< Terug

Belofte

Geloofstaal & cultuurtaal

De ernst waarmee de Bijbel het nakomen van geloften als dure plicht noemt (bijv. Deut. 23:23; Ps. 50:14) heeft steeds grote invloed gehad op het christelijke denken en handelen. Een centrale plaats neemt echter het spreken over Gods belofte(n) in, en wel nauw verbonden met het spreken over het verbond dat God met mensen aangegaan is. In de gereformeerde traditie heeft de bezinning op Gods belofte vooral in verband met de doop zelfs herhaaldelijk tot twisten geleid.

In onze cultuur geldt nog altijd het gezegde ‘belofte maakt schuld’. Van betrouwbaarheid hangt het menszijn in zijn sociale verbanden onmiddellijk af. Nog steeds horen we voorzichtige mensen zeggen: ‘Ik beloof niets’. Daarnaast is er ook het meer onpersoonlijke woordgebruik: ‘dat belooft wat’ of: ‘dat belooft niet veel goeds’. Men schat daarmee de gevolgen van bepaalde toestanden of ontwikkelingen positief dan wel negatief in. Helaas tast de crisis van onze cultuur ook het respect voor beloften aan. Het ‘een man een man, een woord een woord’ lijkt iets van voorbije tijden.

Woorden

Het Oude Testament kent geen geijkte term voor Gods ‘belofte’, ook al nemen Gods beloften een zeer brede plaats in. In de Hebreeuwse tekst wordt alleen van een ‘goed woord’ (haddavar hatov, Joz. 21:45) of van ‘goede woorden’ (haddevariem hattoviem, Joz. 23:14) van God gesproken. Iets soortgelijks geldt van de vertaling van Psalm 119, waar negen keer (bijv. in vs. 38) slechts gewaagd wordt van ‘uw spreken’ (met een vorm van het woord amar). Waar God spreekt, geeft Hij beloften, opent Hij vensters op de toekomst en ontstaat er hoop. Voor hetgeen mensen aan God in bepaalde situaties op basis van vrijwilligheid beloven, wordt een ander woord gebruikt: neder, in het Nederlands ‘gelofte’.

Anders ligt het in het Nieuwe Testament. De uitdrukking epangelia wordt, met name door Lucas, Paulus en de auteur van Hebreeën, als vaste term gehanteerd. Dat is een opmerkelijke overname van een Grieks woord, dat in de Septuagint nog niet voorkwam. Blijkbaar voelde de oerchristelijke gemeente de behoefte om het belofte-aspect van de door hen overgenomen oudtestamentische boodschap en van het evangelie van Jezus Christus aldus bondig te vertolken.

Betekenis in context

Oude Testament

De oergeschiedenis (Gen 1-11)

In de eerste elf hoofdstukken van de Bijbel is de blik primair rugwaarts gericht: op de ontzettende realiteit van de zondeval met alle gevolgen van dien. Hoe was het mogelijk, dat uit de door God goed geschapen mens (Gen. 1:31) een zeer slecht wezen was geworden, in staat zijn broer te vermoorden of zevenvoudige wraak te oefenen (4:8, 24), onbeperkte autonomie na te streven om aan God gelijk te zijn (3:4), boze overleggingen des harten te koesteren (6:6) en zich politiek en sociaal door het bouwen van een hoge toren een naam te maken (11:4)? Het antwoord van God bestond uit het oordeel van de zondvloed en het neerstorten van hun toren. Het aspect van heil voor de toekomst en dus van enige belofte is slechts in een ijle verte te bespeuren. De uitspraak over de nooit eindigende strijd tussen mens en slang (3:15) houdt nauwelijks een belofte in, maar schetst evenals de daaropvolgende verzen op aanschouwelijke wijze de moeite van het leven ten gevolge van de zondeval. Het Kaïnsteken (4:15) betekent daarentegen een eerste bescherming voor de moordenaar, de regenboog (9:8-17) biedt als zichtbaar teken van een duidelijk uitgesproken belofte van God de waarborg dat er nog toekomst is voor de wereld en de spraakverwarring (11:7) had tenminste deze positieve zijde, dat er na de bestraffing van de hoogmoed nog een beperkte mogelijkheid voor gemeenschappelijk leven overbleef, zij het vergezeld van vervreemding en vijandelijkheid.

Abraham en zijn nakomelingen (Gen. 12-50)

Met de roeping van Abraham (Gen. 12:1) komt het toekomstperspectief in het centrum van Gods spreken te staan. De belofte van God aanhem (Gen. 12:2, 3, 7; 17:1-8) heeft een drievoudige inhoud: (1) uit Abraham zal een groot en door God gezegend volk voortkomen, dat een zegen voor de wereld zal zijn. (2) God maakt door een verbond met Abraham tegelijk diens nakomelingen tot zijn volk. (3) God belooft aan Abraham en zijn nageslacht het land waarheen Hij hem zal brengen. Daarmee krijgt Gods trouw voor het eerst en voorgoed een concrete invulling. Afwending van onheil maakt thans de belofte van heil en daarmee van een hoopgevend perspectief voor de toekomst mogelijk. De berichten over de aartsvaders gaan steeds opnieuw gepaard met woorden van belofte, bijvoorbeeld tijdens de vlucht van Jakob voor zijn broer Esau in een droom (Gen. 28:13-15); weer is deze belofte drievuldig: een groot volk, de verbondsrela-tie tot God en het beloofde land. Daarbij wordt ook duidelijk dat de beloften Gods het karakter van genade hebben: Jakob had immers zijn broer Esau bedrogen.

Van Mozes totJozua

Met de roeping van Mozes begint een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van Gods beloften. Bij de brandende braamstruik noemt God Zich uitdrukkelijk de God van Abraham, Isaäk en Jakob. God noemt het ondertussen groot geworden volk ‘mijn volk’ en Hij herhaalt de belofte van het land (Ex. 3:7-10). Het is de belofte van genade en trouw, van deernis en redding. De genadige God ontsluit voor zijn volk een ongekende toekomst in een land vloeiende van melk en honig (Ex. 3:8, 17). Dit genadekarakter is en blijft door alle tijden heen bepalend. Ook in de Tien Geboden staat voorop dat Hij hun God en hun bevrijder is, die zijn beloften gestand doet (Ex. 20:2v). Dat is en blijft de rode draad door de boeken van Mozes inclusief het boek Jozua heen. Wanneer Jozua aan het eind het volk in Sichem bijeengeroepen heeft en terugziet op de gehele weg van God met zijn volk, bindt hij hun op het hart: ‘Erkent nu … dat niet één van alle goede beloften die de Here, uw God, u gegeven heeft, onvervuld gebleven is. Alles is voor u uitgekomen’ (Joz. 23:14; vgl. 21:45).

De messiaanse belofte aan David en zijn huis

Dat met de beloften Gods uit de tijd van Mozes het toekomstperspectief nog niet tot zijn laatste openbaring gekomen is, blijkt uit de wijze waarop God in een latere tijd David (2 Sam. 7:11) en zijn nakomelingen (vss. 1216) en in hen het volk Israël met zijn beloften begeleidt. Het zijn vensters op de toekomst met perspectieven voor eeuwen, grenzeloos en eindeloos. Wat David betreft zijn het in alle duidelijkheid beloften aan iemand, die allerminst onberispelijk is. Zijn zoon en opvolger Salomo was in een sfeer van echtbreuk en moord verwekt en geboren. ‘Het was kwaad in de ogen des Heren’ (2 Sam. 11:27). Gods beloften bevatten vergeving en getuigen van genade.

Deze beloften zijn ook dan nog niet ongeldig wanneer het koningshuis van Juda (de nakomelingen van David) tot een einde komt en het volk van Juda in ballingschap naar Babel gebracht wordt (Mi. 5:1). Tijdens deze periode treden profeten als Jeremia, Ezechiël en Deuterojesaja op. Door hen laat God aan het geschonden volk de geldigheid van zijn beloften verkondigen. We beperken ons hier tot uitspraken in het tweede deel van het boek Jesaja. ‘Hij zal het geknakte riet niet verbreken’ maar hun door het optreden van zijn Knecht bevrijdende gerechtigheid doen toekomen (42:3) en op die weg aan hen ‘de betrouwbare genadebewijzen van David’ schenken (55:3). Zo worden voorgaande beloften bevestigd en tegelijk overtroffen (43:18); thans worden ook nadrukkelijk andere volkeren ingesloten (45:22; 51:5). Deze nieuwe beloften houden verder nauw verband metde telkens weer genoemde Knecht des Heren (Jes. 42, 49, 50 en 53); ze spreken van plaatsbekleding en redding door de dood van deze Knecht. Naast universele vertonen zij ook in toenemende mate eschatologische trekken; dat wil zeggen dat zij op de grote toekomst met zijn definitieve openbaring van Gods heil wijzen: met het spreken van de vreugdebode (52:7), met de kwalitatief nieuwe dingen die nu beloofd worden (42:9; 43:19; 48:6), met een nieuwe hemel en een nieuwe aarde als einddoel (65:17). Daarmee is de brug naar het Nieuwe Testament bereikt. Ook volgens Jeremia blijft Israël Gods troetelkind (31:9, 20; vgl. Hos. 11:8), met het aangekondigde nieuwe verbond met hen zijn vérstrekkende beloften verbonden (31:31-34); zie ook Ezechiël 36:22-32.

Nieuwe Testament

Evangeliën en Handelingen

De Evangeliën getuigen er op onderscheiden wijze van dat Christus Gods beloften vervult, maar tegelijkertijd nieuwe beloften doet, zo bijvoorbeeld in de zaligsprekingen (Mat. 5:312) en in zijn rede over de toekomst (Mat. 2325 en parallellen). Met name zijn opstanding bevat nieuwe beloften, die alle aardse perspectieven overstijgen (Joh. 11:25v; 14:1-3; 17:24) en alle bevattingsvermogen te boven gaan (1 Kor. 2:9).

De enige van de evangelisten die in dit verband de term ‘belofte’ gebruikt, is Lucas. Reeds de lofzangen in de eerste twee hoofdstukken van zijn Evangelie bezingen de vervulling van hetgeen God in vorige tijden beloofd heeft. Maar de heilsgeschiedenis gaat verder. De opgestane Heer zal door de zending van de Heilige Geest de belofte van de Vader vervullen (Luc. 24:49; Hand. 1:4; 2:33; vgl. Joël 2:28v). In een zeer alomvattende zin moeten we andere teksten in Handelingen lezen, zoals 2:34: ‘Voor u is de belofte…’ en 7:17: ‘Naarmate de tijd der belofte (aan Abraham) naderde… ‘ In die zin kan Paulus zich ook voor Agrippa verantwoorden, door te zeggen dat hij om zijn hoop op de belofte Gods berecht wordt (26:6). Op een andere plaats zegt hij met nadruk dat deze vervulling (hier die aan David) in Jezus als de davidische Messias gegeven is (13:23, 32).

De brieven van Paulus

Ook in de brieven van Paulus speelt deze gedachte een belangrijke rol. Basis van zijn verkondiging is dat alle beloften Gods bevestigd en vervuld worden in Jezus Christus (2 Kor. 1:20). Aan Israël zijn de beloften gegeven (Rom. 9:4); dat is hun voorrecht, maar daarin ligt ook hun verantwoordelijkheid. Paulus maakt onderscheid tussen ‘kinderen van de belofte’ en ‘kinderen van het vlees’ (vs. 8). In Christus worden de beloften Gods voor Israël bevestigd (Rom. 15:8; vgl. Gal. 4:28). Op grond van de trouw Gods en de vastheid van zijn beloften, die zich thans uitstrekt tot alle volken, blijft Paulus hopen op het aandeel van Israël aan het beloofde heil door het geloof in Jezus Christus (Rom. 10:9-13; 11:2832; 15:8). In het kader van zijn voortdurende strijd tegen wetticistische joodse groeperingen acht Paulus het noodzakelijk hier nog één wezenlijk punt aan toe te voegen. Wij worden immers zonder eigen werken der wet op de weg van het geloof in Jezus Christus gerechtvaardigd. Daarom wijst Paulus erop dat God zijn beloften aan Abraham en zijn nakroost vierhonderddertig jaar (zo Gal. 3:17) voor de tijd van de wetgeving aan Israël gegeven heeft (Rom. 4:13-20; Gal. 3:14-29).

De brief aan de Hebreeën

De schrijver van deze brief spreekt zeer uitvoerig over het thema van belofte en vervulling. Het beërven van de belofte wordt toegelicht door verwijzing naar Psalm 95; het gaat gepaard met het aanvaarden van de belofte, is gefundeerd in Christus als middelaar van een nieuw verbond en richt zich op de grote toekomst, wanneer de gelovigen de volmaaktheid bereiken (4:1; 6:12; 9:15; 11:9, 39). Met zijn concentratie op het belofte-aspect van het evangelie en dus op de vastheid ervan speelt de auteur in op verslapping en wankelmoedigheid van een hard beproefde gemeente, ‘want Hij die zijn belofte gegeven heeft, is getrouw’ (10:23; 12:12).

Kern

‘Belofte’ is een bijbels grondwoord. De term komt in het Oude Testament weliswaar niet voor, de zaak daarentegen des te meer. Lucas, Paulus en de auteur van Hebreeën vertolken elk op eigen wijze het besef van de christenen van het eerste uur, dat we met dit begrip iets verwoorden dat kenmerkend is voor Gods omgaan met mensen. Hij opent perspectieven, Hij ontsluit een toekomst in zijn nabijheid, onder zijn zegen, maar ook in liefde en trouw. Waar God als integraal bestanddeel van zijn verbond beloften geeft, openbaart Hij zijn genade, schenkt Hij vergeving, schept Hij verzoening. De vervulling ervan komt niet tot stand op grond van ons verdienstelijk handelen; toch hoort het aanvaarden van het verbond er van meet af bij. Ondanks de regenboog kunnen mensen de wereld tot een hel maken. En ondanks de doop als teken en zegel van het verbond kan een mens ‘nee’ zeggen, waar God zijn ‘ja’ verwacht. Alleen van het geloof geldt dat het van Gods beloften nooit te veel verwachten kan.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: erfenis, heil, verbond, vervulling.

< Terug