behoefte aan en zij heeft ook academisch gezien alle recht van bestaan. Dat wil niet zeg gen dat er geen aanleiding is voor commentaar vanuit het perspectief van de bijbelwetenschap en de bijbelse theologie. Een leerboek is immers een genre dat de lezers niet alleen wil inleiden in de vragen van een vak, maar ook in de antwoorden die in de loop der tijden gegeven zijn. Dat vergt van de auteurs ook duidelijkheid over hun eigen standpunten. Daar moeten we het over hebben.

Een methodologische verbouwing

De auteurs beginnen met een heel eigen invalshoek. Ze komen met een nieuw type presentatie in reactie op actuele discussies over de kennisbasis van de theologie. Terecht is de klassieke dogmatiek wel verweten dat ze de Bijbel twee keer opvoerde in haar argumentatie. Eerst in de zogeheten prolegomena, als argument voor de herkomst en de gezagsstatus van onze kennis over God en mens. En daarna opnieuw in de meeste onderdelen van de dogmatiek, maar dan vanwege de inhoud: dit is wat de Bijbel zegt over… Van den Brink en Van der Kooi onderkennen die klassieke cirkelredenering en reageren daarop door de Bijbel niet meer voorop te zetten, in hoofdstuk één, als kentheoretisch vertrekpunt, maar door te beginnen bij de vraag wat christenen nu eigenlijk geloven en welke thema’s daarin centraal staan.

Je kunt zo’n keuze afdoen als subjectiviteit, maar dat is te haastig. Eenvoudig toegeven dat de kennisbasis van de systematische theologie niet apart vooraf verkrijgbaar is, geeft namelijk veel ruimte. Beginnen aan de binnenkant, maar zonder daar eerst beschermende kentheoretische muren omheen te zetten. Dat doen de auteurs bewust: de dogmatiek presenteren in de eigen termen van het vak. Ze spreken over God, over het bestaan als geschapen, over zonde en kwaad, en ze zetten dat allemaal in een klassiek theologisch kader. De christelijke visie op God als de Drie-ene is hun vertrekpunt. Methodologisch wil dat zeggen: het kader van de presentatie is niet een theologische kennisleer, maar de christelijke heilsleer. Dat roept natuurlijk vragen op, maar in de eerste plaats ontstaat er zo ruimte om over de Bijbel te spreken als een levensecht boek dat in debat is met klassieke en moderne religiositeit en dat getuige is van Gods wonderlijke stijl van presentie onder ons. Overigens, ook al wordt de Bijbel pas besproken in hoofdstuk 13, het boek is als getuigenis wel steeds aan de orde, zoals in uitspraken over ‘openbaring’ (p. 155) en over de taak van de dogmatiek (p. 159).

Dat de auteurs in het oude dilemma van ‘kennis’ tegenover ‘getuigen’ kiezen voor het tweede, kan ik zeer waarderen. Maar dan, zoals iedere bijbelwetenschapper ervaart: tussen ‘kennen’ en ‘getuigen’ struikel je over het verschijnsel geschiedenis. Vakken als godsdienstgeschiedenis en tekstgeschiedenis, kunnen die ook meedoen in deze ‘trinitarisch vormgegeven’ dogmatiek?

Getuigenis en geschiedenis

De keuze van de auteurs om de teksten te lezen als getuigenis, geeft theologisch gesproken veel bewegingsruimte, maar het heeft ook weer een risico. De kennisbasis van de dogmatiek mag dan zelf al voorwerp zijn van theologisch debat (kennis tegenover getuigenis), voor de feitelijke verzameling van gegevens (inscripties, bijbelmanuscripten, vertalingen, fragmenten, etc.) waarmee de bijbelwetenschap werkt, geldt dat zo niet. De vraag is dan ook wat, wanneer de auteurs in hun boek spreken over christelijke theologie, het feitelijke vertrekpunt is dat ze hanteren: de historisch gegroeide, complexe Bijbel die wij lezen, dan wel de eerste samenhangende presentaties, voorkomend uit de grote concilies van Nicea (325) en Constantinopel (381)? In de Christelijke dogmatiek stappen de auteurs als het ware een niveau hoger in, niet bij de feitelijke historische complexiteit van de teksten in de canon, maar bij de samenhang die de vroege kerk in de algemene concilies daarin heeft aangebracht.

te beginnen is dat heel zinvol, omdat de geschiedenis van de debatten over het geloof fundamenteel is. De aansluiting bij de vroege kerk biedt een tegenwicht tegen de gangbare discussies die alleen over religie gaan: bestaat God en zo ja, wat weten we ervan en zijn niet alle religies wegen tot diezelfde God? In zulke discussies doet ook de plaats van Jezus in het christelijk geloof er vaak nauwelijks nog toe.

Maar vervolgens roept dit wel weer het klassieke debat op tussen bijbel wetenschap en dogmatiek, namelijk: betekent de keuze voor de kennisbasis in de kerkelijke traditie dat de feitelijke gegevensbasis (bijbelwetenschap) zich daarin moet invoegen? Bijvoorbeeld: mag de triniteit ook principieel ter discussie blijven staan als een niet-bijbels concept? Dus niet vanuit moderne of post moderne tegenspraak, maar vanuit de Bijbel zelf? Op pagina 143 staat de vaststelling dat we ‘niet achter het christologisch bepaalde verstaan van de godsleer (Barth) terug’ kunnen. Maar de bijbelwetenschap doet dat wel; dat is haar taak.

Wat mij betreft is de echte vraag of de verschillen wel zo principieel zijn. Voor de auteurs zijn ze dat kennelijk wel, want vervolgens stellen ze: ‘Het christelijk Godsbeeld is niet algemeen-theïstisch of oudtestamentisch’, met nog de christologie aan het slot. Dat klinkt in de oren van een oudtestamenticus niet zo fair. Is het OT aan het NT dan net zo vreemd als het wijsgerig theïsme dat is? Spreken we niet over de geschiedenis van dezelfde God met dezelfde mensen?

Triniteit en Oude Testament

Met het thema van de triniteit raken we aan een klassiek exegetisch probleem. Betekent de christelijke overtuiging dat de God van Abraham dezelfde is als de vader van Jezus Christus, dat we Jezus als het ware al kunnen inlezen in het Oude Testament? Halen we dan niet ‘kennis’ en ‘geschiedenis’ door elkaar? Nu zijn de auteurs zich daar zeker van bewust. Dat blijkt uit hun woordgebruik. Ze spreken (p. 88) over prototrinitarische patronen in het Oude Testament, vooral in de teksten waarin ‘de engel van JHWH’ optreedt: Genesis 22, Exodus 23:20 en 23. Maar dat zo niet naar mijn besef. Het is een omkering van waarnemingen. Nu lijkt het alsof we toch weer over kennis spreken en niet over soteriologie, zoals de auteurs willen. Het is alsof de volle kennis er pas was toen de concilies hun formuleringen maakten. En dan kun je in de Bijbel naar rollen zoeken die al bij het concept triniteit passen. Maar moet je wel die ‘personen’ van God al identificeren in de teksten? Moet je niet de teksten laten uitspreken over de soorten van de presentie van God tussen de mensen? De God van scheppen, aanwijzen en kritiseren; de God van trouw, pijn en lijden; van bemoedigen en heel houden?

Bijbels-theologisch is de engel in Exodus 23 een van Gods wijzen van presentie. God die een vorm zoekt om met zijn aarzelende volk verder te trekken. In de teksten van Exodus 32 en 33 gaat het nog verder. God neemt, zeer emotioneel, afstand van zijn volk: ‘dit volk dat jij, Mozes, uit Egypte hebt gebracht’. Hoofdstuk 33 is een scherp gevecht om de presentie van God, eindigend met: wie bent U, mag ik U zien? Het dramatische, pijnlijke in de presentie van God, zowel bij God als bij Israël, soms verbonden met de gestalte van de engel, soms ook niet, dat past bij de ‘soteriologie’ als basis voor de dogmatiek. Daar ligt ook een structureel verband met het Nieuwe Testament. De term ‘triniteit’ moet dan nog even wachten tot de vroege kerk die gebruikte om haar begrip van Gods presentie onder woorden te brengen.

Bijbelwetenschap en dogmatiek

Vanaf de ontwikkeling van de moderne wetenschap, en vooral sinds de verlichting is de in de kerk gegroeide methodologische ‘consensus’ in het spreken over God, de Bijbel en de openbaring onder druk komen te staan. Daarbij speelt het contrast tussen twee vragen: 1. Hoe komen we aan onze kennis omtrent God? 2. Wat is de status van onze bijbelse bronnen nu we veel meer weten van hun gang door de geschiedenis? Het probleem van de discussie tussen de verschillende vakken in de theologie is dat bijbelwetenschappen en kerkgeschiedenis de methodologie van de verlichting principieel hebben geaccepteerd: de methoden van waarneming, dataverzameling en data-analyse. De systematische theologie, met name de christelijke dogmatiek, heeft dat in een aantal opzichten niet gedaan: het speelveld uit de vroege middeleeuwen blijft het vertrekpunt voor het spreken over God, Jezus en de Geest. De vraag naar de aard van kennis in de theologie is wel aan de orde in gesprek met andere wetenschappen, maar de vraag naar de aard van onze gegevens (Bijbel, manuscripten, en dergelijke) blijft als systematisch-theologische opgave uit beeld. Dat is een weeffout in de theologie.

Voor alle helderheid: de auteurs van de Christelijke dogmatiek doen heel veel moeite om de kloof te overbruggen. Er is veel openheid richting bijbelwetenschappen, zoals op pagina 490, waar de auteurs stellen dat de feitelijke omzwervingen van teksten ons bepalen ‘bij iets dat theologisch van belang is’. Maar na de bespreking van historisch-kritische bijbelwetenschap en moderne reader-responsebenaderingen bespreken ze de positie van de exegese van de Bijbel in de dogmatiek toch als iets principieel anders: ‘theologische interpretatie’. Ik zou het zelf liever houden bij ‘interpretatie binnen de theologie’. Ik ben het ermee eens dat we de Bijbel bespreken in de hoofdstukken ná de christologie. Want inderdaad, de Bijbel hoort niet binnen de kennisleer, maar binnen de soteriologie (p. 498). Maar die methodologische positie van de Bijbel als een gegeven gaat over in een voorschrift (p. 500): ‘Daarom dient de Bijbel ook altijd vanuit dit gezichtspunt van de geschiedenis van Jezus Christus begrepen, uitgelegd en toegepast te worden.’ Het ‘altijd’ en het‘dient’ zitten mij dwars. Is de exegese toegepaste schriftleer? De methoden van de bijbelwetenschap zijn principieel neutraal, agnostisch. Maar het materiaal is dat niet. En het proces van overlevering en toe-eigening is dat niet. De ontmoeting met Jezus bracht een andere toe-eigening op gang dan die in de synagoge. Maar die kun je niet opleggen. Dus: als het analytische werk aan de teksten van Oude en Nieuwe Testament niet zelf ons op christelijke theologie brengt, dan is het niet overtuigend om dat via de schriftleer alsnog in te brengen.

Dogmatiek is nodig om die processen van toe-eigening te begrijpen en te ordenen, niet om ze voor te schrijven. De Bijbel zelf houdt het proces wel op gang.

Wellicht ook interessant

None

Preview: God. Naar een andere filosofie

We beginnen dus nu aan een boekje over denken over God, over de Naam. Goed, maar is dat nog wel nodig? Kan dat zelfs nog wel? Niet dat het taboe zou zijn, nee, merkwaardig genoeg loopt de boekenmarkt over van titels over God en godsdienst. Iedereen schrijft over God tegenwoordig. Sinds kort bestaat het prestigieuze Journal for Continental Philosophy of Religion (Brill). Dat betekent dat er in elk geval interesse wordt getoond in dat filosofische terrein. Theologen, natuurlijk, maar ook filosofen, wetenschappers, politici, kunstenaars en nog anderen kunnen er niet over zwijgen.

None

Nicea voor Nu; hoe een oude belijdenis ons vandaag kan helpen

Drie initiatiefnemers – Jelle Huismans, Margriet Westes en Arnold Smeets – hebben ervoor gezorgd dat 32 schrijvers samen 47 korte, puntige bijdragen schreven over de Geloofsbelijdenis van Nicea. Steeds namen de auteurs een paar woorden uit de belijdenis voor hun rekening, waarover zij twee à drie pagina’s schreven. Dat maakt het tot een zeer toegankelijk boek. Met dank daarvoor: ik heb het met plezier gelezen en hier en daar zinnen onderstreept en smileys of kruisjes gezet bij uitspraken die mij boeiden of juist tegenstonden.

Basis

Boekrecensie Verblijven in de ziel van Esther Stoorvogel door Ludy Fabriek

Het boek Verblijven in de ziel van Esther Stoorvogel is een geweldige uitdaging om je innerlijke relatie met God als je hemelse Vader meer en meer te verdiepen. Het beeld van de ziel als een burcht met zeven verblijven spreekt heel erg tot de verbeelding. Zeker om de ontwikkeling van je geestelijke leven te zien als een reis door die verblijven op weg naar het hart van de burcht: de troonzaal. Het uiteindelijke doel van een kind van God is om zó dicht bij Hem te zijn, dat we volkomen één met Hem zijn. Vandaar dat de subtitel van het boek ook treffend gekozen is: De innerlijke reis naar het hart van God.

Nieuwe boeken