< Terug

De Liagre Böhl – Bijbel en Babel

Frans de Liagre Böhl (1882-1976)

Cover Bijbel en Babel (beeld Prometheus)

Na lezing van dit vlot geschreven en rijk geïllustreerde boek blijf je als lezer zitten met de indruk dat je Frans de Liagre Böhl beter als leermeester dan als vader kon hebben. Uit de veel aangehaalde citaten van zijn leerlingen ontstaat het beeld van een zeer geleerde man die zijn grote enthousiasme voor en kennis van de wereld van het oude Nabije Oosten op indrukwekkende wijze wist over te brengen. En dat niet alleen op een hoog academisch niveau, maar ook voor een breder publiek.

Zijn jongste zoon en biograaf deelt dat respect en geeft alle loftuitingen zonder voorbehoud door. Maar aan de andere kant verhaalt hij ook van een vader die zijn studeerkamer nauwelijks uit kwam en soms moeite had de namen van zijn kinderen uit elkaar te houden. Hij schildert zeker geen liefdeloos portret van zijn vader, maar een tweetal feitjes helemaal aan het eind spreken boekdelen. Hij vertelt dat toen hij als nakomertje als enige van de vier kinderen nog achterbleef in het ouderlijk huis, hij er zelf om vroeg om in een pleeggezin geplaatst te worden; hetgeen hem nog werd toegestaan ook. Toen hij later zijn verloofde aan zijn ouders ging voorstellen, viel het haar op dat vrijwel iedereen haar aanstaande schoonvader met ‘professor’ aansprak. Het bleek dat hij dat ook van haar verwachtte.

Het zegt ook wel iets over de wereld waarin Franz de Liagre Böhl zelf is opgegroeid. Hij is geboren in Wenen en getogen in Duitsland (pas toen hij naar Nederland kwam heeft hij zijn voornaam vernederlandst naar Frans) en studeerde theologie en oosterse talen bij beroemdheden als Friedrich Delitzsch, Hugo Winckler, Adolf von Harnack, Heinrich Zimmern en Eduard König. Relatief jong maakte hij zelf carrière als hoogleraar Hebreeuws en Israëlitische oudheden in Groningen (1913-1927), waarna hij de overstap maakte naar Leiden als hoogleraar Babylonisch-Assyrische taal- en letterkunde (1927-1952). De benaming van die twee leerstoelen vinden we terug in de titel van zijn biografie: in Groningen lag het accent op de Bijbel, in Leiden op Babel. Zijn leermeester Delitzsch was een van de aanstichters van de ‘Babel-Bibel-Streit’ met zijn stelling dat de Mesopotamische cultuur superieur is aan die van het oude Israël en de Bijbel niet meer is dan een afgeleide van de in de negentiende eeuw weer ontdekte teksten van Babylonië en Assyrië. Zo ver wilde De Liagre Böhl niet gaan. Hij benadrukte wel het grote belang van die teksten voor de bestudering van het Oude Testament. Om die reden zette hij zich ook in voor de popularisering daarvan via de vereniging ‘Ex oriente lux’ en haar tijdschrift Phoenix.

Zoon Herman biedt in deze biografie een mooie mix van het wetenschappelijke en het persoonlijke leven van zijn vader. Daarbij wijdt hij door samenvattingen van de belangrijkste publicaties en enkele meer algemene inleidingen de niet deskundige lezer in op met name het vakgebied van de Assyriologie. Wie daarin al wat meer thuis is, zal vooral geboeid worden door de vele inkijkjes die geboden worden in het leven van de geleerde achter deze publicaties. Onder de professoren in Groningen had hij het – in tegenstelling tot Willem Frederik Hermans – prima naar zijn zin. Wat Leiden betreft was dat anders. Hij heeft er vruchtbaar gewerkt, maar de relaties met zijn collega’s waren niet altijd goed. Dat blijkt bijvoorbeeld uit wat in het boek ‘de affaire-Borger’ wordt genoemd. Het manuscript van zijn promovendus Rykle Borger werd door een tweetal collega’s de grond in geboord. Uit de manier waarop dat werd beargumenteerd, bleek dat het ook een aanval op zijn beoogde promotor was.

Een referent sprak over de ‘in wetenschappelijk opzicht zwakke Böhl’. Uiteindelijk kwam het met Borger helemaal goed. Hij zou later – dat had in dit boek nog wel even vermeld mogen worden – als professor in Göttingen uitgroeien tot één van de meest gezaghebbende assyriologen. Deze aanval op een voor een hoogleraar heel gevoelig punt, namelijk zijn wetenschappelijke kwaliteit, blijkt niet op zich te hebben gestaan. Volgens zijn zoon werd hij getreiterd door sommige van zijn collega’s en zelf legt De Liagre Böhl op latere leeftijd een verband tussen zijn slikproblemen en alles wat hij na de oorlog heeft moeten wegslikken. Dat had te maken met de sterke anti-Duitse gevoelens. Zijn afkomst speelde hem dus parten. De wens om, nadat hij eerder al zijn voornaam had aangepast, ‘De Liagre’ (de naam van zijn grootmoeder aan vaderskant) aan zijn achternaam toe te voegen moet ook in dat licht worden gezien.

Van een eerdere poging had hij onder druk van zijn zusters afgezien, na de oorlog zette hij door. Zijn eigen kinderen waren er niet blij mee. Zijn dochter noemde het een ‘kermisnaam’ en zijn zoon gebruikt hem niet in deze biografie, waarin hij afwisselend spreekt van ‘mijn vader’ of kortweg ‘Böhl’.

Voor de liefhebber van het vakgebied en zijn geschiedenis is er heel veel moois uit dit boek te halen. Het is fascinerend om te lezen welke reizen naar het nabije Oosten De Liagre Böhl allemaal gemaakt heeft in het interbellum en hoe hij zijn grote verzameling van oudheidkundige objecten, met name kleitabletten, bijeen vergaarde. Interessant en ook wel gênant is wat je te lezen krijgt over zijn deelname aan de kring rond de megalomane keizer Wilhelm II in Doorn. Verrassend is zijn inzet voor de kerkelijke eenheid.

Soms is wel te merken dat de zoon minder verstand heeft van het vak dan zijn vader. Bijvoorbeeld wanneer hij ‘het eind van de periode die in het Oude Testament is beschreven’ dateert ‘omstreeks het einde van de achtste eeuw’ (p. 85). Of wanneer hij een citaat uit 1 Samuël 10,5-7 inleidt met ‘In de Bijbel heeft de profeet Samuel geschreven’ (p. 89) en dat in de eindnoot ook nog eens fout aanduidt met ‘1 Samuel:10’ (p. 344). Ook neemt hij al te makkelijk het oordeel over uit een Leidse bachelorscriptie over het opgravingswerk dat zijn vader onder leiding van Ernst Sellin deed in de jaren ’20 van de vorige eeuw: ‘Achteraf is er door wetenschappers wel eens gezegd dat Sichem het lachertje is geweest in het land van de archeologie’ (p. 109). Zo wordt er in de latere literatuur niet over gesproken. Dat de toenmalige opgravingsmethoden inmiddels achterhaald zijn, geldt voor de meeste projecten uit die tijd. Dat het Duits weliswaar de taal van zijn moeder is, maar niet de moedertaal van de schrijver is ziet men aan de naamvalsfout in ‘Das Deutsches Archäologisches Institut’ (p. 97) en de vertaalfout in de aanhef van een telegram van de keizer: ‘Mijn lieve Professor Böhl’ (p. 213). In het Duits zal er ‘Mein lieber Professor’ hebben gestaan, hetgeen toch iets meer afstand inhoudt.

Het moge duidelijk zijn: ik heb het boek nauwkeurig gelezen, maar vooral ook: met heel veel plezier.

Klaas Spronk is hoogleraar Oude Testament aan de Protestantse Theologische Universiteit Amsterdam en hoofdredacteur van Schrift.


Herman de Liagre Böhl. Bijbel en Babel. Frans de Liagre Böhl (1882-1976). Amsterdam: Prometheus, 2021. 360 pp. €39,99. ISBN 9789044643534.


< Terug