< Terug

Genade

Genade is een uiterst belangrijk begrip in de christelijke traditie. Het speelt een voorname rol in het werk van grote namen als Augustinus en Luther en het werd in het verleden ten onrechte vaak gezien als het cruciale verschil tussen het christendom, de ‘religie van genade’, en het jodendom, een wettische religie waarin Gods zegen verdiend zou moet worden. Maar wat verstaan we nu precies onder genade?

Genade mag dan belangrijk zijn binnen de theologie, in het Nederlands van vandaag de dag wordt het woord niet vaak meer gebruikt. Begrijpelijk dus dat de Bijbel in gewone taal het begrip heeft geschrapt. Die keuze is verdedigbaar omdat er goede alternatieven voorhanden zijn. Zo is een van de Griekse woorden die vaak achter ‘genade’ schuilen, charis, niet een specifiek theologisch begrip, maar een veelvoorkomend woord dat onder meer ‘geschenk,’ ‘gift’ en ‘cadeau’ kan betekenen. Bovendien, zo merkt Matthijs de Jong van het Nederlands Bijbelgenootschap terecht op, wordt deze lading eigenlijk niet meer goed gedekt door ‘genade,’ want dat woord gebruiken we tegenwoordig vaak meer in de zin van ‘barmhartigheid’ of ‘vergevingsgezindheid.’ Denk aan uitdrukkingen als ‘iemand in genade aannemen’ of ‘geen genade kennen.’ Met geschenken heeft dat weinig meer van doen.

Wij zijn geneigd om een geschenk te zien als iets waarvoor geen tegenprestatie vereist is.

Genade als geschenk

Charis vertalen als ‘geschenk’ nodigt uit tot verdere reflectie over wat daarmee dan precies bedoeld wordt. Wat betekent het als er in het Nieuwe Testament gezegd wordt dat God charis, ‘een geschenk’ geeft? Net zoals we bij ‘genade’ associaties hebben die niet helemaal passen bij de oorspronkelijke context, zo geldt dat ook voor het woord ‘geschenk.’ Wij zijn geneigd om een geschenk te zien als iets waarvoor geen tegenprestatie vereist is: een cadeau is pas echt een cadeau als er niets tegenover hoeft te staan. Maar in de antieke Grieks-Romeinse wereld (en in heel wat niet-Westerse culturen vandaag de dag) was die verwachting van een tegenprestatie er vaak wel. Uit een gift sprak de bedoeling om een goede verstandhouding met de andere partij te beginnen of te bekrachtigen. De verwachting was dat de gift met een andere gift beantwoord zou worden en op die manier de verbintenis in stand zou worden gehouden. Het geschenk hoefde niet van precies dezelfde aard of waarde te zijn, maar een tegenprestatie in een of andere vorm was desalniettemin wel een morele verplichting.

Matthijs den Dulk is universitair docent Bronteksten jodendom en christendom aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Wat bedoeld wordt met ‘geschenk’ is dus sterk cultureel bepaald. En dat roept des te meer de vraag op wat men nu precies bedoelde als men het had over ‘Gods geschenk’ of ‘Gods genade’ in het vroege christendom. In zijn belangrijke recente boek Paul and the Gift betoogt John Barclay dat we verschillende nuances kunnen onderscheiden in hoe dit begrip door de eeuwen heen gebruikt is in de theologie. Als men het heeft over God als een genadige God dan kan de nadruk liggen op: 1) enormiteit: de overweldigende omvang van de giften die God geeft; 2) singulariteit: Gods karakter als door en door genadig; 3) prioriteit: God geeft zijn gift als eerste, voordat hij iets ontvangen heeft van de mens; 4) incongruentie: God geeft zonder te kijken of de persoon in kwestie het wel waard is; 5) effectiviteit: Gods gift is alles wat de mens nodig heeft en zorgt voor de juiste reactie bij mensen; 6) non-circulariteit: God geeft zonder iets terug te verwachten.

Genade in joodse literatuur uit de oudheid

Vervolgens laat Barclay zien dat teksten uit het jodendom van rond de eerste eeuw de nadruk op verschillende van deze punten leggen. Vrijwel overal komen we het idee tegen dat Gods gaven overvloedig zijn (1), maar op andere punten is er sprake van onderlinge verschillen. Sommige teksten beschrijven God als enkel en alleen genadig (2), maar andere zien dit als slechts één dimensie van zijn karakter. Soms ligt de nadruk op de prioriteit van Gods gift (3), maar dit is lang niet altijd het geval. Sterker nog, soms lijkt Gods gift een reactie te zijn op rechtvaardig handelen door de mens, terwijl andere teksten juist benadrukken dat God zijn gaven geeft aan mensen die het niet verdienen (4). Volgens sommige auteurs is Gods genade niet het enige dat de mens nodig heeft, maar is er ook onafhankelijk handelen van de mens vereist, terwijl in andere teksten benadrukt wordt dat genade het enige is dat telt (5). Belangrijk is dat het idee dat God geeft zonder iets terug te verwachten (6) nergens lijkt voor te komen in joodse teksten uit deze periode. Dat is eigenlijk ook niet zo heel verrassend omdat, zoals we al zagen, in de Grieks-Romeinse wereld in zijn geheel (jodendom incluis) een geschenk gegeven werd in de verwachting dat er iets voor terug zou komen.

Het is duidelijk dat er in joodse literatuur van rond het begin van de jaartelling veelvuldig over genade gesproken werd. Het is zeker niet het geval dat het jodendom een genade-loze religie was in tegenstelling tot het vroege christendom. Het gaat in joodse teksten continu over genade, maar genade wordt niet altijd op dezelfde manier besproken, zoals Barclay laat zien. Over diverse facetten van genade bestond verschil van inzicht.

Paulus en andere joden

Paulus is, als jood, deelnemer in deze joodse ‘discussie’ over genade. Op sommige punten is hij het roerend eens met zijn tijdgenoten. Paulus wekt bijvoorbeeld nergens de suggestie dat God niets terugverwacht voor zijn goede gaven. Hij verwacht pistis (geloof of vertrouwen) en een daarbij passende levenswijze als antwoord op Gods genade. Voor ons lijkt het misschien vreemd dat er een tegenprestatie moet komen voor een geschenk, maar zoals we al zagen was dit in de oudheid heel gebruikelijk.

Paulus benadrukt dat God zijn genade schonk aan mensen die het niet verdienden.

Op andere punten verschilt Paulus echter van andere joodse denkers. Dat is met name het geval op het punt van de incongruentie van genade: geeft God zijn gaven aan hen die het verdienen of is het juist een onverdiend geschenk? Wij zien genade vaak als iets onverdiends, maar de dominante idee in de oudheid was dat God zijn genade gaf aan mensen die het juist wel verdienden. En dat is ook begrijpelijk: als God goed is dan moet hij ook redelijk en fair zijn en zijn gaven niet zomaar aan om het even wie toekennen. Dat God zijn grootste en mooiste geschenken zou geven aan mensen die dit volstrekt niet verdienden ligt niet voor de hand. Mensen die rechtvaardig leven hebben weliswaar geen absoluut recht op enig geschenk van God (want anders zou het geen geschenk meer zijn), maar zij voldoen wel aan de voorwaarden om een gift van God te kunnen ontvangen. God hóéft hun niets te geven, maar als hij besluit iets te geven dan zijn zij degenen die redelijkerwijs in aanmerking komen, zo redeneerden velen in de oudheid.

Paulus ziet dit anders. Hij benadrukt, meer dan veel andere joden, dat God zijn genade schonk aan mensen die het niet verdienden. Voor Paulus wordt die genade natuurlijk primair zichtbaar in de persoon van Christus. Hij is Gods Geschenk met een hoofdletter. En dat Geschenk werd gegeven juist aan mensen die het niet verdienden, zo blijkt onder meer uit de Galatenbrief. Alhoewel Paulus ‘de joodse wetten heel wat strikter’ naleefde dan anderen (Galaten 1,14) was dit niet de reden dat God hem het geschenk van de ‘openbaring van zijn zoon’ (1,16) schonk. God gaf hem deze gift ondanks dat hij de christelijke gemeenschap vervolgde (1,13). En belangrijker nog: God bleek ook genereus te zijn jegens andere mensen die het volstrekt niet verdienden: niet-joden, mensen die van nature zondaars waren (vgl. 2,15).

Genade als een onverdiend geschenk

Doordat Paulus de nadruk sterk op het aspect van ‘het onverdiende’ legt zijn we dit in het westen als een sine qua non van genade gaan beschouwen, als een onderdeel van de definitie van het begrip: ware genade is onverdiende genade. Oorspronkelijk was dit niet het geval en kon men zonder problemen over genade spreken ook wanneer de personen die deze gift ontvingen er meer dan anderen voor in aanmerking kwamen. Als we vervolgens met dit moderne, vertekende beeld van ‘onverdiende’ genade naar het jodendom uit de oudheid gaan kijken dan lijkt het alsof er in die traditie nauwelijks van echte genade sprake is. Op die manier ontstond het idee dat christendom en jodendom fundamenteel verschillen van elkaar op dit punt, dat het christendom een religie van genade zou zijn en het jodendom een religie van verdiensten. Deze karikatuur is gelukkig al enkele decennia op zijn retour in de wetenschappelijke discussie, want in joodse literatuur van deze tijd gaat het ontzettend vaak over Gods genade en goedheid. Paulus en andere joden zijn het erover eens dat God heel genadig is, alleen ziet Paulus die genade vooral zichtbaar worden in de persoon van Jezus van Nazareth en legt hij meer dan veel andere joden de nadruk op de incongruentie van Gods genade: God geeft aan hen die het niet verdienen. Dat lijkt misschien een klein punt, maar voor Paulus zette het alles op z’n kop. Paulus had altijd geacht dat zijn joodse achtergrond en het houden van de Thora hem in de juiste positie brachten om Gods goede gaven te mogen ontvangen. Maar God bleek nu zijn mooiste Geschenk juist te geven aan niet-joden die de Thora niet eens kenden. In de Galaten-en Romeinenbrief zien we hoe Paulus de implicaties van die totaal onverwachte ervaring theologisch probeert uit te werken.

Literatuur

• John M.G. Barclay, Paul and the Gift (Grand Rapids; Cambridge: Eerdmans, 2015).

• Zie ook de volgende link:

Ga naar: “Genade!” http://bijbelingewonetaal. nl/actueel/blogs/item/ genade

< Terug