Als de Geest er is, dan…
Trinitatis (Exodus 3,1-6, Romeinen 8,12-17 en Johannes 3,1-16 )
Na Pinksteren kennen we God als Vader, Zoon en Geest. De een vergelijkt het met drie vormen waarin water aanwezig is: water, damp en ijs. Het molecuul is wel hetzelfde, maar het is anders aanwezig, het geeft een andere ervaring. De ander legt de nadruk op de verschillen tussen Vader, Zoon en Geest. Zondag Trinitatis wil de samenhang en compleetheid van deze drie benadrukken. Maar omdat je toch ergens moet beginnen, en het net Pinksteren is geweest, is de focus in dit artikel gericht op de Geest.
De Geest is misschien wel de meest onvoorstelbare en ongrijpbare van de drie. Waar God te zien is in een herkenbaar figuur, zoals in Jezus, is Hij makkelijker voorstelbaar dan wanneer Hij niet in een herkenbare gestalte aanwezig is, zoals in de Geest. Als Mozes in Exodus 3,1-6 bij het brandende braambos staat, is dat niet de plaats en vooral niet de manier waarop hij God daar aanwezig denkt. Toch is God er, zonder dat je Hem duidelijk ziet. Wat Mozes ziet, is niet de Eeuwige, maar een engel van de Heer in een vuur in een braambos. Niet in wat Mozes ziet is de Eeuwige, maar vooral in wat hij hoort: de stem van God spreekt.
Daarin is God aanwezig. Zo zal de Eeuwige ook aanwezig blijven in het boek Exodus: aanwezig in dingen die je herkent als objecten uit de dagelijkse omgeving, zoals in een wolk (Ex. 13,21). Anderzijds zal Hij in diezelfde wolk toch ook steeds verborgen blijven voor het volk, zoals op de Sinai (Ex. 20,21). Aanwezig en verborgen tegelijk. Dat is de Geest.
De Geest bij Paulus
Van de Vader en de Zoon kunnen we ons makkelijker voorbeelden indenken vanuit onze eigen associaties bij die woorden uit het gebruik in het dagelijks leven, dan van de Geest. Wat de Geest is, en wat de Geest kan, is in de Bijbel een voortdurende zoektocht, zowel voor hen die de woorden schreven die ons zijn overgeleverd, als voor hen die die woorden sindsdien proberen uit te leggen. Pneumatologie – de leer van de Geest – is zelfs een apart vakgebied in de theologie.
Voor Paulus is de Geest heel belangrijk, zo ook in Romeinen 8. De wet verloor door de macht van het vlees en werd een instrument om voor jezelf eer te vergaren. In Christus krijgt de wet een geestelijke, spirituele functie die naar een echt leven leidt (8,4). Dat is een leven dat niet beheerst wordt door aardse verlangens, maar door God (8,8-9.12) en dus door leven en vrede (8,4.13). De Geest is degene die ons in die richting leidt en ons zo kinderen van God maakt. Paulus zet vervolgens de tegenstelling uiteen tussen enerzijds mensen die als slaven leven en dus geen keuzevrijheid hebben maar ‘in opdracht’ hun leven leven, en anderzijds mensen die als kinderen van God leven, als erfgenamen (8,17).
Erfgenaam
Voor de Romeinse leden van de christelijke gemeente in Rome was het een bekende praktijk dat een kind of jongere door adoptie in een andere familie werd opgenomen, om zo diens kansen op een beter leven of carrière te vergroten. Paulus verwijst naar die praktijk om een beeld te geven bij wat zo ongrijpbaar is, namelijk leven uit en door de Geest. Het betekent, legt Paulus uit, dat je in een nieuw huisgezin komt, dat je de Eeuwige ‘Abba, Vader’ mag noemen (8,15), en dat je in dat gezin bent samen met Christus. In de dubbele bewoording ‘Abba, Vader’ zien we trouwens meteen iets van het originele lezerspubliek van Paulus. Zeer waarschijnlijk was Abba een gangbare aanroep van de Eeuwige voor de Joodse leden van de gemeenschap, terwijl ‘vader’ de taal was van de Grieks-Romeinse heidense leden.
Wat de Geest bewerkt is een leven niet uit angst en afhankelijkheid (8,15), maar uit gevoelde liefde en acceptatie. In vers 17 volgt dan een typische paulijnse als-dan-redenering. Als je kind bent, dan ben je erfgenaam. Als je erfgenaam bent, dan deel je in de erfenis. In dit geval: je bent een kind van God, dus een erfgenaam van God. Dat je erfgenaam bent komt door Christus. Christus heeft geleden. Dat betekent niet dat jij als mede-erfgenaam ook moet lijden. Maar als jij als erfgenaam óók lijdt – wat helaas gebeurt – dan deel je ook in de glorie waarin Christus gedeeld heeft: de glorie van God. Uiteindelijk leidt de Geest je dus daartoe: deel zijn van een gezin, waarin geleden wordt – niet omdat het moet, maar omdat het gebeurt – en waar uiteindelijk de glorie van God gedeeld wordt.
Toch nog niet helder
Dat die weg bepaald geen vanzelfsprekendheid is om te ervaren en te begrijpen, zien we in het verhaal van Jezus en Nikodemus in Johannes 3. Daar ontspint zich een gesprek waarin Jezus omschrijft hoe een mens zich kan vernieuwen door te leven uit de Geest. Je wordt er een ander mens van, niet gefocust op het menselijke – wat Paulus in Romeinen 8 het ‘aardse’ noemt – maar op God. Dat is een ander taalveld, een ander beeld, veel ongrijpbaarder dan alle aardse dingen. Precies daarom blijft het ook voor een beroepsgelovige als Nikodemus – hij is tenslotte een schriftgeleerde – moeilijk te vatten.
De Geest vraagt om te geloven in wat je niet ziet, maar wel kunt ervaren. De Geest vraagt om te geloven in wat geen mens heeft gezien, maar wat Jezus heeft verteld (3,12). Dat is waarom Jezus in de wereld is gekomen, om mensen op die weg te zetten (3,17), een weg die leidt tot de glorie en redding van God. Dat doet de Geest, als derde van de trinitarische gemeenschap. Ongrijpbaar en onnavolgbaar, soms onuitlegbaar, maar altijd aanwezig.
Deze exegese is opgesteld door Marieke den Braber.