< Terug

Niets is hier blijvend

Eeuwigheid Bij Tersteegen en Bonhoeffer

“Aan ‘t eind der pelgrimsreize zal voor mijn oog verrijzen uw grote eeuwigheid. O eeuwigheid, gij schone mijn hart wil in u wonen, het vindt geen thuis in deze tijd.” Deze strofe van Gerhard Tersteegen, de laatste van lied 244 uit het Liedboek, werd door Dietrich Bonhoeffer en zijn familie zeer gewaardeerd als verjaardagslied. In 1929 eindigde Bonhoeffer zijn afscheidspreek in Barcelona zelfs met dit ‘lievelingsvers’. In dit artikel onderzoekt Kick Bras wat de overeenkomsten en verschillen zijn tussen Tersteegen en Bonhoeffer als het gaat om hun visie op en waardering van de eeuwigheid.

Streef naar de eeuwigheid

Gerhard Tersteegen leefde van 1697-1769. Hij was bandwever van beroep, maar had zich door een goede middelbare opleiding en zelfstudie op het gebied van de theologie verder ontwikkeld. Binnen het Duitse piëtisme speelde hij een belangrijke rol als prediker, zielzorger en geestelijk begeleider. Hij was sterk geïnspireerd door de middeleeuwse mystiek maar ook door rooms-katholieke mystiek uit zijn eigen tijd. Hij bleef zijn leven lang lid van de reformierte Kirche maar was in wezen een oecumenicus avant la lettre. Veel van zijn toespraken en brieven zijn bewaard gebleven en ook enkele geestelijke traktaten.

Daarnaast heeft hij veel liederen gepubliceerd die vooral in Duitsland, maar ook in andere landen gezongen worden. Hij heeft het menselijk leven vaak getypeerd als een pelgrimage naar de eeuwigheid. In één van zijn toespraken zegt hij: ons leven moet zijn als een bal die door de wereld rolt door steeds met het kleinst mogelijke vlak de aarde aan te raken. Ook in zijn brieven komt het thema van de pelgrimage veelvuldig voor. In de eerste brief die van hem bewaard is gebleven schreef de toen 24-jarige: ‘… Dat ik door Gods bewaring tot nu toe nog op reis ben naar de stille eeuwigheid waar ik nog in de tijd hoop aan te komen’. Een pelgrim moet voortdurend dingen achter zich laten, durven loslaten en dat levensgevoel beheerst ook de ziel van Gerhard Tersteegen. ‘Niets is hier blijvend, alles vergaat, alleen een heilig en vroom leven gaat met ons mee de eeuwigheid in,’ zegt hij in een toespraak. Daarom is het onverstandig om zoveel zorg te geven aan wat voorbijgaat en aan de eeuwigheid helemaal niet te denken. Een pelgrim neemt alleen het aller-noodzakelijkste mee. We zijn vaak te druk met van alles, en hebben te veel zorgen om de dingen van deze wereld, waardoor onze zielenrust verstoord wordt en we de eeuwige dingen, de dingen van de toekomende wereld niet ervaren. Daarom spoort hij de mensen aan om zo te leven dat het een voorbereiding en afstemming op de eeuwigheid is. Zo kan hij het zeggen in zijn beroemde lied Komt, kinderen niet dralen dat als lied 799 is opgenomen in het Liedboek:

Kom, kinderen niet dralen,
want de avond is nabij!
Wij zouden licht verdwalen
in deze woestenij.

Komt, vatten wij dan moed
naar de eeuwigheid te streven,
van kracht tot kracht te leven.
In ‘t eind is alles goed.

De eeuwigheid in de tijd

Deze nadruk op de eeuwigheid als het uiteindelijke thuis van de gelovige betekent niet dat Tersteegen het aardse leven van geen belang acht. Voor hem kan de eeuwigheid al beslag leggen op ons tijdelijke bestaan hier en nu. In een toespraak die hij houdt op Hemelvaartsdag spreekt hij over onze dagelijkse hemelvaart. De oefening in een dagelijkse hemelvaart houdt in dat wij met de eeuwigheid leren leven. Dat doen we door de dingen van de wereld niet hoog te achten en te eren maar alleen onze Heer en door vreugdevol te leven want dan breekt de eeuwigheid nu al een beetje in ons leven door.

Maar ook door ons te oefenen om ons innerlijk open te stellen voor de Geest die in ons woont. We leren dan om de hele dag in Gods aanwezigheid te wandelen en zullen zo al iets proeven van de eeuwigheid. Het eeuwige leven vangt nu reeds aan in vrede, vreugde en vereniging met God, als voorsmaak van wat ons nog te wachten staat.

Leven in het hier en nu

We kunnen ons soms niet losmaken van iets wat in het verleden gebeurd is. En ook kunnen zorgen over de toekomst ons zwaar belasten. Maar Tersteegen wijst op het belang van het leven in het hier en nu, leven bij dit moment. Want Gods eeuwigheid ervaren wij, zolang wij hier op aarde leven, in Gods tegenwoordigheid. En die kun je alleen ervaren in de tegen-woordige tijd. Zo schreef hij in een klein gedichtje:

Verzink je in het stille nu, het goddelijke ogenblik,
zacht en lieflijk en denk niet vooruit of terug!
Verlaat je op God, neig je innig tot hem
en wacht in geduld tot hij zichzelf aan jou toont!

Tersteegen is dicht bij de Nederlandse grens geboren en kon goed Nederlands spreken en schrijven. Hij had ook een hele kring volgelingen in Nederland die hij jaarlijks bezocht en met wie hij veelvuldig correspondeerde. Aan een van zijn vrienden schrijft hij een condoleancebrief na het overlijden van diens vrouw. Hij betuigt zijn medeleven en geeft hem de raad om bij het moment te leven. Dan zal hij niet overspoeld worden door zorgen voor de toekomst. Laat hij bij het moment leven in het vertrouwen dat God met hem is. De eeuwigheid is bij Tersteegen dus zeker het einddoel van ons leven, maar het kan nu al ‘gesmaakt’ worden als men in het hier en nu leeft in Gods tegenwoordigheid en zich niet door zorgen voor de toekomst of verslaving aan tijdelijke zaken laat verdoven en verblinden.

Einde en nieuw begin

Dietrich Bonhoeffer (1906-1945) is een van de meest aansprekende Europese geloofsgetuigen van de twintigste eeuw. Hij kwam vanuit zijn geloof in Christus en zijn weerzin tegen de Jodenvervolging in verzet tegen het Hitler-regime en moest dit met de dood bekopen kort voor de vrede kwam. Hij heeft enkele prachtige boeken geschreven, maar werd vooral beroemd door zijn brieven uit de gevangenis. Ook werd hij bekend door enkele gedichten, waarvan er een als lied werd opgenomen in liedbundels over heel de wereld.

Niet voor niets was het eerdergenoemde lied van Tersteegen Bonhoeffers lievelingslied. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak was Dietrich acht jaar oud. Zijn tweelingzus Sabine vertelde dat hij ’s avonds in bed veel nadacht over de dood en de eeuwigheid en dit zal nog verhevigd zijn toen enkele jaren later zijn broer overleed aan verwondingen opgelopen op het slagveld.

Het begrip ‘eeuwig’ riep bij Bonhoeffer net als bij Tersteegen een intense fascinatie op, evenals het besef dat niets van ons aardse leven blijvend is. Als jonge vicaris hield hij in Barcelona een preek waarin hij net zoals Tersteegen nadruk legde op de vergankelijkheid van alles. Alle lust wil eeuwigheid, maar niets is hier blijvend, zei hij. Bonhoeffer hield zich zijn leven lang ook vast aan de laatste artikelen van de geloofsbelijdenis die handelen over de wederkomst van Christus, het laatste oordeel, de opstanding van de doden en het eeuwige leven. In een preek uit 1934, toen hij dominee was in Londen, sprak hij over de ernst van het laatste oordeel. Christus zal ons eenmaal oordelen en zijn oordeel is eeuwig.

Zijn vraag zal zijn: heb je in liefde met God en de mensen of alleen voor jezelf geleefd? Maar het vooruitzicht op een eeuwig leven was voor hem vooral een zaak van hoopvol verwachten. Zo zei hij in een andere preek uit die tijd in Londen: ‘Wie zou van God willen spreken, zonder te hopen? Wie zou van God willen spreken, zonder te hopen Hem eenmaal te aanschouwen? Wie zou van vrede en van de liefde onder de mensen willen spreken, zonder deze eenmaal in eeuwigheid te willen beleven? Wie zou van een nieuwe wereld en een nieuwe mensheid willen spreken, zonder te hopen daar eenmaal aan deel te hebben?’

Zolang we leven, moeten we ten volle leven

De troost die dit uitzicht op de eeuwigheid biedt, bleef voor hem van cruciaal belang tot het einde van zijn leven. Toen de oorlog eenmaal was uitgebroken herdacht hij in rondzendbrieven gesneuvelde collega’s of schreef een brief aan hun vrouwen en gaf dan uitdrukking aan het verdriet, maar ook aan de hoop dat zij nu bij God geborgen waren. In een brief aan zijn goede vriend Eberhard Bethge van 7 juni 1944 schreef hij ‘Dat wij met lichaam, ziel en geest in eeuwigheid voor God bestaan kunnen’. Het laatste woord dat van hem overgeleverd is, toen hij werd opgehaald om naar Flossenburg gebracht te worden waar hij werd opgehangen, was: ‘Dit is het einde, voor mij het begin van het leven.’

Eeuwig in dit ogenblik

Ook stemt Bonhoeffer overeen met Tersteegen in zijn overtuiging dat de eeuwigheid nu al begint. ‘De eeuwigheid die nu al onze hand grijpt’ noemt hij dat, en dat kun je doorleven door lief te hebben en goed te zijn voor je medemensen. Maar meer dan Tersteegen wijst hij op het belang van dit aardse leven. Als jonge vicaris in Barcelona zegt hij het al: ‘We moeten de aarde trouw blijven. Wil je de eeuwigheid vinden? Dien dan de tijd. Wil je God vinden? Houd je dan aan de wereld.’ Je moet deze tijd hier op aarde, dit ogenblik zo doorleven dat je voeling krijgt met de eeuwigheid.

In een brief aan Eberhard vanuit de gevangenis schrijft hij ook over dat lievelingsvers van Tersteegen: ‘Er komen zeker tijden dat dit lied je uit het hart gegrepen is, maar we moeten daar niet op vooruitlopen.’ Zolang we leven, moeten we het leven ten volle leven. En, zo schrijft hij later nog eens: het geloof in de eeuwigheid moet niet gaan fungeren als een voortijdige verlossing uit het aardse leven. Veel te veel was de boodschap van de kerk gericht op het persoonlijk zielenheil in een eeuwig leven. Daardoor konden gelovigen wegvluchten voor hun verantwoordelijkheid toen het kwaad de macht greep. De Bijbel leert ons juist, dat het God gaat om deze aarde en dit leven. Geloven moet ons stimuleren om daarvoor verantwoordelijkheid te dragen.

Verschuiving

Zo zien we in de afgelopen eeuwen aan de hand van Tersteegen en Bonhoeffer een verschuiving optreden. In een tijd waarin mensen vertrouwd waren met ziekte, lijden en sterven en daar ook vaak machteloos tegenover stonden, vond men troost in de gedachte van geborgen worden in Gods eeuwigheid. Maar in een tijd waarin wij ziekte en lijden veel meer kunnen bestrijden en ook als gewone burgers veel meer verantwoordelijkheid dragen voor de vormgeving van ons samenleven, komt de nadruk meer te liggen op een menselijk leven vóór de dood. Opvallend is echter dat zowel bij Tersteegen als bij Bonhoeffer eeuwig vooral een kwalitatief begrip is. Het staat voor authentiek, wezenlijk leven, voor goddelijke levenskracht midden in dit aardse leven. Eeuwigheid geschiedt hier en nu, waar mensen zich openstellen voor de kansen die hun door de Eeuwige geschonken worden om menswaardig leven voor allen mogelijk te maken. Blijvend door alle tijden is ook de hoop op een aarde waar vrede en gerechtigheid heersen. Hoop die onze verantwoordelijkheid oproept. En ook een besef dat een mens die sterft thuiskomt bij God. Zoals Bonhoeffer in één van zijn gedichten zei:

Lang zochten wij je, vrijheid, in tucht, in daad en in lijden.
Stervend vinden wij je in het aangezicht van God.

< Terug