< Terug

Kleurensymboliek in het boek Openbaring

Wit staat in onze cultuur symbool voor alles wat schoon en smetteloos is. Witter dan wit wast het beste wasmiddel. Ook bij Johannes speelt wit een grote rol. Als contrast tot kleuren als rood, purper en zwart verwijst het wit in Openbaring naar zuiverheid, reinheid. ‘Laten uw kleren altijd wit zijn’, maant hij met een woord van Prediker (9:8).

Al in het eerste visioen van Johannes is sprake van kleurensymboliek. Johannes vertelt dat hij op het eiland verbleef en daar ‘in geestvervoering’ kwam. Het begon met een stem die hij hoorde. Vervolgens draaide hij zich om, om de stem te zien, zoals hij het uitdrukt, en zag toen iemand ‘als een Mensenzoon’; de NBV vertaalt: ‘Iemand die eruitzag als een mens.’ Het gaat hier echter niet om zomaar een mens, maar om de gestalte die in Daniël 7 met de wolken kwam om zich voor God zelf op te stellen in de hemelse rechtszaal, iemand ‘als een Mensenzoon’ (Dan. 7:3).1 Johannes ziet deze ‘Mensenzoon’, een term waarmee hij Christus aanduidt, staan tussen zeven gouden kandelaren. Die kandelaren worden in het slot van het visioen uitgelegd als de zeven gemeenten van Johannes, maar het beeld als zodanig doet denken aan de tempel in Jeruzalem, waarin tal van gouden kandelaren stonden. Johannes beschrijft de ‘Mensenzoon’ uitvoerig. Die draagt een tot de voeten reikend gewaad met een gouden gordel, niet om zijn heupen maar om zijn borst.2 Het belangrijkste onderdeel van de beschrijving: hoofd en haren van de Mensenzoon zijn wit, als witte wol, als sneeuw. Het klinkt een beetje vreemd dat ook zijn hoofd wit was, zoals alle vertalingen beweren. Een betere vertaling is: zijn hoofd, dat wil zeggen zijn haren waren wit. De kleur wit refereert aan zuiverheid en reinheid én aan sociale status – gewone mensen droegen geen witte kleren. Het opvallende in deze uitspraak is echter dat Johannes in zijn eerste visioen op het genoemde hoofdstuk Daniël 7 zinspeelt, waar van God wordt gezegd dat zijn haar ‘blank was als wol’; volgens de Griekse vertaling van het Oude Testament: ‘als witte, zuivere wol’. In de Apocalyps van Abraham 11,2 wordt ook wel een engel getekend met ‘haar wit als sneeuw’, maar hier in Openbaring 1:14 wordt de ‘Mensenzoon’, Christus, getekend met het epitheton van God zelf. Met zijn haren ‘wit als witte wol’ wordt hij tot de hoogste waardigheid verheven.

Zeven gemeenten

Zoals gezegd worden de zeven kandelaren waartussen Johannes de gestalte van Christus schouwde in het commentaar bij het visioen uitgelegd als ‘de zeven gemeenten’ (Op. 1:20). Johannes was een jood die aan de Tora vasthield en toch in Jezus de Messias zag. Zijn boek is het meeste joodse boek van het Nieuwe Testament. Daar zijn alle theologen het over eens. Zij verschillen echter van mening over de identiteit van degenen voor wie Johannes zijn boek schreef, de leden van de zeven gemeenten. Die worden meestal ‘christenen’ genoemd. Ik denk dat die geadresseerden met die benaming niet gelukkig zouden zijn geweest. Zij waren joden en wilden joden blijven, en zagen net zoals Johannes Jezus als de Messias. De volgelingen van Johannes vormden zeven gemeenten in het westen van de Romeinse provincie (het huidige Turkije). Ook in Efeze, de stad waar Johannes zich vestigde na zijn verblijf op , was een gemeente van Johannes’ volgelingen. Daarnaast was er in dezelfde stad een ‘christelijke’ gemeente, voornamelijk bestaande uit niet-joden, de gemeente waarin Paulus geruime tijd heeft gewerkt.

Johannes schreef zijn boek letterlijk in de tale Kanaäns. Zijn zinnen waren gedrenkt in de taal van de Tora. Bijna alle zinnen van Johannes’ Openbaring hebben een oudtestamentische achtergrond. Alleen joden die van jongs af opgeleid waren in kennis van de Tora en die hele stukken daarvan uit hun hoofd kenden, konden Johannes’ teksten begrijpen. Johannes laat in zijn eerste visioen de ‘Mensenzoon’ zeggen dat hij, Johannes, brieven moet schrijven aan zijn zeven gemeenten. Ook in twee van deze brieven, in die aan de gemeente te Sardes en die in , speelt de kleur wit een belangrijke rol, maar nu als kenmerk van kleding. Belangrijk om te bedenken daarbij is dat de uiterlijkheid van de kleding voor Johannes het wezen symboliseert van het innerlijke. In Johannes’ brief aan de gemeente te Sardes hekelt hij deze gemeente vanwege haar doodsheid. Er zat geen leven meer in. Gelukkig waren er enkele gemeenteleden ‘die hun kleren niet hadden bezoedeld’ (Op. 3:4). Dat is een beeldspraak, zoals wij kunnen zeggen: er kleefden geen smetten aan hen. Johannes vervolgt: ‘Zij zullen bij mij zijn, in het wit gekleed, want ze verdienen het.’

Bij dit ‘wit’ gedacht worden aan 2 Makkabeeën 11, waarin wordt verteld dat Judas Makkabeüs en de zijnen optrokken om Jeruzalem te ontzetten. De stad was belegerd door Lysias, zwager en generaal van koning Antiochus Epifanes. Toen verscheen hun een ruiter te paard, die God hun uit de hemel als helper zond. De ruiter droeg een gouden harnas, over een wit kleed (2 Makk. 11:9). Deze ruiter bezorgde de Judeeërs de overwinning. Wit is hier de kleur van de overwinning. Johannes vervolgt zijn brief aan de gemeente te Sardes met de woorden: ‘Wie overwint, zal aldus bekleed worden met witte kleren.’

Witte gewaden als genadegaven

In Openbaring 6 wordt gesproken over een altaar waaronder de zielen verblijven van de martelaren die hun leven verloren vanwege hun geloofsgetuigenis. Hier wordt gezegd: ‘Aan elk van hen werd een wit gewaad gegeven’ (vers 11); ‘werd gegeven’, een passieve vorm, net als in de tekst in de brief aan de gemeente in Sardes: ‘Wie overwint, zal aldus bekleed worden met witte kleren’ (Op. 3:5). Ik citeer hier de vertaling NBG ’51, vanwege de vertaling van de passieve vorm (‘bekleed worden’). Het gaat hier om een passivum divinum. De betekenis daarvan is dat God eenieder met een wit gewaad bekleedt. Dat element is weggevallen in de NBV: ‘Wie overwint, zal zich ook in het wit kleden.’

In de uitdrukking ‘met witte kleren bekleed worden’ zit een aspect van rechtvaardiging. Met die witte kleren is hun de hemelse zaligheid toegezegd. Hier heeft de kleur ‘wit’ dus de betekenis van goddelijke genade, heil, ja, onsterfelijkheid. In Openbaring 7 ziet Johannes in een visioen het volk Israël, en daarbij een grote schare uit de volkeren, uit alle rassen en talen, een schare die niemand tellen , staande voor Gods troon. Deze menigte staat voor Gods troon die wit is (Op. 20:11) en ‘zij zijn bekleed met witte gewaden’ (Op. 7:9). Toen Johannes aan een der hemelingen vroeg wie toch die mensen in witte gewaden waren, kreeg hij ten antwoord: ‘Dat zijn degenen die komen uit de grote verdrukking, die hun kleren hebben gewassen en wit gemaakt in het bloed van het Lam.’ In dat antwoord trillen de woorden mee uit het boek der Psalmen: ‘Ontzondig mij met hysop, dan ben ik rein; was mij, dan ben ik witter dan sneeuw’ (Ps. 51:9). Hysop is een plant die als kwast werd gebruikt. Met Pasen werd met een bundel hysop bloed van het offerdier gestreken aan de deurposten ter gedachtenis van de uittocht uit Egypte (Ex. 12:7, 13, 22). Johannes trekt de beide delen van Psalm 51:9 samen en betrekt het dan op het offer van Christus.

In Openbaring 19:11-16 wordt het visioen beschreven van de triomferende Christus, gezeten op een wit paard. ‘Hij is gehuld in een mantel gedoopt in bloed’ (vers 13). Sommige uitleggers denken daarbij aan het bloed van verslagen vijanden, naar Jesaja 63:3: ‘In mijn toorn heb Ik hen vertreden… hun bloed is op mijn kleren gespat.’ Ik voel meer voor een andere verklaring. Het gaat hier om het reinigende bloed van Christus. Stellig hebben de eerste hoorders bij de kleren die in het bloed van het Lam gewassen worden, gedacht aan deze woorden van Jesaja: ‘Zouden uw zonden, die als scharlaken zijn, wit kunnen worden als sneeuw? Zouden zij, rood als purper, kunnen worden als [witte] wol?’ (Jes. 1:18). Deze tekst vormt met Psalm 51:9 de achtergrond van Johannes’ woorden over de witte gewaden, stralend en blinkend wit gewassen door het offer van de Heer. Zo’n gewaad wordt als gave van God gegeven aan ‘de zielen die geslacht waren’ (Op. 6:9-11), waarmee waarschijnlijk de martelaren van de vervolging in zijn bedoeld.

Een lam dat bruiloft viert

Meer wit is te vinden in Openbaring 19:8, waarin het visioen van een bruiloft wordt getekend. Het Lam symboliseert de bruidegom en zijn volgelingen; zijn gemeente symboliseert de bruid. Aan haar is gegeven – weer wordt de passieve vorm gebruikt – zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden. Fijn linnen was in de oude wereld een luxe. In Openbaring 18:12 wordt het genoemd onder de luxe artikelen die kooplieden in hun schepen vervoeren. Maar daar is dat luxe linnen purper geverfd. Wij mogen aannemen dat het bij de blinkende kledij van de bruid gaat om wit linnen. Johannes legt uit: dat fijne linnen is beeld voor de rechtvaardige daden der heiligen, de gelovigen.

Op het eerste gezicht gebruikt Johannes een vreemde beeldspraak, een ‘lam dat bruiloft viert’. Johannes zal zijn beïnvloed door een gedicht dat voorkomt in de zogeheten Tosefta-Targoem op 1 Samuël 17:43vv, waar Goliath snoeft over zijn heldendaden.3 Hij noemt zichzelf een beer. Hij voelt zich echter beledigd als een herder in plaats van een krijgsman het tegen hem waagt op te nemen. Goliath briest: ‘Je bent nog niet eens een herder, je bent maar een lammetje.’ Daar moet Johannes op gezinspeeld hebben als hij schrijft: ‘Het Lam zal hen weiden’ (Op. 7:17). Het Lam is herder, de ‘goede Herder’. Goliath raadt zijn tegenstander David aan zich terug te trekken om zijn bruiloft te kunnen vieren en kinderen te verwekken.

De brief aan de gemeente te eindigt met de uitspraak ‘Wie overwint, hem zal Ik geven […] een witte steen en op die steen [is] een nieuwe naam geschreven, die niemand weet dan die hem ontvangt’ (Op. 2:17). We weten niet wat met die witte steen wordt bedoeld. Er worden verschillende verklaringen gegeven. Zo zou die witte steen het toegangsbewijs zijn voor het hemelse Jeruzalem. Een ander ziet er een duurzaam ‘erediploma’ in, uitgereikt aan overwinnaars van vriendschappelijke wedstrijden. David Aune noemt nog zeven andere mogelijke verklaringen, waaronder deze: met ‘steen’ ook een sieraad, een edelsteen, worden aangeduid, als een steen in een ring. Of: steen als amulet. Daarbij moet ik denken aan het gedicht uit de Tosefta-Targoem op 1 Samuël 17. Volgens dat lied droegen de vijf stenen die David verzamelde, de namen van respectievelijk Abraham, Isaak, Jakob, Mozes en Aäron. Is het dan vreemd te veronderstellen dat de eerste hoorders van Openbaring, joden vertrouwd met de lezingen uit de Targoemim, bekend waren met het gedicht, waarin David als lam werd voorgesteld, en waarin de steen die Goliath velde, een naam had? Zou bij de ‘nieuwe ‘naam die op de witte steen van Openbaring 2:17 geschreven is, niet gedacht kunnen worden aan het ‘Lam’ als naam van Christus? Deze naam wordt alleen door Johannes in het boek Openbaring genoemd. Volgens Johannes overwon Christus, de Leeuw van Juda, juist als Lam – dat is de kern van zijn boodschap.

Naaktheid als tegenstelling tot witte kleding

Ook een tweede gemeente, die te Laodicea, krijgt er in het boek van Johannes van langs. Ook hier speelt de kleur ‘wit’ weer een belangrijke rol. Johannes hekelt de lauwheid van de gemeenteleden. De burgers van zijn rijk geworden door de handel. Johannes houdt de gemeenteleden voor dat ze denken rijk te zijn, maar niet weten hoe arm ze feitelijk zijn. Hij noemt ze blind, een zinspeling op de medische school te die beroemd was vanwege de oogheelkundige kennis en de vervaardiging van oogzalven.

had ook een winstgevende kledingindustrie. In de omgeving van de stad werden veel schapen gehouden die bekend stonden om de zachtheid van hun wol en de ravenzwarte kleur daarvan. Johannes verwijt de Laodiceeërs ondanks hun lucratieve kledingindustrie naakt te zijn. Dat was een ernstig verwijt. Naaktheid werd in Israël geassocieerd met schande. De joodse afkeer van naaktheid berustte op een gebod van de Tora: ‘Ook moogt gij niet langs een trap naar mijn altaar opklimmen, opdat daarop uw schaamte niet zichtbaar worde’ (Ex. 20:26). Ook de profeten Jesaja, Jeremia en Ezechiël gebruikten het woord naaktheid als beeld voor schande en vernedering.

In de hellenistische cultuur echter werd het naakte lichaam in de kunst verheerlijkt. Sport werd naakt bedreven. De auteur van 2 Makkabeeën sprak echter zijn afschuw uit over de priester Jason, die in Jeruzalem een sporthuis, een gymnasium (afgeleid van gymnos, naakt) liet bouwen: een oefenplaats waar naakt sport bedreven werd. Hij zag dat als een inbreuk op de vaderlijke zeden, ja, als een rechtstreekse overtreding van de wet van Mozes. Mogelijk speelt in Johannes’ vermaan, gericht tot de gemeente in , een verwijt mee vanwege hun interesse voor sportbeoefening.4 Johannes heeft het heel specifiek over witte gewaden. Wit heeft verschillende aspecten. We zagen al dat Johannes deze kleur gebruikt als aanduiding van zuiverheid en puurheid, van de feestelijkheid. Wij noemden boven al de woorden van de Prediker, ‘Laat uw kleren altijd wit zijn!’ (Pred. 9:8), dat wil zeggen: Ga altijd feestelijk gekleed. De NBV vertaalt overdrachtelijk: ‘Draag altijd vrolijke kleren.’ Wit is bovendien, zoals boven vermeld, de kleur van de overwinning. Hier doet zich een interessante tegenstelling voor, tussen ‘naaktheid’, en ‘wit’. Johannes roept de gemeenteleden in op witte kleren te kopen om zich te kleden en zich niet meer behoeven te schamen voor hun naaktheid. Hij komt in zijn boek op een merkwaardige manier terug op die naaktheid. Hij schildert eerst een visioen van de dramatische strijd die zich zal voordoen aan het einde der dagen, wanneer de koningen van de gehele aarde zich verzamelen voor een laatste oorlog tegen God (Op. 16:14). Dan onderbreekt hij plotseling de vertelling. Zonder enige overgang vernemen de toehoorders de woorden van de Heer: ‘Zie, Ik kom als een dief. Zalig hij die zijn kleren bewaart. Die zal niet naakt gaan en zijn schaamte wordt niet gezien’ (Op. 16:15). Verschillende uitleggers hebben gemeend dat deze woorden hier ten onrechte staan. Ze zouden eerder thuishoren in Openbaring 3:3, waar de Heer eveneens zegt dat hij komt als een dief, gevolgd door een opmerking over enkele gemeenteleden die hun kleren niet hebben bezoedeld. Het is echter aannemelijker dat Johannes hier in Openbaring 16:15 bewust een retorisch middel toepaste en bij de hoorders een schokeffect bewerkstelligde door de abrupte onderbreking van het visioen.5

Lastiger te vatten is de uitleg van de uitdrukking ‘Zalig hij die zijn kleren bewaart’. Gaat het hier om ‘doopkleren’? Dat lijkt onwaarschijnlijk. Betekent het: die zijn kleren rein houdt en niet bezoedelt zoals in Openbaring 3:3? Of, positiever nog: die rechtvaardige daden doet? In het visioen van de Bruiloft van het Lam is het fijn linnen gewaad van de bruid een beeld voor de rechtvaardige daden der heiligen. De NBV lost het probleem weer op door een niet-letterlijke, overdrachtelijke vertaling: ‘Gelukkig is wie wakker blijft en zijn kleren aanhoudt: hij hoeft niet naakt rond te lopen en zich voor iedereen te schamen.’

Nog een keer gebruikt Johannes het beeld van naaktheid. In Openbaring 17:16 profeteert hij dat vijanden de stad , hier een aanduiding voor , aangeduid als prostituee, naakt zullen maken. Ook dat is een beeld voor schande en vernedering.

Purper en scharlaken

Ook het verheerlijkte lichaam van de gelukzaligen, vergelijkbaar met dat van de Heer (Fil. 3:21), krijgt bij Johannes de kleur wit. Hij verwijst daarmee naar het beeld van witte gewaden, de hemelse feestkledij. Wit is de kleur van hemelse gewaden. In het visioen van de hemelse troonzaal worden vierentwintig presbyters (oudsten) genoemd die in witte kleren zijn gekleed (Op. 4:4) en in Openbaring 15:5 beschrijft Johannes dat de hemel openging en zeven engelen naar buiten traden, ‘bekleed met rein en blinkend linnen’ – dat is wit linnen.

De tegenstanders worden eveneens aan de hand van hun kleding gekarakteriseerd, maar dan met kleuren die het tegendeel zijn van wit. werd – zoals ik hierboven al meldde – denigrerend aangeduid met de naam en als antigoddelijke macht vergeleken met een prostituee, gehuld in purper en scharlaken. Zij is gezeten op een scharlakenrood beest. Ook hier verwijst Johannes naar de profeten, bij wie purper en scharlaken worden genoemd als tekenen van zondige luxe en van Gode vijandige machten. Jeremia veroordeelde de handelwijze van de volken: ‘Die is nietigheid. Blauwpurper en roodpurper is hun gewaad!’ (Jer. 10:9). In Openbaring 18:16 wordt het ‘wee!’ uitgesproken over , ‘de grote stad, die gehuld was in fijn linnen, purper en scharlaken en getooid met goud’. Zo striemde Jeremia ook de stad Jeruzalem: ‘Nu, gij verwoeste, waarom u kleden in purper, waarom u omhangen met goud?’ (Jer. 4:30).

De vier paarden

In Openbaring komen echter meer kleuren voor dan wit en purper. Tot de bekendste visioenen van Johannes behoort dat van de vier ruiters, die gezeten zijn op paarden van verschillende kleur. Deze ruitergroep is als thema veelvuldig gebruikt door beeldende en schrijvende kunstenaars.6 Er zijn zelfs computerspelletjes die gebaseerd zijn op deze apocalyptische ruiters.

Vier hemelse figuren die rondom Gods troon staan, ‘wezens’ genoemd, roepen om de beurt ‘Kom!’ Dan ziet Johannes in zijn visioen telkens een ruiter verschijnen. De eerste ruiter rijdt op een wit paard, de volgende op een rood, de derde op een zwart en de laatste op een vaal paard. Johannes baseerde zich daarbij op scènes in het boek van de profeet Zacharia. Ook in Zacharia (1:7-11) is sprake van paarden van verschillende kleur. Die kleuren zijn niet gelijk aan die uit Openbaring. Over de betekenis van die kleuren is druk gespeculeerd. In Zacharia 6 hebben zij blijkbaar met de vier windrichtingen te maken. Zij worden naar de ‘vier windstreken van de hemel’ gezonden. A.S. van der Woude wees echter alle symbolische verklaringen van de kleuren in Zacharia van de hand. De kleuren van de paarden in Zacharia 1 en 6 zouden zijn ontleend aan het voorbeeld van de Perzische stoeterij, waar kleuren dienden om de wagenspannen te kunnen onderscheiden.7

Hoe het ook zij, in Openbaring 6 hebben de kleuren van de paarden een duidelijk symbolische betekenis:

– In het beeld van de ruiter op het witte paard hebben theologen lang een aanduiding van Christus gezien, die in Openbaring 19:11 immers als een ruiter op een wit paard wordt afgebeeld. Of men zag in de ruiter van Openbaring 6: 2 een personificatie van het Evangelie dat zijn triomftocht over het wereldrijk maakte. Tegenwoordig zien veel uitleggers de eerste ruiter als symbool voor het rijk der Parthen, waarvan de ruiterij bewapend was met pijl en boog. Johannes verwachtte blijkbaar dat de Parthen het Romeinse rijk zouden binnenvallen, de Romeinse legermachten zouden verslaan en zo het einde der tijden zouden inluiden. In Openbaring 6:2 wordt alleen de boog genoemd. Toch zal dit vers een zinspeling bevatten op verzen in het Lied van Mozes, Deuteronomium 32: 23-25, waar als rampen worden opgesomd: pijlen, honger, dodelijke ziekte, wilde dieren en het zwaard. In de samenvatting van de rampen, gebracht door de vier ruiters, worden in Openbaring 6:8 genoemd: de dood door het zwaard, door honger, door de zwarte dood (de pest) en door wilde dieren. Het motief van deze vier plagen komt enkele malen voor in Ezechiël, bijvoorbeeld in 14:21, waar als vier gerichten over Jeruzalem worden genoemd: het zwaard, de honger, het wild gedierte en de pest.

De ruiter op het witte paard wordt getekend in een beeld dat wijst op een historisch feit, de bedreiging van het Romeinse rijk door de Parthen. De drie andere ruiters missen elk historisch verband.

– De tweede ruiter berijdt een rood paard (Op. 6:5). Hem werd een groot zwaard gegeven. Het vergt weinig verbeeldingskracht om in de rode kleur symbool van het bloedvergieten te zien.

– De ruiter op het zwarte paard heeft een weegschaal in zijn hand. Johannes hoorde een stem als die van een koopman die riep: ‘Een maat tarwe’– de dagelijkse portie voor een persoon – ‘voor een denarie, en drie maten gerst voor een denarie.’ Een denarie (Lat. denarius) was het dagloon van een arbeider. De normale prijs was twaalf maten tarwe voor een denarie. Het zwarte paard wijst op een komende hongersnood en wellicht op de economische onderdrukking door de Romeinse regering, die tot hongersnood zou .

– De laatste ruiter berijdt een vaal paard. Deze kleur duidt op een vreselijke ziekte, de pest, die zwarte dood wordt genoemd. Drie van de vier ruiters op de gekleurde paarden zijn stellig een beeld voor het Romeinse rijk dat daarin getekend wordt als een imperium van de dood.

Toch is Openbaring geen pessimistisch boek. Johannes verkondigt dat aan de satanische macht van het Romeinse rijk een einde zal komen. Johannes bemoedigde zijn hoorders en lezers met de aankondiging dat de rijkdom en de antigoddelijke, demonische macht van Rome, dat als een godin, Roma, moest worden vereerd, en waarvan de keizer goddelijke eer bewezen moest worden, in een ogenblik zullen worden weggevaagd. In het slot van zijn boek herhaalt hij het beeld van de smetteloze kleding, ‘Zalig die hun gewaden wassen’ (Op. 22:14). De volgelingen van het Lam zullen leven in een nieuw Jeruzalem, tot in de eeuwen der eeuwen, in hemelse feestkledij, dat wil zeggen, in witte kleren.

< Terug