< Terug

De weg van het eeuwige leven

Bij Lucas 10,23-37

Een wetgeleerde staat op (Lucas 10,25). Door het hele evangelie heen vinden steeds ontmoetingen en confrontaties plaats met wetgeleerden en farizeeën. Zij weten niet wat ze met Jezus aan moeten. Wat voor vlees hebben ze met Hem in de kuip? Dat wil deze wetgeleerde weten. Hij wil hart en nieren proeven, weten of Jezus zuiver op de graat is.

Hoe krijg ik deel aan eeuwig leven, wat moet ik daarvoor doen? Dat is zijn vraag. Hij spreekt Jezus aan met ‘meester’, dat is: leermeester, iemand die onderwijst (Gr.: didaskalos). Klinkt dit oprecht? Is dit gemeend? Of smeert hij Jezus stroop om de mond? Eeuwig leven is leven dat de Eeuwige schenkt. Het bloeit op in de relatie met Hem: ‘Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus die Gij gezonden hebt’ (Johannes 17,3).

Lezen en verstaan

Jezus kaatst de bal terug. Van een wetgeleerde mag verwacht worden dat hij de wet, de Tora, kent. Maar niet alleen dat, ook: hoe vat hij die op, hoe verstaat hij het geschrevene (Lucas 10,26)? Wat geschreven staat komt tot leven in de wijze waarop het verstaan wordt. De letter doodt, de geest maakt levend. En hij kent de wet, hij weet wat geschreven staat, zoals blijkt uit zijn antwoord (Lucas 10,27). Hij citeert allereerst het Sjema Jisraël: God liefhebben met hart, ziel en kracht (Deuteronomium. 6,5). Het woord dianoia (= verstand) voegt hij er zelf aan toe, ofwel, dit is niet in alle handschriften te vinden. Vervolgens voegt hij dit citaat samen met Leviticus 19,18, waar het woord over de liefde tot de naaste te vinden is. In de context van de genoemde citaten staat ook te lezen dat deze liefde tot God gestalte krijgt in het onderhouden van de geboden. Het gaat bij deze liefde om ethiek.

Met verstand

Ook bij Marcus (12,28-31) en Matteüs (22,34-40) vinden we het woord ‘verstand’, maar bij de laatste ontbreekt het woord ‘kracht’. Interessant is dat bij Matteüs en Marcus een andere vraag gesteld wordt dan bij Lucas. Bij Matteüs vraagt een wetgeleerde (Gr.: nomikos) welk gebod groot is, en bij Marcus is het een schriftgeleerde (Gr.: grammateus) die vraagt welk gebod het eerste van alle is. Interessant is eveneens dat in dit grote en eerste gebod (en in het Sjema) niet gevraagd wordt om in God te geloven, maar om Hem lief te hebben. Geloven is vrijblijvend, speelt zich af in je hoofd en niemand hoeft er iets van te merken. Liefhebben is andere koek! Dat vergt overgave, inzet, engagement. Geloven kost niets; liefde kost en geeft alles. In de kerk gaat het niet over geloof, maar over liefde. Bij die liefde tot God is alles betrokken: hart, ziel, kracht en verstand. En dat alles totaal!

In het leven van Jezus is deze totale betrokkenheid uitgedrukt, van zijn leerlingen wordt hetzelfde verwacht. Deze totale betrokkenheid heet in de Schriften dus: eeuwig leven. Dat het verstand (Gr.: dianoia) door alle drie de evangelisten genoemd wordt, betekent in elk geval ook dat de liefde tot God geen sacrificium intellectus vraagt, maar dat je je verstand er juist goed bij moet houden (zie bijv. Lucas 16,8-9 en Matteüs 10,16), zoals het ook maar het beste is bij de aardse liefde je verstand niet te verliezen.

Mijn naaste

En dan staat er als uitsmijter: ‘en je naaste, die aan jou gelijk is’ (Lucas 10,27). Wie die naaste is vertelt Matteüs (25,31-45) ons, en wie ik tot naaste kan zijn vertelt Lucas ons in de aansluitende gelijkenis (Lucas 10,30-37). Goed geantwoord! Ik hoor hier enige ironie. ‘Doe dat!’ Deze liefde moet gedaan worden. God liefhebben is geen abstracte aangelegenheid. ‘En je zult leven’ (Lucas 10,28). Waar deze liefde ontbreekt, regeert de dood (zie Deuteronomium 30,15-20). ‘Hij wilde zich rechtvaardigen’ (Lucas 10,29). Je krijgt de indruk dat de wetgeleerde zich niet helemaal serieus genomen voelt, maar met zijn vraag ‘Wie is dan mijn naaste?’ maakt hij het er natuurlijk niet beter op. Leviticus 19, waaruit hij citeert, is glashelder op dit punt. Jezus zou dus kunnen volstaan met daarnaar te verwijzen, maar in plaats daarvan vertelt Hij een parabel, de misschien wel bekendste en beroemdste van alle: die van de barmhartige Samaritaan. En deze parabel voegt iets beslissends toe: een niet-Jood wordt aan de wetgeleerde ten voorbeeld gehouden, zoals ook gebeurt in Lucas 17,16vv. De ware orthodoxie is de orthopraxie. ‘Je hoeft niet in God te geloven, als je maar doet wat Hij zegt,’ zo luidt een aardig Joods gezegde.

Afdalen

Afdalen van Jeruzalem naar Jericho (Lucas 10,30) betekent de weg van de bevrijding omkeren. Op die terugweg naar Egypte hebben dieven en rovers vrij spel, daar wordt de wet veracht en verkracht. Dat zien we dus gebeuren. Ook de priester en de leviet, bedienaren der wet, worden in deze afdaling tot verraders daarvan. Zij zien en kijken weg (Lucas 10,31-32). Wat is dit toch een actueel verhaal! Dan een Samaritaan, een heiden, godloochenaar. Van hem wordt gezegd dat hij op reis is (Gr.: hodeuoo – Lucas 10,33). Hij is op dé weg, net zo als de man van Psalmen 1 en Psalmen 119: de weg van de wet. Hij ziet en wordt met ontferming bewogen. Het woord dat hier gebruikt wordt, vinden we ook in Lucas 7,13, waar het van Jezus gezegd wordt, en in Lucas 15,20 waar het gezegd wordt van de vader van de doodgewaande zoon. Deze ontferming is overvloedig.

Wie van de drie is de naaste geworden? (Lucas 10,36). Alweer geeft de wetgeleerde het juiste antwoord. Hij definieert: degene die barmhartigheid bewijst is de naaste (Lucas 10,37). Ga heen, zegt Jezus, ga op deze weg. Dat is de weg van de liefde tot God, van het eeuwige leven.

< Terug