< Terug

Jezus, geboren en gestorven – en zijn leven dan?

In de Apostolische Geloofsbelijdenis belijden we God de Vader, Jezus de Zoon en de heilige Geest. Het lijkt daar of alleen het begin en het einde van zijn leven van belang zijn. Maar Jezus heeft toch meer betekend dan dat alleen? Waarom gaat het daar dan niet over?

In protestantse kerkgenootschappen heeft de Apostolische Geloofsbelijdenis vanouds een nogal prominente plaats gekregen. Daarin stond immers in het kort – meende men – wat de kerk geloofde. Die belijdenis werd gezongen of gezegd bij de doop en het avondmaal. In een middagof avonddienst klonk die tekst regelmatig na de preek. In orthodoxe gemeenten wordt de Apostolische Geloofsbelijdenis nog steeds op de traditionele manier in ere gehouden. Daarentegen is het gebruik ervan in veel andere gemeenten enigszins of geheel in onbruik geraakt. Allerlei kerkleden voelen zich namelijk wat ongemakkelijk bij die belijdenis.

Jezus’ onderricht en wonderen ontbreken

Eén van de bezwaren is dat de Apostolische Geloofsbelijdenis geen aandacht schenkt aan het optreden van Jezus. Na de belijdenis van het geloof in God de Vader gaat de tekst verder met:

(Ik geloof) in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onze Heer, die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria, die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven ….

Was alles wat Jezus heeft gezegd en gedaan dan niet belangrijk?

Er zijn kerkleden die al bezwaar hebben tegen dat ‘geboren uit de maagd Maria’. Kan immers een maagd wel een kind voortbrengen? Maar daarover hebben we het nu niet. Het gaat hier om de vreemde sprong van Jezus’ geboorte naar zijn lijden en dood aan het kruis. Was alles wat Jezus heeft gezegd en gedaan dan niet belangrijk? Veel gelovigen putten dááruit nu juist hun inspiratie! Bijvoorbeeld uit de Zaligsprekingen aan het begin van de Bergrede en uit de Bergrede als geheel (Matteüs 5-7). Uit Jezus’ gesprekken met mensen die Hem benaderen, zijn gelijkenissen, zijn wonderen. Waarom wordt dat in de Apostolische Geloofsbelijdenis allemaal overgeslagen? Dat is een goede en herkenbare vraag.

Om die vraag te beantwoorden, moeten we eerst teruggaan in de tijd. Dan rijzen er meer vragen. Wanneer is die belijdenis ontstaan? Waarop is die gebaseerd? Wat is de reden van die beknoptheid? En: gebruiken protestanten die belijdenis wel waarvoor die is bedoeld? Moeten wij ons nog steeds aan die oude tekst houden, ook als die nu bevreemding wekt? En wat is dan de betekenis van Jezus’ menswording, zijn leven als mens onder de mensen? Op deze vragen wil ik in dit artikel ingaan.

In zijn brieven verwijst Paulus vrijwel nooit naar Jezus’ optreden

Van de apostelen?

Eerst moet ik een mogelijk misverstand uit de weg ruimen. De benaming ‘Apostolische Geloofsbelijdenis’ suggereert dat die teruggaat op de apostelen. We kunnen dan bijvoorbeeld denken aan Petrus, Johannes, Jakobus en Paulus. Toch hebben zij die geloofsbelijdenis niet geschreven. Hadden ze dat wel gedaan, dan zou die tekst in het Nieuwe Testament staan; en dat is niet zo. Die geloofsbelijdenis stamt uit de vierde eeuw van onze jaartelling. Vermoedelijk is die in Rome ontstaan. Wel werd toen soms beweerd dat de twaalf apostelen gezamenlijk die belijdenis hadden opgesteld. Maar dat is duidelijk een legende. In ieder geval meende men dat die belijdenis met het geloof van de apostelen overeenstemde. Dat klopt wel min of meer.

De apostel Paulus

Om de beknoptheid van de Apostolische Geloofsbelijdenis te begrijpen, is de apostel Paulus van belang. In zijn brieven staan soms korte, belijdenisachtige teksten. In Galaten 4:4-5 schrijft hij: ‘God zond zijn Zoon, geboren uit een vrouw en onderworpen aan de wet, om ons, die aan de wet onderworpen waren, vrij te kopen.’ Met dat vrijkopen doelt Paulus op Jezus’ dood, die een verlossende (vrijkopende) werking had.

Zo direct ga ik kort daarop in; nu wijs ik op die sprong van Jezus’ geboorte naar zijn dood. Daartussen staat alleen dat Jezus leefde onder de wet, namelijk de wet van Mozes. Paulus bedoelde dat christenen niet volgens alle voorschriften van die oude wet hoefden te leven. Jezus had hen daarvan immers vrijgemaakt. Paradoxaal heeft Paulus het even later over ‘de wet van Christus.’ Die wordt gekenmerkt door zachtmoedigheid, solidariteit, bescheidenheid en zelf verantwoording nemen (Galaten 6:1-5). 1 Korintiërs 15:3-4 bevat een andere frappante passage van Paulus. Hij schrijft daar:

Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, dat Hij is begraven, dat Hij op de derde dag is opgewekt …

Bij dat ‘belangrijkste’ vermeldt Paulus niet Jezus’ leven, onderricht en daden! In zijn brieven verwijst Paulus zelfs vrijwel nooit naar Jezus’ optreden. Hij citeert alleen diens aansporing om Hem in een maaltijd te blijven gedenken (1 Korintiërs 11:23-25). Desondanks: als Paulus schrijft hoe gelovigen moeten leven, dan strookt dat helemaal met Jezus’ uitspraken. Vergelijk bijvoorbeeld Romeinen 12:9-21 met Matteüs 5 en Lucas 6:20-49. Daar gaat het over het liefhebben van elkaar, ook van je vijand, over geen wraak nemen, vrede stichten, bidden, enzovoorts.

Waarom stonden dan voor Paulus Jezus’ dood en opstanding uit de dood zo centraal? Omdat Jezus met zijn dood en opstanding heeft laten zien dat Hij sterker is dan de dood en duivelse machten en andere goden. In principe was ieder die in Jezus Christus geloofde van de invloed van die kwade machten verlost. Daarvoor hoefde je niet meer bang te zijn. Daarom kon je je in leven en sterven gerust aan Christus toevertrouwen.

Bovendien zag Paulus Jezus’ dood als een zoenoffer voor al wie in Hem geloofde. Dat bracht je weer in het reine met God, met wie je vroeger onvoldoende rekening hield. In wezen gold die verzoening met God voor alle mensen. Gedreven door dat evangelie spande Paulus zich enorm in om dat bekend te maken (zie 2 Korintiërs 5:14-21).

Meer en meer dopelingen

In de tweede eeuw kwamen meer en meer mensen tot geloof in Jezus Christus als Verlosser en Heer. Ook uit die tijd zijn korte typeringen van het christelijk geloof overgeleverd. Ook die gaan van Jezus’ geboorte direct over op zijn kruisiging en opstanding. Tegelijk werden Jezus’ aanwijzingen voor een gelovig en liefdevol leven uiterst belangrijk gevonden. Maar die kwamen niet in die korte samenvattingen te staan. Daarover bestond immers geen onenigheid of discussie.

Wie tot een christelijke gemeente wilde toetreden, kon na onderwijs en toetsing worden gedoopt. De doop vond plaats in de naam van God de Vader, Gods Zoon Jezus Christus, en de Heilige Geest (vgl. Matteüs 28:19). De doopvragen betroffen dan ook het geloof in God de Vader, Jezus Christus en de Heilige Geest. Wie gedoopt werd, ontving die Geest om door zijn kracht een ander, heilig leven te leiden. Door die Geest kon je Jezus navolgen. Maar wat die navolging van Jezus concreet inhield, stond niet in de doopvragen.

In principe was ieder die in Jezus Christus geloofde van de invloed van kwade machten verlost

Een doopbelijdenis

De Apostolische Geloofsbelijdenis van de vierde eeuw is uit die oude doopvragen ontstaan. Onderscheidend voor christenen was hun geloof in God de Vader, zijn unieke Zoon, Jezus Christus de Verlosser en de Heilige Geest. Dáárnaar werd gevraagd, dát geloof diende de dopeling te belijden. Daarmee namen ze openlijk afscheid van de andere goden en machten waarmee ze geleefd hadden.

De Apostolische Geloofsbelijdenis van de vierde eeuw is uit oude doopvragen ontstaan

Vanaf het begin was de Apostolische Geloofsbelijdenis bedoeld om te gebruiken bij de doop. In de rooms-katholieke kerk is dat nog steeds zo. Overigens, in het oosten, bijvoorbeeld in de oude Griekse, Russische, Armeense, Arabische en Koptische kerken, is de Apostolische Geloofsbelijdenis onbekend. Die kerken gebruiken de geloofsbelijdenis van Nicea en Constantinopel (van 381), die eveneens in het westen bekend is. Ook die gaat trouwens van Jezus’ geboorte en menswording over naar zijn kruisiging. Die kerken beschouwen Jezus’ menswording wel als centraal voor het geloof.

Zij zeggen: door Christus’ menswording zijn God en de mensheid al verzoend. Dát is het grote wonder. Dat de eeuwige Zoon van God ‘voor ons is gekruisigd’, hoort daar evenzeer bij. Wat Jezus tijdens zijn optreden had gezegd en gedaan, kwam daar vroeger in catechese en preken ruimschoots ter sprake. Maar of dat laatste nog gebeurt, verschilt per kerk. In het verleden is dat onderricht daar vaak schromelijk verwaarloosd.

En de protestantse kerken?

In de protestantse kerken is men vergeten dat de Apostolische Geloofsbelijdenis alleen een doopbelijdenis is. Het is wel gepast om die belijdenis te gebruiken bij de catechese. Vroeger gebeurde dat (en nog wel) naar aanleiding van de Heidelbergse Catechismus van 1563. Wordt in dat leerboek verder ook aandacht geschonken aan Jezus’ optreden? Komen zijn gesprekken en redevoeringen en wonderen daar aan bod? Nee, amper. Wel wordt het Onze Vader uit de Bergrede daar besproken, om te leren bidden. Ook worden daar de Tien Geboden behandeld, als richtlijnen voor het leven.

Maar of vroeger bijvoorbeeld de hele Bergrede werd behandeld, hing af van wie de catechese gaf. Ik heb de indruk dat het niet vaak gebeurde. In onze tijd is het van belang, die eenzijdigheid van de protestantse traditie te corrigeren. In de evangeliën staan veel krachtige uitspraken van Jezus over hoe we moeten leven. In eigen persoon belichaamde Hij Gods barmhartigheid en liefde.

Ook kon Hij heel streng zijn. Toch gelden zijn uitspraken voor ons niet allemaal rechtstreeks. Zo zei Hij op een bepaald moment: ‘Verkoop je bezittingen en geef het geld aan de armen’ (Lucas 12:33). Maar al Jezus’ scherpe uitspraken over rijkdom, armoede en onrecht moeten wel tot nadenken stemmen. Jezus roept op tot boete en bekering. Zijn kritiek op gehuichel en schijnheiligheid is soms heel actueel. Wat Hij de mensen leerde over zijn hemelse Vader is onovertroffen. Vaak gebruikte Hij daarvoor gelijkenissen. ‘God’ kun je immers niet altijd rechtstreeks in woorden vatten.

De vraag is wel, of de diepe betekenis van Jezus’ dood en opstanding in onze tijd wel voldoende wordt gezien. In sommige gemeenten wel, in andere gemeenten komen die weinig aan bod. Daar gaat het vooral over Jezus als mens onder de mensen. Maar volgens de Bijbel was Hij meer dan dat. Hij was immers Gods Zoon, de Verlosser die voor de mensheid stierf en uit de dood is opgestaan.

Riemer Roukema is als onderzoekshoogleraar Vroeg Christendom verbonden aan de Protestantse Theologische Universiteit, vestiging Groningen.

< Terug