Lachen om de dood

De risus paschalis

‘Met de dood moet je niet spotten.’ Dat hoor je wel eens zeggen als iemand aan de dood ontsnapt is na gevaarlijke capriolen uitgehaald te hebben of ternauwernood een ramp heeft overleefd.

Met de dood valt inderdaad niet te spotten. Dat merken we momenteel wereldwijd nu we nog steeds met de coronapandemie te maken hebben. Je kunt zomaar met het virus besmet raken en je kunt er zomaar aan doodgaan… Volgens de statistieken van de John Hopkins University zijn er op dit moment (begin mei 2021) wereldwijd bijna 153 miljoen besmettingen en ruim 3,2 miljoen mensen die eraan overleden zijn!

Met de dood valt niet te spotten. En toch, dat is wat christenen doen als ze Pasen vieren.

Vrolijk Pasen

Pasen is het grootste christelijke feest. Het heeft een lange voorbereidingstijd, veertig dagen, het paasfeest zelf duurt nog langer: vijftig dagen. Met Pasen vieren we de opstanding van Christus uit het graf, de definitieve overwinning op de dood. Niet de dood heeft het laatste woord, maar het leven. De liturgie van Pasen is van een grote uitbundigheid. De nieuwe paaskaars brandt, het Gloria en het Halleluja worden weer gezongen, er klinken vrolijke paasgezangen. De Heer is verrezen, ja, Hij is waarlijk verrezen! Pasen is een feest van vreugde, blijdschap en vrolijkheid. We wensen elkaar een zalig Pasen, vrolijk Pasen. En wat hoort er meer bij vreugde en vrolijkheid dan lachen?

Er mag met Pasen gelachen worden en vroeger gebeurde dat ook. In de middeleeuwen werd er met Pasen, juist met Pasen, gelachen in de kerk. Pasen was het feest van de risus paschalis, de paaslach.

De paaslach

Er was ook wel enige behoefte aan ontspanning en ontlading na de lange veertigdagentijd, zeven weken van vasten en onthouding, inkeer en bezinning, en na de stille, ingetogen dagen van de Goede Week. Eindelijk was die intensieve, sombere en droeve tijd voorbij. In de mis van paaszondag of paasmaandag liep de priester vanaf het priesterkoor naar het schip waar hij tussen de gelovigen ging staan. Daar vertelde hij enkele paasgrappen of maakte hij komische gebaren om de aanwezigen aan het lachen te krijgen. Het gebruik kreeg de benaming risus paschalis. Het Latijnse woord risus (van het werkwoord ridere) betekent niet zomaar glimlachen, maar echt hartelijk lachen (vanuit het hart).

De Lachende Christus aan het kruis, te De Klinge, België.
De Lachende Christus aan het kruis te De Klinge, België (Geertfotografeert.nl).

De bronnen over het ontstaan van dit gebruik zijn schaars en vaag. Waarschijnlijk ontstond het gebruik van de risus paschalis in de loop van de veertiende eeuw, ofschoon er getuigenissen zijn dat het ook al eerder voorkwam. Met name in Zuid-Duitsland werd de paaslach (Ostergelächter) populair. De paasgrappen groeiden soms uit tot hele verhalen, zogenaamde ‘Ostermärlein’, of zelfs complete toneelstukjes. Toneel in de kerk was niet vreemd. In de middeleeuwen kende men met name met de hoogfeesten van Kerstmis en Pasen liturgische drama’s, waarin de bijbelse verhalen werden nagespeeld. Zo kregen de mensen, van wie de meesten konden lezen noch schrijven en evenmin de in het Latijn gevierde liturgie konden volgen, toch iets mee van de betekenis van deze feesten.

De duivel uitgelachen

Waar gingen de paasgrappen over? De bedoeling was dat ze over de duivel gingen. Met Pasen had God de duivel immers voor de gek gehouden door Jezus uit de doden op te wekken ten leven. God had de duivel in de val laten lopen. Na zijn dood aan het kruis was Jezus ‘nedergedaald ter helle’. De duivel probeerde de poorten van de hel gesloten te houden, maar tegen Christus bleek hij niet bestand. Christus verloste alle mensen die zich in de onderwereld bevonden uit de greep van de dood en zo werd Hij de grote overwinnaar. De duivel dacht dat hij gewonnen had en dat met Jezus’ dood nu voortaan zijn heerschappij gevestigd was, maar hij was voor de gek gehouden. Niet Jezus, maar hij moest het onderspit delven.

Het was in deze zin dat in vroeger eeuwen kerkvaders als Gregorius van Nyssa, Johannes Chrysostomus en Augustinus schreven over wat er met Pasen gebeurd was. God had de duivel in de val laten lopen. Christus had de dood overwonnen. Dat gebeurde toen voor het eerst en juist daarom gebeurt het nu steeds weer opnieuw: de dood is te overwinnen. Sterfelijke mensen mogen de dood in zijn gezicht uitlachen en ze mogen dat doen omdat ze Christus aan hun zijde hebben. Hij is hun daarin voorgegaan.

Ontsporing

Vanaf de late middeleeuwen ontaardde de risus paschalis echter. De grappen hadden weinig meer met het paasverhaal te maken en werden steeds banaler en obscener, ze gaven steeds meer aanstoot. Priesters probeerden de lolbroek uit te hangen en gebruikten de gelegenheid soms om parochianen die hun niet goed gezind waren belachelijk te maken.

De Reformatie had ook weinig op met de paaslach, met lachen in de kerk in het algemeen, ofschoon Luther wel gevoel voor humor had. Hij noemt de duivel een geest van treurigheid en God een geest van vreugde, en voor hem kon de duivel nooit genoeg worden uitgelachen. Je mocht zelfs wel enige zonde riskeren om de duivel te verachten. Dan zou hij tenminste geen gelegenheid vinden dat wij uit kleinigheden gewetenszaken zouden maken. Paus Clemens X – hij was paus van 1670 tot 1676 en hij was al tachtig jaar toen hij dat werd! – vaardigde een verbod op de paaslach uit. Overigens geldt niet altijd het spreekwoord Roma locuta causa finita (als Rome gesproken heeft, is de zaak afgedaan), want in Zuid-Duitsland blijft het gebruik zeker nog tot ver in de negentiende eeuw bestaan. En… in onze eeuw schijnt de paaslach weer terug te keren. In Amerika zijn er kerken die in de paastijd, meestal op Beloken Pasen, ‘Holy Hilarity Sunday’ of ‘Holy Fools Sunday’ houden; er mag dan in de vieringen veel gelachen worden.

Lachen in de kerk?

Maar… valt er wel te lachen? Heeft Jezus eigenlijk ooit gelachen? In de evangeliën wordt daar nergens melding van gemaakt, wel dat Hij huilde: als Hij bij het graf van zijn geliefde vriend Lazarus komt (Johannes 11:35). Toch is Jezus allesbehalve een apathisch mens geweest. Integendeel, meer dan eens verhalen de evangelisten dat Hij ‘met ontferming bewogen’ is om de menigte mensen die Hij voor zich ziet (onder andere Matteüs 9:36; 13:32). En het is onvoorstelbaar dat Jezus er geen plezier in schiep om mensen te genezen van hun ziekten en te bevrijden van hun angsten; daartoe was Hij immers gekomen? Er is zelfs een traditie die zegt dat Jezus aan het kruis gelachen heeft! Jezus lachte aan het kruis, omdat Hij de dood uitlachte, omdat Hij door zelf te sterven en op te staan de dood voorgoed overwon.

Valt er te lachen? Zeer zeker! Het evangelie is geen droeve, maar een blijde boodschap. Van God zelf wordt gezegd dat Hij in de hemel lacht om het rumoer van de volken en spot met de wereldmachten die tegen zijn gezalfde samenspannen (Psalmen 2:1-4). En het lukt God om mensen aan het lachen te krijgen, zoals het verhaal van de aankondiging van de geboorte van Isaak laat zien (Genesis 18). De Hebreeuwse naam Isaak betekent trouwens ‘lachen’! Als hij geboren wordt, zegt zijn moeder Sara: ‘God maakt dat ik kan lachen, en iedereen die dit hoort zal met mij mee lachen’ (21:7). Heel de Schrift getuigt ervan dat God droefheid verandert in blijdschap en dat wie in rouw gaat, gekleed wordt in vreugde (Psalmen 30:12). De apostel bindt het de gemeente op het hart: ‘Laat de Heer uw vreugde blijven; ik zeg u nogmaals: wees altijd verheugd’ (Filippenzen 4:5). En Jezus zelf wil niets liever dan dat zijn leerlingen delen in zijn vreugde (Johannes 15:11).

Ko Joosse is redactielid van Laetare.

Literatuur

Er is in het Nederlands heel weinig literatuur over de paaslach te vinden, zelfs niet in grote hand­ of woordenboeken. Er zijn twee monografieën:

  • Maria Caterina Jacobelli, Ostergelächter. Sexualität und Lust im Raum des Heiligen, Regensburg 1992 (oorspronkelijk Italiaans);
  • Benny Grey Schuster, Om påskelatteren. Köpenhamn, 2019 (Deens).

Tags:

Meer Liturgie