< Terug

Kennen en horen

De stem van de gemeente in de Protestantse Kerk in Nederland

‘De kerkenraad neemt geen besluiten in aangelegenheden die voor het leven van de gemeente van wezenlijk belang zijn, zonder de leden van de gemeente daarin gekend en daarover gehoord te hebben.’, aldus artikel VI-5 van de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN).[1] Het behoort tot de met Romeinse cijfers genummerde basisartikelen van de kerkorde. Tot voor kort kwam de hiermee aangeduide procedure ‘kennen en horen’ in een aantal ordinanties voor, sinds een synodaal besluit van 15 november 2019 is dat niet meer het geval.[2] Gemeenteleden worden nu in de gelegenheid gesteld om in bepaalde situaties hun mening ‘kenbaar te maken’.[3] In dit artikel plaatsen wij deze verandering in een breder kader en schetsen we de gevolgen hiervan voor de stem van de gemeente in de besluitvorming van de kerkenraad. We beginnen met de twee voorlopers van het artikel, een specifieke bepaling in de kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN), alsmede de opbouw van de kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk (NHK), aangezien die bepalend is geweest voor de structuur van de kerkorde van de PKN. Vervolgens bespreken we de uitwerking van het genoemde artikel in de ordinanties van de protestantse kerkorde. Tot slot beoordelen we de wijziging en trekken we enkele conclusies.

De voorlopers

De Gereformeerde Kerken in Nederland

De Gereformeerde Kerken in Nederland besloten op de synode van ’s-Gravenhage van 1949 tot een ingrijpende herziening van de tot dan toe vigerende Dordtse kerkorde.[4] In een eerste schets van de vernieuwde kerkorde die in 1952 aan de synode werd voorgelegd, zijn kerkenraden verplicht de gemeenteleden ‘in belangrijke zaken’ te ‘kennen’. De synode gaf daarop aan degenen die belast waren met de taak de herziening voor te bereiden de aanwijzing dat er ook een artikel moest komen waarin kerkenraden in vergelijkbare zaken verplicht zijn te ‘horen’.[5] In 1955 besloot de synode tot de tekst: ‘In belangrijke zaken, die niet vallen onder het opzicht en de tucht over de gemeente, met name in zaken, waarmede het bestaan zelf van de kerk gemoeid is of haar plaats ten opzichte van het kerkverband in geding is, zal de kerkenraad geen besluiten nemen zonder vooraf de gemeente er in gekend en er over gehoord te hebben.’[6] In een volgend stadium gingen stemmen op om in zaken ‘waarmede het bestaan zelf van de kerk of haar plaats in het kerkverband in geding is’ de kerkenraad bovendien te verplichten een maand te wachten met de uitvoering van het besluit, zodat gemeenteleden desgewenst in appel zouden kunnen gaan.[7] De bepaling hieromtrent stond weliswaar in de herziene kerkorde die per 1 januari 1959 van kracht werd, maar werd nog in hetzelfde jaar geschrapt. De tekst van artikel 40 luidt sindsdien: ‘In belangrijke zaken, die niet vallen onder het opzicht over en de tucht in de gemeente, met name in zaken, waarmede het bestaan zelf van de kerk of haar plaats in het kerkverband gemoeid kan zijn, zal de kerkenraad geen besluiten nemen zonder vooraf de gemeente erin gekend en erover gehoord te hebben.’[8] Een latere vernummering en de toevoeging van een lid over de situatie waarin wijkkerkenraden bestaan, kan hier verder buiten beschouwing blijven.

D. Nauta heeft een uitvoerig commentaar geschreven op de herziene kerkorde van de GKN. Hij was bij de ontwikkeling ervan nauw betrokken. Het ontstaan van het onderhavige artikel zoekt hij in ervaringen die gedurende kerkelijke conflicten in de GKN waren opgedaan.[9] Strikt genomen doelt hij hiermee op zowel de kwestie-Geelkerken (1926) als de Vrijmaking (1944), maar vooral de Vrijmaking heeft diep in het gereformeerde kerkelijk leven ingegrepen.[10] Nauta was hier vanwege zijn kerkrechtelijke deskundigheid nauw bij betrokken.[11] Hij verhaalt dat het voorkwam dat kerkenraden bepaalde ingrijpende beslissingen namen zonder dat zij de gemeenten daarvoor raadpleegden. Het gebeurde zelfs wel dat zij dergelijke beslissingen namen terwijl de meerderheid van de gemeenteleden het daar niet mee eens was. Het hielp in zulke gevallen niets dat de gemeenteleden naderhand in verzet kwamen: zij konden daarvoor geen rechtsgrond aan de kerkorde ontlenen. Volgens Nauta bedoelt het nieuwe artikel in die onaanvaardbaar geachte toestand enigermate te voorzien. Daar is niet mee gezegd dat altijd een afdoende oplossing voor kwesties die in het geding waren, bereikt werd. De kerkenraad bleef de laatste beslissingsbevoegdheid houden. Hoe dat ook zij: de nieuwe bepalingen betekenen een grote verbetering, aldus Nauta: ‘Hier wordt aan de rechtmatige invloed der gemeente meer ruimte geboden dan zij onder vigeur van de oude kerkorde ooit heeft bezeten.’[12]

Bij de terminologie van artikel 40 zijn verschillende vragen te stellen. De eerste is: wat zijn ‘belangrijke zaken’? Het artikel geeft zelf enkele saillante voorbeelden: als ‘het bestaan zelf van de kerk of haar plaats in het kerkverband’ in het geding is. Maar wat is verder belangrijk? De tweede vraag is: wat wordt precies verstaan onder het voorschrift de gemeente ergens in te kennen en over te horen? De kerkenraad kan dat op minimale wijze doen door middel van een mondelinge of schriftelijke mededeling, waarna men de gelegenheid kan bieden om bezwaren kenbaar te maken. Nauta stelt: ‘Bedoeld kan zijn niet anders dan een uitvoerige informatie en een diepgaand overleg. De gemeente moet gelegenheid ontvangen om zich grondig uit te spreken. En de kerkenraad moet volle bereidheid aan de dag leggen om te luisteren naar en rekening te houden met wat door de gemeente hem wordt voorgelegd aan bedenkingen en raadgevingen.’[13] Hij voegt er voor de goede (kerk)orde wel aan toe: ‘Verder kan het echter niet gaan. Het zou niet juist zijn, te willen verlangen dat de uiteindelijke beslissing geheel in handen van de gemeente wordt gelegd. Een dergelijke zienswijze past niet in het kader van de verhouding van kerkenraad en gemeente, gelijk deze in de huidige kerkorde wordt voorgestaan.’ Artikel 40 staat met het kennen en horen aan de basis van een tendens die in de loop der jaren steeds krachtiger in de kerkorde van de GKN naar voren komt. Dit wordt in het bijzonder zichtbaar in een bepaling uit 1985, waarvan de eerste zin luidt: ‘Alle leden van de gemeente hebben de taak om hun gaven aan te wenden tot de vervulling van de opdracht die Christus aan zijn gemeente geeft.’[14] Dit vormt vervolgens de opmaat voor regelgeving in de GKN waarin een kerkenraad een deel van zijn taken kan toevertrouwen aan werkgroepen met gemeenteleden.[15]

De Nederlandse Hervormde Kerk

In de PKN krijgen de gereformeerde bepalingen over de inbreng van de gemeente een plaats in een kerkorde waarvan de structuur van de hervormde kerkorde van 1951 zoals die in het bijzonder in de zogenaamde Romeinse artikelen was uitgewerkt, als beginpunt en hoofdlijn moest gelden.[16] Waar in de GKN de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk een sterk accent had, kreeg de kerk in de NHK gestalte op de verschillende plaatsen en niveaus van de organisatie, steeds op een eigen wijze, maar onlosmakelijk verbonden met de andere plaatsen en niveaus. De hervormde kerkorde geeft in artikel V-1 aan dat ‘de regering der Kerk’ uitgeoefend wordt in vergaderingen waarin de ambten (predikant, ouderling en diaken) bijeen zijn (vgl. ordinantie 1).[17] Plaatselijk is dat de kerkenraad. Een artikel over het vooraf peilen van de gemeente of het nadien verantwoording afleggen over gemaakte keuzes ontbreekt, al is de gemeente in tal van bepalingen nadrukkelijk in beeld.[18] Dat wordt in het bijzonder concreet in de per 1 januari 1992 ingevoerde verplichting om vijfjaarlijks een beleidsplan vast te stellen.[19] Indertijd is in de generale synode overwogen om voor te schrijven dat het plan met de gemeente in een gemeentevergadering besproken diende te worden, maar daarvoor is uiteindelijk geen dwingende bepaling opgenomen.[20] Er is toen wel uitgesproken dat het zeer aan te bevelen is op die wijze de gemeente in haar geheel bij het beleid te betrekken. P. van den Heuvel verzet zich er echter nadrukkelijk tegen dat de kerkenraad gebonden zou kunnen worden door besluiten van de gemeentevergadering.[21] Daarmee zou de eigen ambtelijke verantwoordelijkheid van de kerkenraad te veel worden ondergraven. De kerkenraad dreigt dan een commissie te worden, die de wil van de meerderheid van de aanwezigen in een gemeentevergadering zou moeten uitvoeren.

Van het begin af aan is kritiek uitgeoefend op de sterke nadruk in de hervormde kerkorde op de kerkelijke vergaderingen. H. Oostenbrink-Evers merkt daarover in een uit 2001 daterend boek waarin dat systeem uitvoerig geëvalueerd werd, op dat die ontwikkeling zich nadien nog verder heeft doorgezet: ‘Gevraagd wordt om een eigen plaats en taak van de gemeente náást de kerkenraad, voor een eigen taak van gemeenteleden in gemeente en samenleving. De toenemende invloed van het congregationalistisch denken hangt wellicht samen met een groeiende mondigheid van de burger in Nederland en een behoefte aan democratisering binnen de kerk.’[22] De invloed van het congregationalistische denken heeft in de Nederlandse Hervormde Kerk niet geleid tot fundamentele herziening van de kerkorde in congregationalistische zin, hoewel daar wel voor gepleit is. Iemand die dat gedaan heeft, was een van de direct betrokkenen bij het Samen op Wegproces, G.D.J. Dingemans. Zijn visie was, dat de gemeenteleden samen subject van het kerkelijk leven zijn.[23] Hier moet gememoreerd worden dat hij voorzitter is geweest van de werkgroep Toekomstige Vormgeving van de Raad van Deputaten Samen op Weg, die aan het einde van in de jaren ’80 twee schetsen leverde voor de kerken die zich zouden herenigen. Het structuurplan van deze werkgroep, die pleitte voor een groeiproces van vernieuwing, haalde het niet. Dat bleef niet zonder gevolgen. In 1989 schreven zeven leden, onder wie Dingemans, dat ze geen verantwoordelijkheid meer voor het Samen op Weg-proces wilden dragen. Een verwijt was, dat door de moderamina van de generale synoden op een veel stringentere binding aan de hervormde kerkorde aangestuurd werd dan eerder was aangegeven.

In 2001 verwoordde Dingemans zijn visie dat de gemeenteleden samen subject van het kerkelijk leven zijn, nog een keer.[24] Opnieuw pleit hij voor een grondige vernieuwing van het presbyteriaal-synodale stelsel, en wel door die aan te passen aan ‘de huidige bestuurscultuur’. Hij moet evenwel vaststellen dat het ontwerp voor de kerkorde van de Samen op Weg-kerken in grote lijnen een kopie van de hervormde kerkorde van 1951 is. Het komt onvoldoende tegemoet aan zijn bezwaren en het zoekt niet genoeg aansluiting bij zijn idealen. Niettemin zal in het vervolg blijken dat via de GKN toch een aantal congregationalistisch aandoende elementen in de kerkorde van de PKN zijn terechtgekomen.

De Protestantse Kerk in Nederland

De kerkorde van 2004

In de inleiding citeerden we de bepaling uit de protestantse kerkorde die het uitgangspunt vormt voor dit artikel, de regel voor het kennen en horen van de gemeente. Ook citeerden we uit de regelgeving van de GKN het daaronder liggende uitgangspunt over de taak van alle gemeenteleden. In de protestantse kerkorde luidt die: ‘Alle leden van de gemeente zijn geroepen en gerechtigd hun gaven aan te wenden tot vervulling van de opdracht die Christus aan de gemeente geeft.’[25] Bij beide fundamentele bepalingen heeft van het begin af aan buiten kijf gestaan dat het niet de gemeente, maar de kerkenraad is die de besluiten neemt.

De regel voor het kennen en horen is al in een vroeg stadium van het Samen op Weg-proces in zicht gekomen als een mogelijke bouwsteen voor een nieuwe kerkorde.[26] Op een enkele redactionele wijziging na, is de tekst van de ontwerp-kerkorde uit 1992 de definitieve tekst geworden.[27] In de beknopte toelichting bij de ontwerptekst wordt er in één zin aan gerefereerd: gemeenteleden ‘kunnen meespreken over het te voeren beleid in het gemeenteberaad.’[28] Wijzigingsvoorstellen van met name hervormde zijde om het artikel om te zetten in een kan-bepaling en te beperken tot de belijdende leden leidden niet tot wijzigingen.[29] Kerkenraden zouden bij een kan-bepaling niet verplicht zijn de gemeente te kennen en te horen. Deze wijziging wordt afgewezen, maar blijkens de reactie ter synode kan plaatselijk wel het kennen en horen beperkt worden tot belijdende leden.

We bespreken hier eerst de directe uitwerking van het Romeinse basisartikel VI-5 in ordinantie 4-8-7 over het kennen en horen. Daarna gaan we in op twee verwante verplichtingen.

Ordinantie 4-8-7 geeft aan in welke gevallen de kerkenraad de gemeente moet kennen en horen: onder andere het beantwoorden van de doopvragen door doopleden, het toelaten van doopleden tot het avondmaal, maar ook zaken als de aanduiding en de naam van de gemeente, het voortbestaan van de gemeente en de plaats van samenkomst van de gemeente. De uitgave Toelichtingen bij de ontwerp-ordinanties typeert deze als ‘aangelegenheden die rechtstreeks te maken hebben met de vraag op welke wijze de gemeente gemeente van Christus wil zijn met inbegrip van het zelfstandig voortbestaan van de gemeente zelf.’[30] De kerkorde geeft aan dat de wijze waarop gekend en gehoord wordt, in de plaatselijke regeling voor de wijze van werken van de kerkenraad moet worden vastgelegd.[31] Dit is vormvrij, al geeft de term ‘overleggen’ in de wordingsgeschiedenis van de ordinantiebepaling wel een zekere richting en beperking.[32] Dat betekent onder meer, zo blijkt later, dat de kerkenraad ‘ook zijn eigen afwegingen aan de gemeente moet bekend maken’.[33] Omgekeerd is het zaak dat de kerkenraad in zijn besluitvorming rekening houdt met wat er in de gemeente leeft.[34] In het verlengde daarvan ligt hetgeen P. van den Heuvel stelt, namelijk dat het ‘voor de hand [ligt] (…) vast te leggen dat in dergelijke gevallen een gemeenteavond moet worden gehouden’.[35] Er is één uitzondering op de vormvrijheid, namelijk als in de desbetreffende ordinantie gemeentelijk beraad is voorgeschreven.[36] Dat betreft sinds het samengaan in de PKN twee aangelegenheden, te weten het toelaten van doopleden aan het avondmaal en het zegenen van andere levensverbintenissen dan een huwelijk van man en vrouw.[37] De synodale verslagen melden daarover: ‘daarin gaat het’, volgens de werkgroep kerkorde, ‘om een gemeenschappelijke bezinning, waarin ook de gevoelens worden gepeild zodat duidelijk wordt welke gevolgen de beslissing van de kerkenraad zal hebben voor de opbouw van de gemeente’.[38] Dit hoeft geen gemeentevergadering te zijn, het mag ook om gesprekken in de gemeente gaan, aldus de commissie van voorbereiding.[39] Voor de wijze van bijeenroepen van een gemeentevergadering worden, althans in de kerkorde, geen nadere voorschriften gegeven.

Het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen (GCBG) heeft gesteld dat het bij de aangelegenheden in ordinantie 4-8-7 een limitatieve opsomming betreft.[40] Dit betekent dat volgens het college een kerkenraad niet verplicht is in andere gevallen dan de hier genoemde de gemeente te kennen en te horen, maar het mag wel.[41] De beschikbare jurisprudentie van het GCBG laat verder zien dat bezwaarmakers met succes een beroep konden doen op de bepaling van het kennen en horen.[42] Het ging hierbij echter niet om de vorm. Het college heeft in een andere zaak wel gesteld dat de kerkenraad bij het kennen en horen ‘de nodige vrijheid toekomt om dit praktisch vorm te geven, mits hij daarbij de vereiste zorgvuldigheid in acht neemt.’[43]

De verplichting tot kennen en horen betrof volgens Van den Heuvel besluiten ‘om in de bestaande gang van zaken wijziging te brengen.’[44] De kerkorde kende in 2004 nog twee andere vormen van inbreng vanuit de gemeente, naast de opsomming in ordinantie 4-8-7. De eerste was, dat gemeenteleden in bepaalde gevallen – alle in ordinantie 2 genoemd – hun ‘oordeel’ kenbaar konden maken.[45] Vergelijking met de situaties van kennen en horen maakt duidelijk dat het meestal gaat om besluiten die de identiteit van een bestaande (wijk)gemeente niet of niet direct raken. Kennen en horen daarentegen is in ordinantie 2 voorgeschreven bij het wijzigen van de aanduiding en de naam van de gemeente, alsmede bij de samenwerking of de vereniging met een andere gemeente. Deze besluiten waren in belangrijke mate gerelateerd aan het verenigingsproces, waarin gemeenten van de verschillende oorspronkelijke denominaties elkaar zochten, samenwerking aangingen en uiteindelijk fuseerden. Een breed draagvlak was in deze processen cruciaal. De besluiten echter waarover gemeenteleden hun oordeel kenbaar moesten kunnen maken, waren van een andere categorie: het vaststellen of wijzigen van gemeentegrenzen, de vorming van een nieuwe (wijk)gemeente, de wijziging van het aantal en de grenzen van wijkgemeenten, het vormen van een combinatie en het instellen van een huisgemeente.[46] Het merkwaardige is evenwel dat enkele zaken waarbij gemeenteleden hun oordeel kenbaar moesten kunnen maken wel degelijk een principieel karakter droegen, namelijk het samenvoegen van gemeenten en, in mindere mate, het samenbrengen in een streekgemeente.[47] Dit zijn zaken die het voortbestaan van de gemeente raken en daarvoor schreef ordinantie 4-8-7 juist kennen en horen voor. Hier conflicteerde de terminologie.

De kerkorde kende als tweede vorm van inbreng vanuit de gemeente de mogelijkheid een mening kenbaar te maken, en wel inzake het beleidsplan, de begroting en de jaarrekening.[48] In de beide laatste gevallen moest de wijze waarop gemeenteleden dit konden doen in de plaatselijke regeling worden vastgelegd, net als de regeling voor kennen en horen. Het mening kenbaar maken was dan ook in de opvatting van de werkgroep die de kerkorde ontwierp gelijk te stellen aan kennen en horen, zo kan althans uit de stukken worden opgemaakt.[49] De overeenkomst tussen de drie gevallen waarin een mening gegeven kon worden, was dat het primair een schriftelijk stuk met verantwoording van het algehele te voeren of gevoerde beleid betrof. Het schriftelijk karakter onderscheidde het van alle andere eerder genoemde situaties, behalve de plaatselijke regelingen. Het woord ‘kennen’ zou hier niet op zijn plaats zijn. Dat was met het stuk als zodanig een gegeven.

Volledigheidshalve zij hier vermeld dat de kerkorde ook tal van bepalingen kende waarin het uitsluitend om horen ging.[50] Dat betrof dan altijd kerkelijke gremia of (betrokken) predikanten, aangezien ‘die geacht mogen worden op de hoogte te zijn’.[51]

De herziene kerkorde ten gevolge van Kerk 2025

In het verlengde van het rapport Kerk 2025: Waar een Woord is, is een weg van januari 2016 en het daarin neergelegde motto ‘back to basics’ heeft een ingrijpende herziening van de kerkorde plaatsgevonden. Voor de thematiek van dit artikel zijn drie besluiten van belang. Over de eerste wijziging, ingegaan per 1 mei 2018, kunnen we kort zijn. Ordinantie 2, over de gemeenten, is grondig van opzet gewijzigd. Voor zover vergelijkbare bepalingen zijn gebleven, is daarin ‘oordeel’ gewijzigd in ‘mening’, aangezien dat volgens het generale college voor de kerkorde (GCKO), die de voorstellen gedaan heeft, ‘minder de suggestie oproept van een beslissende opinie’.[52] Het college zal hierbij gedacht hebben aan gevallen waarbij een kerkelijk lichaam in het uitspreken van een ‘oordeel’ een besluit neemt of een uitspraak doet, al wordt in deze bepalingen in de kerkorde behoudens één uitzondering niet gesproken over ‘oordeel’.[53] Met ingang van dezelfde datum staan in (de vernummerde) ordinantie 4-8-9 bij kennen en horen dezelfde onderwerpen als in de oude ordinantie 4-8-7, met dien verstande dat daaraan zijn toegevoegd de plaatselijke regeling, alsmede de drie gevallen waarin gemeenteleden in de gelegenheid gesteld moeten worden hun mening kenbaar te maken, namelijk beleidsplan, begroting en jaarrekening.[54] In de beide laatste gevallen moest dit gebeuren op de in de plaatselijke regeling voorgeschreven wijze. Dit alles is in feite niet meer dan een herschikking van de onderwerpen die inhoudelijk al onder het regime van kennen en horen vielen, of althans gelet op de wordingsgeschiedenis onder zouden moeten vallen, zij het dat in dit totaaloverzicht enkele besluiten ontbreken.[55]

Veel ingrijpender zijn de aanpassingen van de tweede en derde wijziging, gedaan op basis van het eindrapport van het GCKO.[56] We bespreken eerst de tweede. Alle bepalingen inzake kennen en horen worden in het voorstel omgezet in de verplichting de gemeenteleden de gelegenheid te bieden hun mening kenbaar te maken. Het GCKO verdedigt dit in het aanbiedingsrapport als volgt: ‘In beide gevallen gaat het erom dat de gemeente op de hoogte wordt gesteld van een voorgenomen besluit en uitgenodigd wordt te reageren.’[57]

Vanuit de kerk kwam een aantal kritische reacties. De classis Zuid-Holland-Noord had gesteld dat ‘de mening kenbaar maken’ initiatief van de leden van de gemeente vraagt, in tegenstelling tot ‘kennen en horen’, waarbij immers het initiatief tot informeren bij de betreffende ambtelijke vergadering ligt. De classis Veluwe had opgemerkt dat kennen en horen ‘zwaarder’ is dan de gelegenheid bieden de mening te geven en dat het laatste een grotere mate van vrijblijvendheid kent. Meningen kunnen verzameld worden en collectief terzijde gelegd worden. Kennen en horen vraagt om een inhoudelijke verantwoording en een inhoudelijke reactie op wat vanuit de gemeente dan hoorbaar wordt gemaakt. Er moet immers ‘gehoor’ aan worden gegeven. Het GCKO bestreed het onderscheid: als een kerkenraad gelegenheid moet geven om de mening kenbaar te maken, moet men informeren over de te maken keuzes. In alle gevallen moet de inbreng van de gemeente serieus worden genomen. Maar ‘horen’ betekent niet dat de kerkenraad ‘gehoor’ moet geven. Het is de kerkenraad die uiteindelijk beslist. Uiteraard moet men daarbij afwegen en desgewenst inzichtelijk maken wat men met de inbreng vanuit de gemeente heeft gedaan. Het GCKO merkte bovendien op dat horen niet automatisch betekent dat een gemeentebijeenkomst moet worden gehouden. Ook als de kerkenraad schriftelijke reacties inzamelt en bespreekt, hoort men de gemeente. Het GCKO meende dat ‘er inhoudelijk geen verschil is tussen de termen (ook al is voor sommigen de gevoelswaarde verschillend)’ en handhaafde daarom het eerdere voorstel. De generale synode ging hierin mee, waardoor de terminologie van het kennen en horen uit de ordinanties verdween.[58]

Tot slot de derde wijziging. De bepaling in de nieuw genummerde ordinantie 4-8-6 dat de kerkenraad de wijze waarop men de gemeente kent en hoort in de plaatselijke regeling dient vast te leggen, is vervallen. Het GCKO noemde dit een ‘toegift in het kader van de verlichting van de regeldruk’.[59] Het GCKO onderbouwde dit verder met het argument dat het in veel gevallen niet goed mogelijk is het kennen en horen eenduidig te regelen. Soms is een vergadering niet voldoende, in een ander geval volstaat een schriftelijke reactie aan de scriba. Ook op dit voorstel reageerden enkele classes kritisch. Naar aanleiding daarvan benadrukte het GCKO nog eens dat het vervallen van de verplichting de vorm in de plaatselijke regeling op te nemen, niet het vervallen met zich meebrengt van de verplichting om gestalte te geven aan de bepaling als zodanig. Tegen deze achtergrond wees het GCKO het voorstel van de classis Veluwe dat bij onvoldoende belang een kerkenraad ertoe zou kunnen besluiten af te zien van het mening vragen, af. Wel stelde men met nadruk dat een kerkenraad een ruimere kring kan raadplegen dan de leden die strikt genomen in de bepaling worden genoemd.[60] Net als de tweede wijziging accordeerde de generale synode ook de derde: de tekst in eerste lezing werd in tweede lezing overgenomen.

De uitleg bij artikel VI-5 (voorheen VI-6) en ordinantie 4-8-9 in de Nieuwe toelichting op de kerkorde is in lijn met hetgeen hiervoor al is uiteengezet: het is ‘de kerkenraad (…) die besluiten neemt’, maar ‘L[l]eiding geven gaat niet zonder luisteren naar de inbreng van de gemeente’, waarbij ‘de kerkenraad niet alleen de argumenten [zal] moeten wegen, maar ook [zal] moeten wegen of het besluit door de gemeente gedragen kan worden.’[61] De opsomming in ordinantie 4-8-9 kan echter volgens de auteurs ook minder ingrijpende zaken betreffen. Bij bijvoorbeeld een kleine wijziging in de plaatselijke regeling is een mededeling doen en de mogelijkheid geven daarop te reageren voldoende.[62]

Beoordeling

Het is onmiskenbaar een goede zaak dat de PKN alle kwesties waarover de gemeente geconsulteerd dient te worden, overzichtelijk bij elkaar heeft geplaatst. Het is wel jammer dat dit niet consequent is gebeurd. Enkele kwesties zijn uit het overzicht gelaten. Misverstanden liggen daarmee op de loer. Deze omissie laat zich echter eenvoudig oplossen door ordinantie 4-8-9 andermaal te wijzigen. Ook achten we het op zichzelf genomen alleszins begrijpelijk dat de PKN in de herziening van de ordinanties heeft willen kiezen voor helderheid in de terminologie. We achten het ook niet bezwaarlijk dat een aantal bepalingen uit ordinantie 2 die voor een belangrijk deel van een minder principieel karakter zijn en waarover gemeenteleden hun oordeel konden uitspreken, onder het zwaardere regime zijn gebracht dat voorheen voor kennen en horen gold. We hebben echter onze sterke aarzelingen bij de gekozen terminologie. In de eerste plaats wijzen wij op het wegvallen van het ‘kennen’. Uit hetgeen wij hebben gepresenteerd, zal duidelijk zijn dat een kerkenraad niet eenvoudigweg een voorgenomen besluit aan de gemeente mag voorleggen. Het zal ook de achterliggende overwegingen bekend moeten maken en met de gemeente in gesprek moeten gaan. De verwijzing naar deze plicht ontbreekt nu geheel.

Het voorgaande wordt versterkt door het vervangen van ‘horen’ door ‘mening geven’. Enerzijds is de kerkenraad het gremium dat hoort, hetgeen wij in het kader van ons presbyteriaal-synodale stelsel principieel juist achten. De kerkenraad is ook de handelende bij het in de gelegenheid stellen een mening te geven. Toch is het aanzienlijk zwakker dan ‘horen’. Want anderzijds brengt juist het actieve horen de grote opgave met zich mee om hetgeen de gemeente naar voren brengt, serieus te nemen. Sterker nog, dat behoort wezenlijk tot de betekenis en het karakter van het in het Romeinse basisartikel bedoelde ‘horen’. Van Dale geeft in dit verband als betekenissen: ‘aandachtig aanhoren en kennisnemen van hetgeen iem. meedeelt teneinde op grond daarvan een beslissing te kunnen nemen’. Als voorbeelden noemt het woordenboek dat een rechter beide partijen moet horen en dat ‘de Raad van State horen’ ‘zijn advies inwinnen’ betekent.[63] Het GCKO mag in zijn toelichting hebben aangegeven dat het om hetzelfde gaat, op den duur zal mede worden afgegaan op de connotatie van de woorden als zodanig. In de nieuwe formulering ligt het accent op degene die de mening geeft. ‘Mening’ is bovendien in het hedendaags spraakgebruik zwak: ieder mag zijn mening hebben.

Het gevolg van het feit dat de wijze waarop de gemeente moet worden uitgenodigd haar mening te geven uit de plaatselijke regeling is gehaald, heeft ook gevolgen voor de kerkelijke rechtspraak waarin criteria met betrekking tot de procedure de hoofdrol spelen. Belanghebbenden kunnen zich in voorkomende gevallen niet meer beroepen op het feit dat de kerkenraad in dit opzicht heeft gehandeld in strijd met bepalingen in de plaatselijke regeling.[64]

In de bundel Religieus leiderschap in post-christelijk Nederland geven Hélène Evers, Leo Koffeman en Wim van der Schee aan dat in de PKN een verschuiving plaatsvindt van direct uitvoerend naar strategisch leidinggeven. Ze wijzen in dat verband onder meer op de verplichting om, zeker bij zaken die van strategisch belang zijn, de gemeente te raadplegen.[65] Ook wij achten het, in het kader van checks en balances, noodzakelijk dat in het bestuur van de PKN bij de geconstateerde verschuiving, de rol van de gemeente in beeld blijft en zo mogelijk nog wordt versterkt. We menen dat dit juist in een tijd waarin het presbyteriaal-synodale stelsel onder druk staat, aandacht verdient. We zien onze opvatting ondersteund in een bijdrage van Stefan Paas en Joke van Saane in dezelfde bundel.[66] Zij stellen vast dat postmoderne ontwikkelingen de traditionele autoriteit van instituten en gezagsdragers ondermijnen. Dat betekent voor religieus leiderschap niet alleen dat het persoonlijk, authentiek, enzovoorts moet zijn, maar ook dat mensen voor beslissingen gewonnen moeten worden. De auteurs spreken in dat verband in contrast met een ‘koele analyse’ door kerkleiders over ‘een diepere aanvaarding’ door het geheel van de gemeenschap.[67]

Een andere invalshoek, met een vergelijkbare conclusie, is die van Kerk 2025. Het basisrapport Waar een Woord is, is een weg pleit voor het terugdringen van het aantal regels ‘die niet direct dienstbaar zijn aan evangelieverkondiging, diaconaat en de zending in de wereld.’[68] De regels die tot voor kort uitvoering gaven aan het kennen en horen van art. VI waren dat nu net wel. Wij vinden dat die met de recente wijziging verzwakt en uitgehold zijn. B.A.M. Luttikhuis heeft ooit ‘gemeenteopbouw’ de basis onder de kerkorde van de PKN genoemd.[69] Hij wees daarbij op het feit dat deze gemeenteopbouw de facto niet naar binnen, maar naar buiten is gericht. Wie naar de huidige regels ten aanzien van het consulteren van de gemeente kijkt, moet tot de conclusie komen dat die zich sterk op het eigen functioneren van de gemeente richten. Juist in het kader van de Kerk 2025 dringen zich nieuwe keuzes op. Het is aan te bevelen dat een kerkenraad de gemeente daarover kent en hoort. Kennen en horen kan een nieuwe betekenis en een nieuwe glans krijgen als de kerkorde ook daarvoor verplichtende kaders schept.

Noten

[1] Kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland. Inclusief ordinanties, overgangsbepalingen generale regelingen, Utrecht: KokBoekencentrum, 2019 (= PKO 2019), art. VI-5. Deze versie bijgewerkt tot 1 juli 2019. De wijzigingen waar het in dit artikel om gaat, zijn steeds in een noot aangeduid met ‘eerste lezing’. Per 15 november 2019 is deze lezing definitief geworden.

[2] Alleen in ord. 2-8-2 is het ‘horen’ nog te vinden: het breed moderamen van de classicale vergadering kan tot vorming van een nieuwe gemeente besluiten ‘nadat de betrokken kerkenraden en gemeenteleden gehoord zijn’ (PKO 2019). Dit lijkt over het hoofd gezien te zijn, mogelijk omdat het dezelfde bijzin ook over kerkenraden gaat (vgl. noot 49 en de hoofdtekst daar).

[3] Zie de par. ‘De Protestantse Kerk in Nederland’ in dit artikel.

[4] D. Nauta, Verklaring van de kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, Kampen: Kok, 1971 (= Nauta 1971), 33v.

[5] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken, 1952-1953, art. 252 (vgl. bijl. XLVII).

[6] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken, 1955-1956, art. 365. Ten opzichte van het Rapport van de Deputaten voor de Herziening van de Kerkorde (…) Augustus 1955 vallen in een vergelijking met het daar met ‘44’ genummerde artikel twee verschillen op. Het eerste betreft het schrappen van ‘ook’ in ‘met name ook in zaken’. Dit zwakt de toepasselijkheid van het artikel af. Het tweede verschil leidt juist tot uitbreiding van de toepasselijkheid. De tekst in het Rapport luidt namelijk: ‘het bestaan zelf van de kerk gemoeid is en haar plaats ten opzichte van het kerkverband in het geding is’ (curs. auteurs).

[7] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken, 1957-1958, art. 474 (vgl. art. 445 en bijl. LXXVIIIa en b).

[8] Tweede officieuze uitgave van de herziene kerkorde (bijgewerkt naar de besluiten van de synode van Utrecht, september 1959) [gestencild]. In vergelijking met de versie 1955 valt met name op dat ‘in geding is’ vervangen is door ‘gemoeid kan zijn’. Dat breidt de toepasselijkheid uit. Zie ook noot 6.

[9] Nauta 1971, 174.

[10] Dit komt pregnant tot uiting in de uitbreiding van het artikel in 1957-58, ingegeven door processen over de kerkelijke goederen die tot ver in de jaren vijftig hun beslag hadden. Het hoofdargument tegen de uitbreiding lag in het gezag dat met name de classis zou krijgen. Onenigheid op dit punt had nu juist tot de breuk van 1944 geleid.

[11] Biografisch Lexicon voor de Geschiedenis van het Nederlands Protestantisme 6, Kampen: Kok, 2006, 204-206.

[12] Nauta 1971, 174.

[13] Nauta 1971, 175.

[14] Acta Gen. Syn. Geref. Kerken, 1985, 81 (art. 62). Het betreft kerkordeartikel 67. Vgl. L.C. van Drimmelen, ‘Het beste van de gereformeerde traditie’, in: L.C. van Drimmelen, Een troon voor het Woord, Heerenveen: Protestantse Pers, 2007, 100.

[15] Vgl. Klaas-Willem de Jong en Marcel Zijlstra, ‘Delegatie? De verhouding tussen kerkenraad en werkgroepen in de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland’, NTKR Tijdschrift voor Recht en Religie 2019-2, 187-204.

[16] Barend Wallet, Samen op Weg naar de Protestantse Kerk in Nederland. Het verhaal achter de vereniging, Zoetermeer: Boekencentrum, 2005 (= Wallet 2005), 133; Hanna Ploeg-Bouwman, Bewoonde herinnering. Een learning history van het Samen-op-Weg-proces, Utrecht: Eburon, 2019 (= Ploeg-Bouwman 2019), 159.

[17] Kerkorde der Nederlandse Hervormde Kerk, ’s-Gravenhage: Boekencentrum, januari 1951.

[18] P. van den Heuvel, De hervormde kerkorde. Een praktische toelichting, Zoetermeer: Boekencentrum, 1991 (= Van den Heuvel 1991), 44-47.

[19] Van den Heuvel 1991, 107v.

[20] Hand. Syn. Herv. Kerk, juni 1980, 25-28 (pagina-aanduiding in de digitaal geraadpleegde versie (zie noot 27)).

[21] Van den Heuvel 1991, 108.

[22] H. Oostenbrink-Evers, ‘Het ambt in de kerkorde’, in: W. Balke, A. van de Beek en J.D.Th. Wassenaar (red.), De kerk op orde? Vijftig jaar hervormd leven met de kerkorde van 1951, Zoetermeer: Boekencentrum, 2001 (= Balke e.a. 2001), 60.

[23] G.D.J. Dingemans, Een huis om in te wonen. Schetsen en bouwstenen voor een Kerk en een Kerkorde van de toekomst, ’s-Gravenhage: Boekencentrum, 1987.

[24] G.D.J. Dingemans, ‘Het presbyteriaal-synodale kerkrecht: van voorsprong tot achterstand’, in: Balke e.a. 2001, 30-41.

[25] PKO 2019, art. IV-2.

[26] Vergelijkende studie van de kerkorden van de Gereformeerde Kerken in Nederland en van de Nederlandse Hervormde Kerk [1978] [gestencild], 54v (vgl. 51).

[27] Na ‘aangelegenheden’ stond in de ontwerptekst een komma (Gezamenlijke vergadering van de (Generale) Synoden van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden (verder: Triosynode, aangevuld met de maand en het jaar van de vergadering, indien van toepassing het deel, alsmede van de pagina in de digitale weergave op https://pkn-acta.digibron.nl/), oktober 1992, 108).

[28] Triosynode, oktober 1992, 118.

[29] Triosynode, november 1997, 97. Vgl. Triosynode, november 1997, 214. Vgl. ook een eerdere poging in dezelfde richting: Triosynode, oktober en november 1993, 209v. (vgl. Ondeugdelijke basis voor een Verenigde Protestantse Kerk in Nederland, Huizen: Gereformeerde Bond, 1994, 29). Aan gereformeerde zijde wilden enkelen juist beslissingsbevoegdheid voor de gemeente (Triosynode, januari 1997, I, 292 en 410).

[30] Toelichtingen op de ontwerp-ordinanties behorende bij de ontwerp-kerkorde van de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland, Zoetermeer: Boekencentrum, 1997, 61.

[31] Kerkorde en ordinanties van de Protestantse Kerk in Nederland inclusief de overgangsbepalingen, Zoetermeer: Boekencentrum, 2003 (= PKO 2004), ord. 4-8-6.

[32] Triosynode, januari 1997, I, 404.

[33] Triosynode, november 2002, I, 150 34 Triosynode, januari 1997, II, 220v.

[35] P. van den Heuvel (red.), De toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland, Zoetermeer: Boekencentrum, 2004, 168 (= Van den Heuvel 2004).

[36] PKO 2004, ord. 4-8-7.

[37] PKO 2004, ord. 5-4-1 en 7-2-2.

[38] Triosynode, januari 1997, II, 366v.

[39] Triosynode, januari 1997, II, 51.

[40] GCBG 01/16A-B, r.o. 2.6.1. Het GCBG lijkt echter te vergeten dat volgens ord. 4-7-2 de gemeente gekend en gehoord moet worden inzake de plaatselijke regelingen, maar dat dit niet in de opsomming van ord. 4-8-7 is opgenomen.

[41] Van den Heuvel 2004, 169, noemt kinderzegening als voorbeeld waarbij het toch ‘voor de hand ligt’.

[42] GCBG R-15/14, r.o. 3.4-5.

[43] GCBG 11/13, r.o. 5.5 (vgl. 15/15, r.o. 4.100).

[44] Van den Heuvel 2004, 170. Vgl. echter voor een uitzondering GCBG 05/08, r.o. 5.3.

[45] PKO 2004, ord. 2-11-3,6 en 2-12-2,3.

[46] PKO 2004, ord. 2-11-4, 2-13-3, 2-15-5, 2-16-5,6 en 2-17-4. N.B. Deze vorm van huisgemeente is een andere dan de huisgemeente in PKO 2019.

[47] PKO 2004, ord. 2-14-1,2 en 2-17-5,6. Bij het voortbestaan van de gemeente lijkt niet te moeten worden gedacht aan wijkgemeenten (PKO 2004, ord. 2-11-8 en Van den Heuvel 2004, 169).

[48] PKO 2004, ord. 4-8-5, 11-6-4 en 11-7-2.

[49] Triosynode november 2002, II, 27v. Ten aanzien van het beleidsplan is in de besprekingen het vastleggen van de vorm van mening geven in de plaatselijke regeling tussen wal en schip geraakt. Vgl. over de aard het mening geven over begroting en jaarrekening Klaas-Willem de Jong, ‘Een eigen accent op de individuele rechtsbescherming. Het individuele gemeentelid in een bezwaarprocedure tegen de begroting/jaarrekening van een gemeente binnen de PKN’, NTKR Tijdschrift voor Recht en Religie 2018-1, 93-112.

[50] PKO 2004, ord. 2-12-3,6, 2-13-5, 2-14-2, 2-16-6,7,8, 2-17-5,6, 2-18-1,4, 3-12-7, enzovoort.

[51] Triosynode, januari 1997, I, 301.

[52] Kerk 2025 – In kerkordelijke voorstellen. Deel 1: regio’s en kerkelijke presentie, 36, nt 16. Dit en andere kerkelijke rapporten zijn afkomstig van de site www.protestantsekerk.nl (geraadpleegd op 2 april 2020).

[53] PKO 2004/2019, ord. 10-14-5.

[54] PKO 2019, ord. 4-8-9.

[55] PKO 2019, ord. 2-4-5, 2-4-8 en 2-8-6 (en per 15 november 2019 ord. 3-16-6, in afwijking van de tekst in eerste lezing) (NB: ord. 2-8-6 kan gelezen worden als een onderwerp waarbij het voortbestaan van de gemeente op het spel staat en dat uit dien hoofde toch onder het beslag van ord. 4-8-9 valt), alsmede ord. 2-8-2 (deze hoort erbij, al staat er ‘gemeenteleden gehoord’).

[56] Eindrapport Kerk 2025. Rapport van het generale college voor de kerkorde (GCKO) (GS 18-09), 1.

[57] Eindrapport Kerk 2025, 39v. Het GCKO laat buiten beschouwing dat het mening kenbaar maken in het merendeel van de gevallen in ord. 2 van oorsprong, ook procedureel, van een andere orde was.

[58] Zo blijkt uit Kerkorde en Ordinanties van de Protestantse Kerk in Nederland. Versie december 2019. Het GCKO achtte wijzigen van art. VI-5, waar ‘gekend en gehoord’ immers ook in opgenomen is, ‘niet nodig’ (Eindrapport Kerk 2025, 40). Het gekend en gehoord in Generale Regeling (= GR) 1-2-7 zal beschouwd moeten worden als een relict dat bij een volgende revisie zal worden aangepast.

[59] Eindrapport Kerk 2025, 36.

[60] Rapport van het generale college voor de kerkorde inzake de consideraties met betrekking tot de in november 2018 in eerste lezing vastgestelde teksten; voorstellen tot vaststelling in tweede lezing (GS 19-10), 6-9.

[61] F. Tobias Bos en Leo J. Koffeman (red.), Nieuwe toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland, Utrecht: KokBoekencentrum, 2019 (= Bos en Koffeman 2019), 135.

[62] Bos en Koffeman 2019, 136.

[63] Van Dale. Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, s.v. ‘horen’.

[64] Vgl. GR 11-25-1.

[65] Hélène Evers, Leo Koffeman en Wim van der Schee, ‘De boel bij elkaar houden: Leiderschap in een presbyteriaal-synodale kerkorganisatie’, in: Leon van den Broeke en Eddy Van der Borght (red.), Religieus leiderschap in post-christelijk Nederland, Utrecht: KokBoekencentrum, 2020 (= Van den Broeke en Van der Borght 2020), 199-219, 212.

[66] Stefan Paas en Joke van Saane, ‘Leiderschap en ambt in de laatmoderne samenleving’, in: Van den Broeke en Van der Borgt 2020 (= Paas en Van Saane 2020), 151-165.

[67] Paas en Van Saane 2020, 163v.

[68] Kerk 2025: Waar een Woord is, is een weg, januari 2016, 19 (vgl. 10).

[69] B.A.M. Luttikhuis, ‘De kerkorde van 1951 en het ontwerp voor een Samen op Weg-kerkorde’, in: W. Balke e.a. 2001, 302. Vgl. Bernard Luttikhuis, Bouwvakkers en boeren. Een bijdrage in het gesprek over de opbouw van de gemeente, Zoetermeer: Boekencentrum, 20022, 302.

< Terug