< Terug

Man

Er zal weinig oppositie zijn wanneer wordt vastgesteld dat de bijbel overwegend een ‘mannen-boek’ is. Het zijn vrijwel uitsluitend mannen die op de voorgrond treden: in het Oude Testament patriarchen, richters, priesters en profeten, maar ook koningen, stadhouders en generaals; in het Nieuwe Testament is de wereld niet ingrijpend veranderd: Jezus heeft twaalf mannelijke leerlingen, in de vroeg-christelijke gemeente hebben apostelen de leiding en alle nieuwtestamentische geschriften staan op naam van een man. Wanneer over God wordt gesproken dan hebben mannelijke beelden veruit de voorkeur: God als vader, als herder, als koning.

Grondtekst

Het Hebreeuws kent een aantal woorden die met ‘man’ worden weergegeven: in de allereerste plaats ‘iesj dat niet minder dan 2160x voorkomt (Gen. 2:24; Lev. 15:18; etc.); ‘adam heeft een collectieve betekenis: ‘mensen’ (Gen. 5:2; Job 36:25; Jer. 47:2; Hos. 13:2); bèn-‘adam is de individuele ‘mannelijke’ mens (o.a. 93x in Ezechiël; vgl. verder: Num. 23:19; Job 35:8; Ps. 8:5; 80:18; 146:3; Jes. 51:12; 56:2); gèvèr legtnadruk op de jonge, krachtige man (o.a. Job 3:3; Spr. 30:19).

De Griekse term anèr is op een groot aantal plaatsen in het Nieuwe Testament te vinden (Mat. 1:19; 7:24,26; Mar. 6:20; Luc. 5:8,12,18; 19:2,7; Joh. 1:13; 4:16-18; Hand. 1:10-11).

Letterlijk en concreet

a.De verhalen in de bijbel dragen onmiskenbaar de sporen van de patriarchale wereld waarin ze werden geschreven. De rolverdeling van mannen en vrouwen was duidelijk en liet weinig ruimte voor misverstanden of veranderingen. Hoewel het eerste scheppingsverhaal (Gen. 1:1-2:4) doet vermoeden dat man en vrouw principieel gelijkwaardig zijn (‘En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen’ (Gen. 1:27), wordt op grond van het tweede scheppingsverhaal (Gen. 2:2-25) eeuwenlang de ondergeschikte positie van de vrouw tegenover de man toch gezien als een ‘ordening’ die door God gewild is en vanaf de schepping onwrikbaar geldt (Ef. 5:22-33). Ook Paulus beroept zich op die rangorde: ‘De man komt niet voort uit de vrouw, maar de vrouw uit de man; ook is de man niet geschapen omwille van de vrouw, maar de vrouw omwille van de man’ (1 Kor. 11:8-9: een duidelijke zinspeling op Gen. 2:1823). In een andere brief kan de apostel der heidenen echter wel een pleidooi voeren voor een radicale opheffing van bestaande verschillen tussen man en vrouw (Gal. 3:28).

b.De activiteiten van de vrouw beperken zich hoofdzakelijk tot de sfeer van de familie. De man treedt veel meer naar buiten. Hij is actief in het openbare leven. Ook in de Tora wordt met twee maten gemeten. Voor de man gelden dikwijls andere regels en voorschriften dan voor de vrouw. Dat komt met name naar voren in de geboden die betrekking hebben op de (seksuele) relaties tussen mannen en vrouwen in het algemeen en het huwelijk in het bijzonder. Zonder enige twijfel kan worden gezegd dat de sluiting van het huwelijk betekende dat de situatie van de vrouw op dat moment in die zin veranderde dat zij overging van het bezit van haar vader in dat van haar echtgenoot. Dat betekende onder meer dat de man zijn echtgenote kon wegzenden, maar dat het omgekeerde niet mogelijk was.

Beeldspraak en symboliek

Van een bijzondere symboliek kan feitelijk niet worden gesproken. Het beeld dat de man oproept is tamelijk voor de hand liggend. Hij is de verwekker en de vader. Hij staat aan het hoofd van de familie. Op hem rust de taak zijn vrouw en kinderen te leiden en te beschermen. Hij is de gezagsdrager, het toonbeeld van kracht. In de strijd die op gezette tijden ontbrandt, staat hij zijn mannetje.

Praxis

a Liederen:

Liedboek: Psalm 37; 40; 88; 127; Gezang 9; 34; 46; 81; 86; 88; 91; 173; 179; 180; 198; 214; 400; 407; 469; 489; 490; Eerste: 1; Liederen: 5; 7; Zingend III: 71; V: 6; 68; VI: 31.

b.Poëzie:

Jan Willem Schulte Nordholt,Verzamelde gedichten, Baarn 19962, blz. 156-157: ‘Ecce homo’; 183-184: ‘Een joodse man’. H.J. van Tienhoven, Verzamelde gedichten, Baarn 1998, blz. 163: ‘Man’. M. Vasalis, Gedichten, Amsterdam 1997, blz. 49: ‘Wachten in de ochtend’; 64: ‘De oude mannen’.

b Verwerking:

Als we over typisch mannelijke woorden in de bijbel spreken, doen we er goed aan daar de vrouwelijke tegenhangers bij te betrekken (zie ook de inleiding). Een boeiende benadering van het bijbelse woord man is om de Nederlandse uitdrukkingen, gezegden en spreekwoorden waarin de man of vrouw (of beiden) het subject is aandachtig te bekijken. Hiermee krijgen we een aardig inzicht in de beeldvorming van respectievelijk de man en de vrouw en in hun onderlinge verhouding. Daarbij rijst de vraag of deze zogenaamde zegswijzen nog aansluiten bij de huidige kijk op de man en vrouw. Dezelfde werkwijze is toe te passen op liturgische liederen waarin Jezus als man wordt bezongen. Denk bijvoorbeeld aan de volgende Gezangen uit het Liedboek: 81; 86; 173; 174; 180; 198; 275; 461. Welk beeld geven deze liederen van de man uit Nazaret, de man naar Gods hart? Thema’s die opkomen, zijn onder andere: macht, gezag, leiden, heersen en beschermen.

Verwijzing

Overeenkomsten met het begrip man treffen we aan in familiale woorden zoals ‘vrouw‘, ‘zoon‘, ‘dochter‘, ‘broeder en zuster’. Daarnaast verwijzen we naar het woord ‘hoofd‘, waar de relatie tussen man en vrouw in de gemeente ter sprake komt.

< Terug